Planetenverkiezingen

Sinds tal van kleine hemellichamen werden ontdekt die om de zon draaien, weet niemand meer wat een planeet is. Heeft ons zonnestelsel acht planeten, tien, of toch drieëntwintig?...

Govert Schilling

Aangifte heeft hij nooit gedaan, en de bewuste e-mail kan hij zo gauw niet meer vinden. Maar je schrikt wel als je met de dood wordt bedreigd, zegt Dave Jewitt van de Universiteit van Hawaii. ‘Ik weet je te vinden en ik maak je af’’, schreef een gekke Amerikaanse vader hem in 1995.

De reden? Jewitt had ergens laten vallen dat Pluto eigenlijk geen planeet is, en daar was Billy, zoon van de gekke vader, ernstig van overstuur geraakt. Jewitt: ‘Mensen voelen zich beledigd als iets dat ze vroeger op school hebben geleerd, niet langer blijkt te kloppen.’

Negen planeten draaien rondom de zon, en de aarde is er één van. Daar zijn we allemaal mee opgegroeid, behalve wie vóór 1930 in de schoolbankjes zat, want toen werd Pluto ontdekt.

Maar over een paar weken is alles anders. Dan moet blijken of Pluto wel meetelt. En hoe het zit met Xena, een ‘planeet’ die zelfs een slagje groter is dan Pluto. Straks horen we of we in een zonnestelsel leven met tien planeten, of drieëntwintig, of – wie weet – niet meer dan acht. En die vraag houdt de sterrenkundige gemoederen al jarenlang bezig.

Vroeger was het simpel. Zoals Amsterdammers alleen de vogelsoorten sijsjes (vogels) en drijfsijsjes (eenden) kennen, zo kenden de Grieken slechts sterren en dwaalsterren. Sterren (asteria) staan stil ten opzichte van elkaar; dwaalsterren (planètes) verplaatsen zich. Er waren er zeven: zon, maan, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.

Pas in de 16de eeuw bleek dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, en het woord ‘planeet’ wordt sindsdien gebruikt voor hemellichamen die om de zon draaien. Zon en maan telden niet langer mee; de aarde kwam erbij, en toen waren er dus nog zes. Lekker overzichtelijk.

Dat we nu negen planeten kennen, komt door de uitvinding van de telescoop. Daarmee kun je dingen zien die voor het blote oog verborgen blijven. Op die manier werd in 1781 Uranus ontdekt. In 1846 volgde Neptunus, en in 1930 de buitenste planeet Pluto. Die werd op initiatief van een 11-jarig Engels meisje genoemd naar de Romeinse god van de onderwereld. (De hond van Mickey Mouse werd eind 1930 naar de nieuwe planeet genoemd.)

Maar Pluto is altijd een beetje een vreemde eend in de bijt geweest. Zijn baan om de zon is erg uitgerekt. De baan ligt bovendien scheef in het zonnestelsel. En de planeet zelf bleek veel kleiner dan verwacht. Met een middellijn van 2274 kilometer (minder dan de afstand Amsterdam-Athene) is Pluto zelfs een flink stuk kleiner dan de maan. Je kunt je afvragen of het wel een echte planeet is.

Tweehonderd jaar geleden zaten sterrenkundigen met hetzelfde dilemma. In 1801, twintig jaar na de ontdekking van Uranus, was Ceres gevonden – een mini-planeetje tussen de banen van Mars en Jupiter. Planeet nummer acht. Korte tijd later volgden Pallas, Juno en Vesta, in hetzelfde gebied, en telde het zonnestelsel dus elf planeten – zo stond het in 1839 nog in de sterrenkundeboeken.

Maar toen in de jaren veertig van de 19de eeuw nóg zes van die steenklompen opdoken, werd duidelijk dat het hier om een heel ander soort hemellichaam ging. Tegenwoordig zijn er ruim honderdduizend van deze planetoïden bekend; Ceres is met 930 kilometer de grootste.

Geen wonder dat Dave Jewitt Pluto geen planeet vindt. Samen met zijn collega Jane Luu ontdekte Jewitt in 1992 een ijsbal buiten de baan van Neptunus. Binnen een paar jaar waren er nog tientallen gevonden; momenteel staat de teller boven de duizend. Als het bestaan van al die andere ijsdwergen in 1930 bekend was geweest, had niemand het in z’n hoofd gehaald Pluto een planeet te noemen, aldus Jewitt, ook al zijn de meeste ijsdwergen een stuk kleiner: hooguit een paar honderd kilometer in middellijn.

Klinkt logisch. Dat vond ook de directie van het populaire Hayden Planetarium in New York. Daar werd zes jaar geleden een nieuwe expositie over het zonnestelsel geopend, met acht planeten, én ‘een gordel van kleine, ijzige hemellichamen, waaronder Pluto.’ Tot grote ergernis van het publiek (‘Help! Ze nemen ons een planeet af!’) en van astronomen die om welke reden dan ook een speciale band met Pluto hebben.

‘Natúúrlijk is Pluto een planeet’, zegt Pluto-expert Alan Stern van het Southwest Research Institute in Boulder. ‘Dat is al meer dan 75 jaar het geval, dus dat kun je niet zomaar terugdraaien.’

Verwarring alom, want het blijkt dat er geen sluitende definitie van het begrip ‘planeet’ bestaat. En daar is sinds de zomer van 2005 ernstig behoefte aan. Toen werd namelijk de ontdekking bekendgemaakt van een ijsdwerg die een tikje gróter is dan Pluto. Gevonden door Mike Brown van het California Institute of Technology in Pasadena, en voorlopig (met een knipoog) Xena genoemd, naar de hoofdpersoon uit de tv-serie Xena: Warrior Princess.

Brown ziet zichzelf natuurlijk graag opgenomen in het illustere lijstje van planeetontdekkers. Dús vindt hij dat Pluto ‘uit cultureel-historisch oogpunt’ een planeet moet blijven, en dús is Xena óók een planeet, want groter.

Veel andere astronomen vinden dat al die brokstukken buiten de baan van Neptunus, ongeacht hun afmetingen, het labeltje ‘planeet’ niet verdienen. De Internationale Astronomische Unie (IAU) zag het probleem twee jaar geleden al aankomen, en stelde een speciale werkgroep in die zich moest buigen over de vraag wat wel en wat geen planeet is.

Per e-mail hebben ze anderhalf jaar vergaderd, vertelt werkgroeplid Stern, die zich nog steeds opwindt over het voorzitterschap van Iwan Williams van de Queen Mary University in Londen. ‘Halverwege stemronden veranderde hij de procedures,’ briest Stern. ‘Geen wonder dat er geen eensluidende aanbeveling uitkwam.’ In november 2005 werd de opdracht teruggegeven aan het bestuur van de IAU. Zonder definitie, maar met vier mogelijke strategieën.

De eerste mogelijkheid: bekijk of een hemellichaam zwaartekrachtgewijs heer en meester is over het deel van het zonnestelsel waarin het om de zon beweegt. Als Pluto in z’n uppie om de zon zou draaien, was het een planeet, maar nu hij deel uitmaakt van een hele gordel van ijsdwergen, doet hij niet meer mee. Wel erg ingewikkeld om uit te leggen aan de man in de straat.

Optie twee (al even ongelukkig): gebruik het woord ‘planeet’ alleen nog maar in combinatie met een passend voorvoegsel. Dan hebben we straks ‘aardse planeten’, ‘reuzenplaneten’, ‘ijsdwergplaneten’, enzovoort. Mogelijkheid drie: kijk gewoon naar de middellijn en noem alles wat groter is dan tweeduizend kilometer een planeet. Dus Ceres en de andere planetoïden niet, maar Pluto en Xena wel. ‘Logisch en simpel’, aldus Brown.

Maar ook zeer arbitrair, vindt Stern. Je kunt beter kijken of een hemellichaam door zijn eigen zwaartekracht rond is. ‘Als je schoolkinderen vraagt een planeet te tekenen, beginnen ze met een rondje.’ En dat is optie vier, die inhoudt dat er ruim twintig planeten in het zonnestelsel zijn: de negen van nu, plus de grootste ijsdwergen en planetoïden.

En dat vindt Mike Brown weer niks. ‘Het klinkt wetenschappelijk, maar het is al net zo arbitrair,’ zegt hij. ‘Dan kan ik ook zeggen dat de chemische samenstelling doorslaggevend moet zijn, of de aanwezigheid van een oppervlak.’

Veel andere wetenschappers, onder wie Jewitt, zijn de hele discussie inmiddels meer dan zat. ‘Kan mij het schelen hoe je iets noemt’, zegt hij. ‘Die ijsdwergen worden er niet meer of minder interessant door.’

Maar er staat meer op het spel dan de vraag hoeveel planeten er nu eigenlijk zijn. Als Xena (officieel 2003 UB313 geheten) de boekjes in gaat als een ‘gewone’ ijsdwerg, mag Brown er als ontdekker een vrij willekeurige naam voor bedenken. Maar als het echt de tiende planeet is, moet een speciale IAU-commissie zich over de naamgeving buigen, en zal het hemellichaam zo goed als zeker naar een Romeinse godheid worden genoemd.

Vandaar dat de IAU begin dit jaar een zeskoppige commissie van wijzen aan het werk heeft gezet. Die bestaat naast planeetonderzoekers uit wetenschapshistoricus Owen Gingerich en auteur Dava Sobel. Eind juni zijn ze in het grootste geheim bijeengekomen op het IAU-hoofdkwartier in Parijs, en inmiddels ligt er een voorstel voor de definitie van een planeet bij het dagelijks bestuur. Aanstaande woensdag wordt die ‘ontwerpresolutie’ bekendgemaakt, en op 24 augustus mogen drieduizend astronomen erover stemmen op de algemene vergadering van de IAU in Praag.

Dave Jewitt vindt het belachelijk. ‘Wetenschap bedrijf je niet door middel van stemronden’, zegt hij. ‘En trouwens, die hele IAU is een stelletje regelneven dat zichzelf heeft aangesteld, daar hebben wij nooit om gevraagd.’ En commissielid Iwan Williams vreest dat er nooit écht een eind aan de verwarring zal komen. ‘Hoe de definitie straks ook luidt, vroeg of laat wordt er wel weer iets ontdekt dat zich net in de schemerzone bevindt, en dan begint de hele discussie opnieuw.’

Eén ding is wel duidelijk: het begrip ‘planeet’ raakt een gevoelige snaar. Geen geoloog maakt zich druk over een nauwkeurige definitie van een kiezel, een kei en een rotsblok, of over het precieze onderscheid tussen een beek en een rivier, maar sterrenkundigen raken in alle staten wanneer hun hokjesgeest wordt gekieteld.

En de kwestie laat ook het grote publiek bepaald niet koud, zoals onder andere blijkt uit de dreigmail van de vader van Billy. ‘Kinderen zijn dol op Pluto’, zegt Sterns collega Fran Bagenal van de Universiteit van Colorado. ‘Ze zouden het vreselijk vinden als het kleine planeetje niet langer mee zou mogen doen.’

Fran Bagenal is eigenlijk wel blij dat er zoveel discussie is over wat een planeet is. ‘We zouden de publieke belangstelling moeten aangrijpen om reclame voor ons vakgebied te bedrijven’, zegt ze. ‘Dan geven we toch nog een positieve draai aan deze beschamende vertoning.’

Meer over