Poëtisch afrekenen met Pim

In 2001 had de Rotterdamse Stadspartij van dichter-criminoloog Manuel Kneepkens een flirt met Leefbaar Nederland. Maar het liep stuk tussen de dichter en Pim Fortuyn....

Lenig en lyrisch manoeuvrerend langs Pearl Harbour, de Mijnstreek, Walt Disney, Glimwormen, Twin Towers en Salvador Dali is het daar opeens, op pagina 51 van zijn net verschenen dichtbundel. Een poëtische afrekening, op hagelwit papier.

Vol=vol

Zeg dandydemon Pissebed

Sinds wanneer behoort mijn achtertuin

Jouw achterban?

Pim Fortuyn – want op die ‘Pissebed’ heeft Manuel Kneepkens, dichter en ex-voorman van de Rotterdamse Stadspartij, het hier gemunt. En hij gaat verder in het gedicht Pissebedden – a hell of a job, werkend naar de slotconclusie over zijn vermoorde, voormalige politieke rivaal:

Lord of the dark room

Fakedichter!

NepPrins Duisternis!

Een postume afrekening? Niet helemaal, zegt de 64-jarige Kneepkens, meer een manier om het een en ander van zich af te schrijven. Héél even heeft hij getwijfeld of het tegen Pim gerichte gedicht moest worden afgedrukt in De Lustgouverneur, maar zijn redacteur wist het zeker. Fortuyn zorgde nu eenmaal voor zijn politieke ondergang, dus hup, vooruit met de geit.

‘Fortuyn was net als ik een flamboyante jongen uit een katholiek middenstandsmilieu die nummer één wilde zijn’, vertelt Kneepkens. ‘Ik herkende mijn ambities in hem. Hij was als het ware mijn grove spiegelbeeld. Alleen heb ik een gezin, en een geweten. Hij had geen gezin, en in plaats van een geweten een sterk Nietzscheaans verlangen naar aandacht en macht. Een eenzame entertainer-politicus, een noordelijke Berlusconi. Wat toch vulgairder is dan een dichter-politicus.’

Kneepkens is een lange man die in de Rotterdamse binnenstad goed om zich heen kijkt. Met opgewekt vertoon zit hij aan tafel. Zijn rommelig gerangschikte wenkbrauwen komen pas in beeld als het om Fortuyn gaat. Dan buigen ze naar voren en slaat de felheid toe, net als in de bundel, zijn eerste sinds hij in maart na veertien jaar de Rotterdamse politiek voor gezien hield.

‘In 1992 wilde Fortuyn bij ons komen, toen we net de Stadspartij hadden opgericht. Maar dan moest hij wel nummer één worden. Dat kon niet, want dat was ik al. Hij wilde minister-president worden, zei hij, en dan zou ik minister van Cultuur zijn. Voor mij was het scherts, maar voor hem bittere ernst. Eerst zou ik komen, de hetero met de snor, en dan de echte leider. Ik was zijn opstapje.

‘Ik zag in Pim alle slechte eigenschappen van mezelf terug, en nog eens uitvergroot. Alles spoelde tegen het einde over hem heen, en er was geen houden aan. Zoals hij mensen kon opzwepen, kon ik het ook. Alleen bij mij was het tot hier en niet verder. Ik heb op mijn auto een rem.’

‘Hij was alleen maar omringd met jaknikkers van die gajespartij. Die lieten hem maar gaan, in al zijn narcisme. Ik voelde al heel lang dat het mis zou gaan met Pim. Een intuïtief gevoelde ellende. Ik voelde dat, want daar ben ik toch dichter voor.’

Het was begin 2001 dat Kneepkens zich door ‘het machtsdenken liet verblinden’ en met zijn Stadspartij zich verbond aan Leefbaar Nederland. Hier zou hij echt mee gaan scoren. Hij, een levensechte dichter, zou de kunstzaken in Nederland eens goed regelen.

Negen maanden Leefbaar Nederland later, lag hij in het ziekenhuis in Rotterdam, herstellend van een heupoperatie. Leefbaar Nederland-oprichter Jan Nagel zou op ziekenbezoek komen, en een door hem geschreven boek overhandigen. Opeens belde hij af met de mededeling: ‘Kijk vanavond maar naar televisie, dan snap je het wel.’

‘En ja hoor: daar was Nagel, samen met Fortuyn. Ze hadden me niet meer nodig, ze hadden de zaak beklonken in achterkamertjes. Dat was, verdomme, nou net wat Leefbaar Nederland wilde bestrijden: het stiekeme gekonkel. Ik brieste van woede, in mijn ziekenhuisbed.’

Zijn fractiesecretaresse moest komen, en wel onmiddellijk. Manuel Kneepkens was tot een groot inzicht gekomen en de wereld moest dat ook zo snel mogelijk weten. Een persbericht ging de deur uit: Stadspartij breekt met Leefbaar Nederland, en zijn lijsttrekker, Fortuyn.

‘Opeens wist ik dat ik met die man absoluut niet één weg moest gaan. Ik moest distantie houden. Vanaf dat moment was er geen contact meer. Nou, was hij ook niet de man die je weleens belde, Ja, een keer zocht hij contact, nadat ik hem in Hervormd Nederland een fascist in een Armani-pak had genoemd. ‘Het is een pak van Ermenegildo Zegna, Manuel’, zei hij. ‘En een fascist ben ik ook niet.’ Feitelijk was ik altijd agressiever tegen hem, dan hij tegen mij.’

Zo, dat was het hoofdstuk Fortuyn - hij neemt een slokje van zijn koffie. Alsof er zich geen belangrijker zaken hebben voorgedaan in zijn leven, en waar blijft eigenlijk de poëzie. Want als hij iets is, is het toch vooral dichter, al tien bundels lang. Criminoloog en politicus waren jassen die hij af en toe aantrok.

Als zoon van een mijnbouwingenieur groeide hij op naast de Wilhemina-mijn in Zuid-Limburg. Zijn vader was de enige intellectueel in het dorp en de kleine Manuel voelde zich een aparte. Zij waren immers wit tussen de mensen met de zwarte vegen in het gezicht; een klasseverschil van jewelste.

Toen zijn vader naar het hoofdkantoor van de Staatsmijnen in Heerlen verkaste, ging hij naar het gymnasium en ontdekte hij het schrijven. Hij had weleens voor de grote boekenkast van zijn vader staan treuzelen met boeken van Ezra Pound en e.e. cummings in zijn hand. Dat wilde hij ook, hij kon het in ieder geval proberen. ‘Schrijven dat was het werk van een eenling, daar had je niemand voor nodig, en dat kwam goed uit.’

Het schoolblad Binden en Bouwen werd zijn eerste podium. Nadat zijn verhaal De dwazen aan zee werd bekroond door Tien voor Tieners stond zijn toekomst voor hem vast: hij zou schrijver en dichter worden.

De prins der dichters Adriaan Roland Holst was zijn grote voorbeeld. Hij dacht dat als je net als hij dicht bij zee ging wonen, je alleen maar je ramen open hoefde te zetten, en de gedichten zouden je tegemoet stromen. In Leiden wilde hij wonen, de universiteitstad die het dichtst bij zee lag.

En er was nog wat in hem gegroeid: een sterke wil tot aandacht – ja, net als Fortuyn, daar was hij weer. De jonge Manuel wilde een publiek persoon worden, maar dan wel eentje die zijn eigen broek kon ophouden. Alleen als dichter redde hij het niet, hij moest daarom – ‘heel romantisch’ – een advocaat worden van alle mensen. ‘Heel anders dan Adriaan Ronald Holst, die hoefde alleen maar zijn hand op te houden bij zijn familie.’

Met Maarten Biesheuvel en Rudi Fuchs zat hij in in het Leids Universiteitsblad, hij als hoofdredacteur. Toen zijn starreporter en latere Volkskrant-correspondent Jan van der Putten opschreef dat de meeste Oranje-kinderen van de stalknecht zijn, moest hij van de rector-magnificus opkrassen.

Links werd hij, het was ook de tijd om links te worden, en hij trok naar Amsterdam. Hij gaf huisvrouwen cursussen macrameeën en bereidde hen voor op politiek activisme. Hij zag een zaal vol Kabouters (‘Ik ben 1.96.’), vrije liefde (‘al die vreemde bedden’) en drugs (‘inbraak in je geest’) - het was allemaal niks voor hem. Maar de tijdgeest van de jaren zestig – alles is poezië – was de zijne. Zijn haar droeg hij net als Remco Campert: een klein beetje lang.

In het Rotterdam van zijn held Erasmus ging hij aan de universiteit strafrecht en criminologie doceren, hij ging er wonen met zijn jonge gezin. En de poëzie? Die kwam in 1974 met een klein briefje van Remco Campert, namens uitgeverij De Bezige Bij: ‘Moet je niet eens bundelen?’ Hij deed er twee jaar over om er ‘een bourgondisch-humanistisch werk’ van te maken: geen armetierig gezeur, zoals de meeste dichters, hij wilde geen grauwsluier in de letteren zijn.

Wat zijn debuutbundel Tuin der Eetlust vooral opleverde, was dat hij tot held werd verklaard in Zuid-Limburg. ‘Ik werd een mythe daar, want ik ben daar zelden. Mensen houden immers van mythen, vooral als die figuren ook nog worden neergeschoten.’

Rotterdam, zo zeiden zijn in Friesland geboren vrouw en hij, daar zouden ze toch maar even blijven. Maar uiteindelijk werd Kneepkens de man die er begin jaren negentig voor ijverde om de stad de stad te houden en van Rotterdam geen stadsprovincie te maken.

De Stadspartij kwam hiermee de gemeenteraad binnen met een BANG, en de toenmalige burgemeester Bram Peper had het nakijken. Het waren de jaren dat hij zich keerde tegen de zelfvoldane PvdA, tegen de DDR aan de Maas, tegen de Rottocratie. Bram Peper, ‘de man die te intelligent was voor het burgemeesterschap’, viel over zijn bonnetjes, en Kneepkens gaf een duwtje.

Peper, PvdA, Paars en Pim – zijn clashes als politicus begonnen allemaal met dezelfde letter. Die andere p, die van poëzie, was een stiefkind. Op briefjes tijdens lange en saaie vergaderingen liet hij weleens wat ingevingen achter, en hij kreeg het toch voor elkaar dat er een stadsdichter kwam. Ook werd even tijdens elke raadsvergadering een gedicht voorgedragen.

Nu hij gestopt is als politicus én als criminoloog lijkt hij alle tijd te hebben voor de poëzie. Maar na De Lustgouverneur werkt hij aan een roman over de dood van, jawel, van Fortuyn. Werktitel: De dood van Foutu.

‘Ik kan niet anders. Hij vormde toch een keerpunt in mijn leven, in mijn politieke loopbaan. Ik verdiep me nu voor het boek in het politiek dandyisme, en dan vooral in Gabrielle d’Annunzio, de Italiaanse dichter-militair uit de jaren twintig en dertig. Hij was het grote voorbeeld van Mussolini, en een voorloper van Fortuyn. Vandaar zeker ook zijn Italiaanse tik, denk ik.’

‘Of ik ooit nog van hem afkom – ik weet het niet. Het is niet voor niets dat ik nu aan een roman werk. Het is te hopen dat het boek naast literaire ook therapeutische kwaliteiten heeft. Niet alleen voor mij, maar ook voor Nederland. Want het land is sinds het optreden van Fortuyn flink de weg kwijt. Zijn volgelingen zijn dan wel uit de Tweede Kamer, maar zijn wortelstok zit nog steeds in de grond.’

Meer over