Pim paste niet op de maan

Zelf had de schepper van Pim Pandoer, die vorige week overleed, geen hoge pet op van zijn bestsellers. Hij stopte in 1969, met nog 2 delen in z’n hoofd....

Pjotr van Lenteren

Pim Pandoer rijmt voor veel mannen van boven de vijftig nog altijd op stoer. De in verscheidene opzichten knappe techniekstudent is de onverwoestbare held van achttien indertijd razend populaire kinderboeken, geschreven door Carel Beke (1913), die vorige week in Velp overleed.

Schoolmeester Beke is als jongen een bewonderaar van Slauerhoff en wil na het behalen van zijn aktes schrijver worden. In de jaren vijftig krijgt hij succes met zijn kinderverhalen. Pim Pandoer bedenkt hij op verzoek van uitgever Malmberg, die op zoek is naar een verantwoorde, Nederlandse avonturenserie voor jongens en meisjes, zonder seks en doodslag. Dat is aardig gelukt: lezers van toen noemen hem ‘spannender en minder belerend dan Arendsoog’.

Pim Pandoer is in het eerste deel De schrik van de Imbosch (1953) nog een in zwart hansop gehulde slechterik. Hij maakt het uitgestrekte bosgebied ten noorden van Arnhem onveilig, ter compensatie van een verdrietige jeugd; hij heeft in de oorlog zijn ouders verloren. De veertienjarige tweeling Jennie en Koos ontmaskert de boef.

Als de uitgever in korte tijd vijftienhonderd exemplaren weet te verkopen, ziet Beke in dat dit succes niet te danken is aan Jennie en Koos. Hij besluit de serie verder op Pandoer voort te bouwen. Die krijgt een ‘schitterende betrekking’ bij KEMA Keur en bestrijdt vanaf dat moment het kwaad.

Door die brave moraal en het soms nogal stroeve taalgebruik zijn de boekjes nu niet meer voor iedereen even leesbaar: ‘Sammernappels, vent, dat wordt een karwei!’

Beke blijft zijn leven lang leraar. Zijn docentschap tijdens de oorlogsjaren aan een basisschool in Schagen noemt hij in interviews de gelukkigste tijd van zijn leven. Hij gaat tijdens de biologieles met de hele klas naar buiten en verzint aan het eind van elke dag een verhaal.

Hoewel hij nog twee delen in zijn hoofd heeft, stopt Beke in 1969 met Pim Pandoer. Volgens hem omdat in dat jaar de eerste mens op de maan staat. In die nieuwe wereld past geen Pandoer en Beke heeft in science fiction geen zin.

Doordat ook nog eens een van zijn uitgeverijen failliet gaat, komt zijn honderdste boek er niet. In 1971 stopt hij helemaal met schrijven. Zijn andere personages, zoals Niekie Niemand, Sigurd de Noorman en Ridder Roland, raken al snel in vergetelheid.

Overigens heeft Beke zelf geen enorm hoge pet op van zijn bestsellers. Hij noemt het veel minder bekende Toivo, de gestolen zoon (1956) zijn beste werk. In een interview met De Gelderlander ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag zegt hij dat dit het enige boek was, dat hij ooit herlas.

Meer over