PLATEN: KLASSIEK

Debussy en Ravel, door rietensemble Calefax. MDG 619 0658...

Rietensemble Calefax

schept zijn eigen

genre kamermuziek

Wie bij de term 'blazersbewerkingen' onmiddellijk denkt aan grappige zaken op de VPRO-radio of aan pauzemuziek op de familiezender Hilversum 2, schiet in het het geval Calefax naast de roos. Niet alleen het ensemblespel van dit rietblazerskwintet is van zeldzaam niveau. Sommige Calefax-arrangementen (van eigen hand) zijn dermate vernuftig dat je kunt spreken van een nieuw kamermuziekgenre - al is deze groep de enige vaste vertegenwoordiger van dat genre.

In het Concertgebouw vierde Calefax eind november in betrekkelijke rust het tienjarig bestaan. Uitgevoerd werd onder meer La valse van Ravel, waarbij het symfonieorkest de gedaante had van vijf rietblazers.

Calefax hoort tot die groeperingen die zichzelf, geïnspireerd door een heilig vuur, hebben veroordeeld tot de marge. Voor de Calefax-bezetting bestaat nauwelijks origineel repertoire. Naast een aantal nieuwe stukken, waarvan weinige de eeuwigheid zullen halen, spelen de klarinettist Ivar Berix, de saxofonist Raaf Hekkema, de basklarinettist Jelte Althuis en de gebroeders Eduard en Alban Wesly (hobo en fagot) vooral bewerkingen.

Een Calefax-cd uit 1993 laat rietblaasversies horen van oude polyfonie (Brumel, Ockeghem), en van preludes en fuga's van Sjostakovitsj. Op de jongste plaat, met pianocycli van Debussy en Ravel, wordt een nog riskanter repertoire bij de kop gepakt.

In Children's Corner stelt Debussy verschillende piano-idiomen voorop. 'Piano-pianistisch' is Doctor Gradus ad Parnassum, waarin Debussy de etudestijl van Clementi parafraseert, en van kleur voorziet met lepe harmonieën en registerwisselingen. Bij Colliwogg's Cakewalk kan Debussy zich een pianist hebben voorgesteld die een jazzy vaudeville-orkestje parodieert.

Opvallend is het gemak waarmee Calefax ontkomt aan de salonkneuterigheid die dit laatste kan oproepen bij de heromzetting voor een blazersgroep. Maar nog opvallender zijn de metaforen die de bewerker Raaf Hekkema heeft gevonden voor de pedaal- en registereffecten in Doctor Gradus en andere deeltjes. De zacht ondulerende begeleidingsfiguren creëren al een wereld op zichzelf. Calefax' ritmische souplesse is van 'Meesters van het Klavier'-niveau.

Te groot is de afstand tussen het al fresco van Debussy's Six épigraphes antiques - voor twee piano's - en het nuchterder à la potlood dat Eduard Wesly realiseerde voor de rietblazers. Maar Hekkema's transformatie van Ravels Le tombeau de Couperin is weer een bron van sensaties.

Ravel, een componist die achter de ene klank altijd weer een andere zocht, bewerkte zijn Tombeau zelf tot een orkestsuite. Voor wie een bijzondere liefde koestert voor het pianowerk van Ravel is dat erg genoeg. Maar wat te denken van deze afgeronde, homogene Calefax-bewerking? Ravel schijnt over zijn Strijkkwartet eens te hebben gezegd dat het moest klinken 'als vier saxofoons'. Over Le tombeau de Couperin had hij thans gezegd kunnen hebben 'dat het moet klinken als Calefax'. De groep zou meer grote componisten voor zich moeten zien te interesse

ren.

Van den Sigtenhorst Meyer, Schäfer, Diepenbrock, door David Kuyken. NM Classics 92049.

Als hij niet zo vaak was blijven steken in de reflex van een eenmaal gekozen ritmische beweging, dan had de pianist-componist Bernard van den Sigtenhorst Meyer met zijn Zes gezichten op den Fuji (1919), en vooral met zijn Sonate nr 2 (1926) een Nederlandse Skrjabin kunnen worden.

Als de beroemde pianist en vergeten componist Dirk Schäfer, een late Nederlandse Chopin-met-Mendelssohn-en-Brahms-invloeden, niet zo benauwd was geweest voor harmonische grensoverschrijdingen, dan was er geen Centrum Nederlandse Muziek nodig geweest om de knappe cd-uitvoering van zijn Interludes (1921) en Acht Klavierstukken (1923) door David Kuyken in het steunfonds op te nemen. Kuyken speelt ze stijlbewust en integer. Hij laat de sterke kanten van deze componisten horen zonder de zwakke te verdoezelen. Zijn troef is het 'langzaam en mijmerend' van Alphons Diepenbrocks drie minuten durende Avondschemer (1915). Ach, waarom schreef Diepenbrock niet evenveel pianowerk als Bernard van den Sigtenhorst Meyer.

De Fesch, door Gordan Nikolitch en het Orchestre d'Auvergne o.l.v. Arie van Beek. Olympia OCD 450.

De sterke kant van Willem de Fesch (1687-1761), die met Van Wassenaar en Hellendaal tot de grote niet-meer-zo-onbekenden hoort van de Nederlandse barok, is snel verteld. Sterk zijn de langzame delen in de vioolconcertjes en concerti grossi van De Fesch. Het largo e cantabile was zijn fort. Liedachtige lyriek in kort bestek, gekruid met terloopse harmonische verrassingen.

De nummers 2, 5, 8, 11, 14 en 29 (het langste, 191 seconden) van de cd van Gordan Nikolitch en het Orchestre d'Auvergne vormen met behulp van een programmeertoets een fascinerend stripverhaal. RdB

Meer over