Beeldreportage

Podiumbeesten zonder publiek

De gieren in Blijdorp Beeld Eddo Hartmann
De gieren in BlijdorpBeeld Eddo Hartmann

Toen enkele dierentuinen heel even open waren, waren de kaartjes snel uitverkocht. Mensen missen de dieren, maar is dat ook wederzijds? Fotograaf Eddo Hartmann ging bij ze op bezoek toen de dierentuinen nog op slot zaten.

Fotograaf Eddo Hartmann houdt wel van een uitstapje. In 2015 kreeg hij als een van de eerste westerse fotografen toestemming om in de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang te fotograferen. Nu wilde hij fotograferen in verlaten dierentuinen – momenteel óók een wereld met een slot erop. Om de dieren in ongebruikelijke omstandigheden te vangen in beeld. Dat vergde uren voorbereiding en opbouwen van licht en decor. En uren wachten. Tot het Hare of Zijne Majesteit wellicht zou behagen zich te verwaardigen tot het aardse niveau van fotograaf en verslaggever. En dan graag in de juiste houding, bij het beste licht.

Niet in alle dierentuinen steeg gejuich op bij dat idee. Vooral na de ophef over de leeuwen van Artis – een voorgenomen verhuizing naar Zuid-Frankrijk ging niet door, waardoor ze langer in hun te krappe ruimten van het financieel getergde Artis moeten verblijven – is het publicitair spitsroeden lopen voor deze branche. Het opsluiten van dieren roept weerstand op, tegenstanders spreken zich steeds luider en duidelijker uit. Veel dierentuinen daarentegen hebben veel meer oog gekregen voor het welzijn en de behuizing van hun dieren, en dragen bovendien bij aan wetenschappelijk onderzoek en het in stand houden van soms zwaar bedreigde soorten. Die kant mocht ook weleens belicht worden.

Dat mijnenveld gaan we hier verder niet betreden. Wij wilden de dieren zien, op jacht naar portretten van dierentuindieren in een ongewone tijd, omringd door gesloten ijscowinkeltjes en lege paden in een omgeving die – zo onwezenlijk was het wel – soms oogde alsof net een catastrofe had plaatsgevonden.

Nog even en ook die wereld zal weer bevolkt zijn door mensen. Dat staat vast.

‘Met hun parallelle leven bieden dieren de mens een vorm van gezelschap die anders is dan enig gezelschap dat door de omgang tussen mensen wordt geboden’, schreef de Britse schilder en schrijver John Berger in 1979 in zijn beroemde essay Waarom naar dieren kijken?. ‘Anders, omdat het een vorm van gezelschap is die wordt geboden aan de eenzaamheid van de mens als soort.’

Daarmee haakt hij aan op wat zoöloog Desmond Morris stelde in bekende boeken als De naakte aap: het onnatuurlijke gedrag van dieren in gevangenschap kan de mens helpen de stress die gepaard gaat met het leven in een consumptiemaatschappij te begrijpen, te accepteren en te overwinnen.

Grote woorden wellicht voor opa en oma die domweg de kleinkinderen dachten te trakteren op een dagje dierentuin met suikerspin en Panda-menu. De onweerstaanbare aantrekkingskracht van dierentuinen is hoe dan ook een feit. Vandaar ook dat we – beneveld door die typerende, niet onaangename dierentuinlucht van mest en gras – de dieren in de ogen wilden kijken in een tijd die ook voor hen bijzonder moet zijn. Door de mens op een voetstuk geplaatst (al lijkt het soms als monument voor z’n eigen dreigende uitsterven), door corona geëvolueerd tot een nieuwe soort: podiumbeesten zonder publiek.

Nushoorn Gus onder de zonnebank in Emmen. Beeld Eddo Hartmann
Nushoorn Gus onder de zonnebank in Emmen.Beeld Eddo Hartmann

Neushoorn Gus, Emmen

De radio schalt door het vertrek, een grote betonnen stal met zware metalen hekken in Wildlands Emmen. Jan Smit en Justin Bieber zingen elke dag tot Gus. Of je de witte neushoorn er een plezier mee doet weet niemand; de verzorgers hebben nooit een andere zender dan Radio 538 geprobeerd. Maar tijdens Oud en Nieuw laten ze de zender ook ’s nachts aanstaan, om de knallen van vuurwerk buiten te smoren en zo de schrik te beperken. Het werkt.

Gus – alias chipnummer 981000002061929; zijn roepnaam werd verzonnen in het Britse safaripark Knowsley, waar hij werd geboren – is volgens zijn vaste verzorger Vincent een manshoge, vriendelijke lobbes. Onderzoekend, en ‘een echte neushoornman’. In de juiste stemming gaat hij met zijn imposante gestalte van 2.400 kilo vol op ‘de dames’ van Wildlands Adventure Zoo Emmen, waar een uitgestrekte savanne klaarligt voor bezoekers die met safaritruck langs giraffen, zebra’s, gnoes en struisvogels worden geleid. Gus is met zijn 12 jaar in de bloei van zijn leven en alles doet het nog.

Hij leidt een solitair bestaan, als enige man in Emmen. Zo is de natuur: mannetjesneushoorns dulden geen seksegenoten, vrouwtjes dienen hun biotoop te betreden, en niet andersom.

Een tikje eenkennig is hij. En dol op aandacht. Alles voor een kriebel achter zijn oren of – favoriet plekje – onder zijn lies. Zodra Vincent aanstalten maakt, tilt Gus z’n achterpoot al op. Heeft hij zijn dag niet, dan kan hij alles slopen. ‘Toen Gus in 2016 naar Emmen kwam, had hij in de stal binnen één minuut de gele borstel al weten los te rukken’, herinneren zijn verzorgers zich. De gele borstel is een van de speel­tjes waarmee Gus zijn dagen slijt, het is een borstel als in de autowasstraat, die vanzelf begint te draaien zodra Gus erheen waggelt. Hij krabt en kriebelt zichzelf ermee.

Ook lekker: onder de hoogtezon, elke dag een kwartiertje. Even een dosis vitamine D3, broodnodig wanneer je biotoop zich niet bevindt in de tropen, maar in Emmen. Hij wordt beloond met koekjes die ogen als ravioli, gemaakt van mais, wortel en zonnebloemolie. De grootste snoeperij is ons brood. In de emmer ligt een halfje bruin van bakkerij Dunnink.

Gelaten stapt Gus ook als vanzelf op de weegschaal, elke maand. Dat trucje hebben ze hem geleerd in Emmen, bijna de enige dierentuin die dit doet. Zo kunnen de verzorgers zijn gezondheid en ontwikkeling goed volgen.

In Wildlands hoeven de dieren minder grote afstanden te lopen dan in de wildernis, waardoor hun nagels ook minder snel slijten. Door de poten te verzorgen en de nagels regelmatig te vijlen, voorkomen de dierverzorgers dat de dieren last van hun poten krijgen. Daarvoor moeten ze wel onder narcose. Vooral giraffes, die hetzelfde probleem hebben, overleden daar in het verleden aan. Met het juiste gewicht kan de narcosedosis scherper worden afgesteld per dier, waardoor sterfte wordt voorkomen.

Beleeft Gus de coronatijd anders dan anders? Nauwelijks, denken zijn verzorgers. Pinguïns, die reageren veel meer op de nieuwe situatie. Ze zijn schrikachtiger geworden wanneer een verzorger of een vrachtwagen passeert. De neushoorns hebben buiten zoveel ruimte, dat ze verandering nauwelijks lijken te merken. Behalve Gus: waar de overige neushoorns wat uit de buurt van vrachtwagens blijven, wil Gus er nog weleens pal vóór gaan staan. Beetje uitdagen, beetje pesten, het is typisch Gus.

Blauwe gnoes in Emmen. Beeld Eddo Hartmann
Blauwe gnoes in Emmen.Beeld Eddo Hartmann

Blauwe gnoes Bem, Obi en Dayo, Emmen

Ze staan erbij als Spaanse vechtstieren achter de schermen van de arena, alsof ze het onherroepelijke onheil van verre voelen naderen. Dit zijn echter geen runderen, maar antilopen, te herkennen aan de slanke, hoge poten.

Nerveuze dieren, die blauwe gnoes. Niet alleen nu, met die fotograaf, zijn witte scherm en hengellampen, maar van nature. Niet voor niets zie je de kuddedieren in tv-documentaires altijd in galop, tijdens hun jaarlijkse ‘grote trek’, waarbij miljoenen dieren samenkomen en duizenden kilometers afleggen. In gemengde kuddes met zebra’s en andere antilope-soorten zijn ze een welkome voedselbron voor leeuwen, hyena’s en krokodillen.

Op weg naar de ‘savanne’, waar het publiek in betere tijden gedetailleerd zicht op de dieren heeft, rennen ze heen en weer. De mannetjes zijn gecastreerd, en dat moet wel, zeggen de verzorgers. Ze zijn moeilijk in gevangenschap te houden. Ze kunnen ronduit agressief zijn naar de verzorgers. Door castratie worden ze wat rustiger.

Het zijn pestkoppen, zegt verzorger Vincent. Vandaar ook dat ze niet bij de impala’s van één ruimte verderop staan. Die kudde heeft nu drachtige vrouwtjes en jongen. Daar moet je geen nerveus rondrazende gnoes bij hebben, die dolle hoorns op poten met een totaalgewicht van zo’n 250 kilo.

Het onderscheid is moeilijk te zien voor de leek. Gelukkig helpt het smoelenboek. Aangenaam: Bem, Obi en Dayo. Obi heeft de puntigste en breedst uitstaande hoorns, en draagt bij voorkeur een scheiding in de kruin. Rechts draagt hij oornummer 107. Dayo heeft als enige een zwarte kruin, met daarop stompere hoornpunten dan de broers. Oornummer 16, links.

Zelf kennen de drie elkaar al hun hele leven: ze komen uit dezelfde kudde en werden geboren in het Deense safaripark Knuthenborg. Sinds 2018 is Emmen hun venster op de wereld.

Kleine panda, niet te verwarren met de zwart-witte reuzenpanda. Beeld Eddo Hartmann
Kleine panda, niet te verwarren met de zwart-witte reuzenpanda.Beeld Eddo Hartmann

Kleine panda Fang-Pi, Rotterdam

Die naam, daar reageert ze niet echt op, weten ze in de Rotterdamse diergaarde Blijdorp. Wel op de klank en toon, zegt Linda, de vaste verzorgster van Fang-Pi, zoals deze kleine panda gedoopt werd in de Duitse dierentuin waar ze geboren werd. ‘Koningin’ in het Nepalees, de taal van haar oorspronkelijke leefgebied.

De kleine panda, niet te verwarren met de bekende wit-zwarte reuzenpanda, heeft met zijn pluizige roestbruine vacht knuffelfactor 10. In werkelijkheid zijn de beertjes ‘duivels in een mooi jasje’, zegt Linda. Zij kan het weten, hoe stevig ze kunnen bijten met hun katachtige gebit met lange en scherpe hoektanden.

Hare Majesteit en haar soort- en leeftijdgenoot Kwina, met wie ze samenleeft, zijn van nature nachtdieren. Vandaar dat ze bij het bezoek van een fotograaf en verslaggever onbeweeglijk elk in hun boom blijven liggen. Reden ook waarom de dieren niet te lijden hebben van corona en het bijbehorende gebrek aan menselijke belangstelling. Die liet hen toch al koud. Al merken de verzorgers nu wel wat meer alertheid, of verbazing misschien, wanneer zich onverwacht een mens vertoont. Nee, dan de gorilla’s en olifanten. Die lijken juist op te leven wanneer drommen mensen voorbijlopen, zien ze in Blijdorp.

Fang-Pi en Kwina weten nog niet dat hun wegen in september zullen scheiden. Fang-Pi gaat dan, samen met een ander Blijdorpvrouwtje dat nu nog in quarantaine zit, naar India. Voor de liefde. Of beter: voor de fok.

Al sinds 1978 beheert Blijdorp het wereldstamboek en een bijbehorend Europees fokprogramma. Dat betekent dat over elke in gevangenschap levende panda (420 in Europa, 1.015 wereldwijd) de bloedlijnen bekend zijn in Blijdorp. Ook financiert de dierentuin onder meer gps-onderzoek met wilde kleine panda’s in Nepal. In Blijdorp hebben ze geoefend met het dragen van gps-halsbanden door de panda’s, waar onderzoekers in Nepal hun voordeel mee konden doen. Zo speelt Rotterdam een belangrijke rol bij de bescherming en het behoud van de soort in het wild, aldus Blijdorp.

Op deze lome voorjaarsdag wekt alleen lang en opzichtig schudden met de snoeptrommel, gevuld met stukjes appel, van verzorger Linda enige nieuwsgierigheid van de slapende koningin. Ook een beetje een pavlovreactie wellicht: de kleine panda’s zijn op deze manier getraind om regelmatig echo’s te laten maken. Zo zien de verzorgers of het dier drachtig is. Dat is nodig, want over de dracht van de kleine panda is nog te weinig bekend. Het is in elk geval niet zo’n gedoe als met de bekende reuzenpanda’s, bij wie voortplanting eerder een lijdensweg is dan een kwestie van lust. Daar hoeven we bij de kleine panda niet voor te vrezen, volgens de verzorgers: ‘Bij deze soort is het negen van de tien keer raak’.

Rüppellsgieren in Rotterdam. Beeld Eddo Hartmann
Rüppellsgieren in Rotterdam.Beeld Eddo Hartmann

Rüppellsgier, Rotterdam

Als ze zouden willen, zouden ze zo de wieken kunnen nemen. De vrijheid in, het ruime sop. Doen ze niet. De gieren van Blijdorp worden dagelijks losgelaten, en cirkelen dan rondjes. Eerst de bomen in, dan vaak op het dak van de botanische tuin Amazonica. En dan geheel vrijwillig, soms dagen later, weer terug naar het podium waar zij in ‘normale’ tijden roofvogelvoorstellingen voor publiek geven. Ook nu staat daar hun verzorger klaar met lokaas, voor de fotoshoot van deze showvogels.

Gieren tussen de tjiftjaffen en de klepperende ooievaars die zich vrij hebben genesteld langs de spoorbaan langs Blijdorp. Het is wat onnatuurlijk misschien, maar in het wild zijn de reusachtige roofvogels stukken slechter af. Daar is hun aantal de laatste jaren met 90 tot 95 procent afgenomen. In Blijdorp neemt hun aantal toe.

In Azië dreigt de dood door diclofenac, een ontstekingsremmer die gebruikt wordt in de veeteelt. De vogels die van incidentele kadavers eten, sterven door het medicijn aan niervergiftiging. In Afrika is het niet beter: stropers vergiftigen de kadavers van hun omgelegde neushoorns en olifanten. Die actie is gericht tegen de gieren, die rondcirkelend boven hun prooi de aanwezigheid van stropers verraden aan Wildlife Rangers en andere autoriteiten die het op de stropers hebben gemunt. In Guinee-Bissau, waar afgelopen jaar meer dan tweeduizend vergiftigde kapgieren zijn gevonden, worden ze bij religieuze rituelen ook wel onthoofd.

Ook hier beheert Blijdorp een wereldwijd fokprogramma, om de dieren voor uitsterven te behoeden. Gevangenschap (als het dat al is) is hun laatste strohalm.

Schuw zijn de vogels niet, schrikachtig evenmin. Volledig vertrouwd met de riten van hun verzorger daalt de Rüppellsgier, een hoogvlieger die wel 11 kilometer de lucht in kan schroeven, neer bij de uitgestoken arm van de vaste verzorger waar het lokaas zich bevindt.

Te midden van die andere vogels in de gierenvolière (kapgieren, witruggieren, witte kopgieren, een secretarisvogel en een paar zwarte wouwen), is de Rüppellsgier – vernoemd naar zijn Duitse ontdekker – te herkennen aan het verenkleed op zijn vleugels: ze zijn afgezoomd met een wit randje. De ander op de foto is de kapgier. Een showkoppel dat het leven ook zonder publiek moeiteloos doorkomt, zo te zien.

Aardvarken in Arnhem Beeld Eddo Hartmann
Aardvarken in ArnhemBeeld Eddo Hartmann

Aardvarken, Arnhem

Lief is het woord niet. Dat is weer zo’n mensenterm, verzuchten zijn verzorgers van het Arnhemse Burgers’ Zoo. Aandoenlijk is hij onmiskenbaar, met zijn spitse snuit en lange flaporen zo weggelopen uit een stripboek.

Het – naamloze – aardvarken is een gemoedelijke goedzak, die zich moeiteloos laat aanraken. Hij heeft geen verwante diersoorten (ook geen tapirs of miereneters), en heeft in Afrikaanse savannes en tropische regenwouden een eigen niche in het ecosysteem ingenomen, zeggen ze in Arnhem, de enige plaats van Nederland waar hij te zien is. De miljoenen jaren oude, prehistorische verschijning stelt geen eisen. Het recept van zijn existentie.

Neus en flaporen zijn alles voor het aardvarken, dat voornamelijk op reuk en gehoor door het leven lijkt te gaan, eindeloos speurend naar mieren, termieten, wormen of fruit – het maakt hem niet zoveel uit wat er precies op tafel komt. Als het maar te slurpen valt met die 30 centimeter lange tong van hem, want kauwen doet het aardvarken nauwelijks.

Zijn verspreidingsgebied in Afrika is groot, hij leeft er onbedreigd. Met zijn krachtige poten en lange nagels graaft hij zich binnen enkele tientallen seconden diep in de bodem, hoe droog en hard ook. De mens laat hem goeddeels links liggen, en dat is wederzijds. Vandaar dat maar weinig bekend is over dit dier.

In de bloedhete hal van Burgers’ Bush, waar de luchtvochtigheidsgraad binnen enkele minuten van het gezicht af druipt, kunnen we hem met eigen ogen zien. Daar staat hij onverstoorbaar. Of eigenlijk: ligt. Want het aardvarken is een dier van de schemering, dat overdag weinig activiteit vertoont.

Hij leeft erg in zijn eigen bubbel, zeggen zijn verzorgers. In zijn eigen wereld is eigenwijsheid wet: duw hem naar links, en hij zal tegenstribbelen zonder reden. Wijs hem naar rechts, en hij wil naar links. Gewoon, omdat het kan.

Sinds een jaar zit dit dier in Arnhem, en het lijkt hem prima te vergaan. Zolang hij zijn natje en droogje – een gekookt moesje van hondenbrokken, gehakt, meelwormen en fruit – maar krijgt.

Merkt hij iets van corona of publiek? Niet dat ze weten in Arnhem. Zoals weinig hem lijkt te deren. Ook daarom zal het aardvarken de komende miljoen jaar vermoedelijk ook nog wel overleven.

Doodshoofdaapjes in Arnhem Beeld Eddo Hartmann
Doodshoofdaapjes in ArnhemBeeld Eddo Hartmann

Doodshoofdaapjes, Arnhem

De zwartkop-doodshoofdaapjes – bij velen bekend als Meneer Nilsson, levensgezel van Pippi Langkous – zijn beweeglijke, snelle springers. In Burgers’ Zoo wonen elf exemplaren op een ruim bemeten eiland, omsingeld door een slootje waaraan een ijsvogel geregeld bezoek brengt. Ze delen het eiland met zeven neusberen, die na een tijd van dominantie de andere soort zoetjesaan naast zich tolereren.

De apen zijn allemaal mannetjes, afkomstig uit dezelfde dierentuin. Zou je er een vrouwtje tussen zetten, dan heb je de poppen aan het dansen, zeggen de verzorgers. Moeten ze niet hebben daar in Arnhem.

Doodshoofdaapjes zijn sociale dieren, ook hier. Ze trekken gezamenlijk op, volgen elkaar permanent, al is het maar met de ogen. De twee oudste mannetjes zijn duidelijk de buddy’s van de anderen. Onder de overigen hebben zich twee groepjes gevormd, geheel spontaan. Een tikje nerveuzig zijn ze ook: hoewel nieuwsgierig lijken ze aanvankelijk toch huiverig voor dat grote witte scherm in hun leefgebied, met die flitslampen erboven. Pas wanneer de neusberen zich tegoed hebben gedaan aan het lokvoer (veel fruit), durven ze het podium op, al doet het schijnwerperlicht ze snel terugdeinzen. Toegegeven: die toestand is ook niet normaal.

Hun verzorgers van Burgers’ Zoo vullen het natuurlijk ook maar zelf in, maar ze hebben er stellig de indruk dat de aapjes ook naar mensen kijken. ‘Ze zijn nieuwsgierig en vinden alles interessant’, zegt zoöloge Constanze Mager van Burgers’ Zoo. En: ‘Ze lijken het saai te vinden dat er nu niemand is’.

Eindelijk is het hoge woord eruit bij de dierentuindieren. Wij worden gemist.

Meer over