Poëtische dodenakkers

Nederland Groningen..

Het beroemdste grafschrift in Nederland luidt:

Hier ligt Poot/ hij is dood.

De regels hebben betrekking op de 18e-eeuwse dichter Hubert Kornelisz. Poot, en zijn geschreven door de 19e-eeuwse dichter De Schoolmeester. Alleen, het gedicht is niet op een graf te vinden, maar bestaat slechts op papier. Het is vooral beroemd geworden doordat het de inspiratiebron was voor een lange reeks ‘grappige’ grafschriften die Nederlandse auteurs in de loop der tijden hebben gemaakt, en nog steeds maken, want zolang de dood op afstand blijft, nodigt hij uit tot humor.

Hier ligt Gerrit Komrij/ Ik denk dat ik omrij.

Maar wat te denken van de volgende regels voor de gestorven Anje Groot, gemaakt door een onbekende dichter?

Afgemat door/ hooge jaren/ uitgeteerd door/ ziekte en pijn, moest zij/ in den grafkuil dalen/ en een prooi der/ wormen zijn.

Dit grafschrift is wel echt en te vinden op het kerkhof van het Groningse dorpje Leermens, waar Anje Groot haar laatste rustplaats kreeg. Waarschijnlijk, zegt Reint Wobbes, bestuurslid van de stichting Oude Groninger Kerken, heeft Anje Groot, net als veel mensen in haar tijd, een paar moeilijke laatste jaren gehad, en wilde men dat memoreren.

Groningen heeft wat met doden en begraafplaatsen. Verspreid door de provincie liggen er in het landschap tientallen oude kerkhoven verscholen. Soms bij een verlaten kerkje, soms staan ze op zichzelf. In die gevallen kan zelfs het complete dorpje verdwenen zijn, zoals bijvoorbeeld het kerkhofje in Klein Maarslag, dat slechts te bereiken is via een doodlopend boerenweggetje.

Meer dan elders in Nederland nemen in Groningen kerkhoven een bijzondere plaats in. In de eerste plaats is er de vele symboliek op de oude grafstenen. Talloos zijn de afbeeldingen van omgevallen eiken, korenaren, vlinders, slangen, doodshoofden en botten, die leven, dood, vitaliteit of de cirkelgang van het leven verbeelden, dan wel de lezer tot nederigheid manen. Wat u hier ziet liggen, overkomt u straks ook!

Daarnaast zijn er de teksten op de stenen, die uitstijgen boven het obligate Rust Zacht. Soms geven ze een samenvatting van het leven van de overledene. Zoals over Otto Meijer in 1921 in Muntendam:

O! wat is een mensch op/ aard, werken, zwoegen/ vroeg en laat, want hij/ was het werken nimmer/ moe. Tot aan zijn laat-/ste adem toe, al was/ ’t ook koud of nat, hij/ was toch bij het pad.

Soms is er een glimp van de doodsoorzaak. Willem de Boer uit Obergum werd op 12 januari 1914 doodgestoken toen hij bij een caféruzie om een meisje bemiddelde:

‘Altijd vlijtig werkzaam zorgen/ was hij ons een lieve zoon/ Maar ach hoe onverwachts/ kwam hier de dood/ door mensenhand was het/ in ene ogenblik beslist/ hoe node hij door ons/ ouders kon worden gemist.’

Soms zijn ze berustend, soms boos. Eltjo Siemens uit Finsterwolde werd in 1929 tijdens een staking door de marechaussee doodgeschoten:

‘Het smart’lijk offer/ hier gebracht, zal als een bitt’re/ naklank klijven/ aan ’t loongeding/ als droeve klacht. Ten allen tijd ge-/ boekstaafd blijven.’

Let ook op de afbrekingen, waaruit de praktische inslag van de Groninger spreekt, want een regel aanpassen is soms een eenvoudiger oplossing dan een bredere zerk.

Op 15, 22 en 28 april organiseert busmaatschappij Arriva in samenwerking met de stichting Oude Groninger Kerken drie bustochten langs de Groninger kerkhoven, onder de de noemer Tour de Cimetières. Er gaat een begeleider mee, die bij elk kerkhof vertelt over de historie en de gemeenschap, want een kerkhof in Groningen is meer dan een dodenakker.

Zo staat een kerkhof (of stond, als de kerk is verdwenen) per definitie in het dorp. Daardoor was het ook een plaats waar ouderen kwamen praten, kinderen kwamen spelen en tieners kwamen vrijen.

De stichting Oude Groninger Kerken (sinds 1969) nam aanvankelijk alleen de verlaten kerken onder haar hoede om ze te restaureren, maar heeft in de loop der tijd ook de kerkhoven erbij genomen. Dat ging volgens Reint Wobbes min of meer vanzelf. Van die kerkhoven zijn er inmiddels een stuk of tachtig gerestaureerd met subsidie van de overheid en met hulp van vrijwilligers uit de lokale gemeenschap. Zij maken de grafstenen schoon, schilderen de teksten op, en maaien het gras van de kerkhoven, voorzover dat geen mos is, want de zure grond en de vele schaduw door de bomen houden het gras tegen. Een bijzonder hobby, het opknappen van begraafplaatsen. Maar laat dat maar aan de dorpsgemeenschappen in het Groninger land over, die er iets gezelligs van weten te maken.

Het zijn stille plaatsen, die uitnodigen tot contemplatie zonder treurigheid, want op de een of andere manier brengen ze een soort vredige stemming teweeg, zonder dat de bezoeker de noodzakelijkheid voelt te zwijgen of eerbiedig op de paden te blijven.

Dat laatste kan trouwens in veel gevallen niet, omdat er eenvoudigweg geen paden zijn. Je struint wat rond, luistert naar de gids, of je leest de grafteksten. Bijvoorbeeld die op het kerkhof in Veendam (als de bustocht daar langskomt). Daar staat over Jantje Hazewinkel:

‘Hier rust, o wandelaar,/ mijn teerbeminde vrouw;/ Zij die mij heeft verzeld/ met liefde, deugd, en trouw,/ Op ’t zeemans moeilijk pad/ der woeste, zoute baren;/ Daar is haar ziel verhuisd, en van mij heengevaren./ Haar lijk bragt ik naar hier:/ naar deze doodenakker./ God, hoop ik, maakt mij eens/ aan hare zijde wakker.’

Als de bustocht Veendam bereikt, dan zal de gids vast vertellen dat schipper Berend Jonker (40) zijn vrouw Jantje (33) op reis naar Java had meegegenomen, maar dat zij op 18 januari 1856 onderweg is overleden. Het werd echter geen zeemansgraf, maar ondergedompeld in spiritus werd haar lijk mee terug naar huis genomen, waarna zij weken later thuis werd begraven.

Vijftien jaar later stierf Berend, leert de belendende grafpaal, ook tijdens een zeereis. Zijn lichaam werd wel aan de golven prijsgegeven. Dat is wel iets om stil van te worden.

Meer over