Pij, blij & liefde

Ze hebben geen cent te makken, maar staan garant voor geweldige muziek en een fantastische show. Het vierde album van de Texaanse band The Polyphonic Spree is net uit. Tijd voor een gesprek met frontman Tim DeLaughter. Hoe houdt hij zijn 21 bandleden bij elkaar?

Het is dinsdagmiddag, tegen twee uur, en een voor een komen ze de Oost-Londense concertzaal Village Underground binnendruppelen, de mannen en vrouwen van The Polyphonic Spree, althans: de vijftien (van de eenentwintig) die tijd en budget konden vrijmaken voor de groepsreis naar Engeland.

Vanavond viert de Texaanse band het Europese releasefeestje van hun vierde studioalbum Yes, It's True, maar eerst is er werk aan de winkel. De gebruikelijke puzzel moet opgelost: hoe krijg je alle apparatuur en instrumenten zó op het podium dat de mensen er straks nog bij kunnen? De T-shirtkraam moet opgebouwd. Daarna soundchecken. De rugzakjes gaan op een hoop, de handen uit de mouwen.

Het is niet moeilijk om te zien wie de chef van het gezelschap is. Hij wijst en gesticuleert, praat voortdurend, stelt zich aan mensen voor (podiummanager, vertegenwoordiger van het Engelse platenlabel) en bestudeert papieren. Hij is ouder dan de rest, 47 om precies te zijn, en heet Tim DeLaughter, songschrijver en opperhoofd van het veelkoppige, gejurkte popkoor van positivo's uit Dallas, het indie-orkest dat lijkt weggelopen uit The Age Of Aquarius.

'Aha, de Nederlandse journalist?' zegt DeLaughter - geruit overhemd, spijkerbroek, fel oranje gympen en onwaarschijnlijk lichtblauwe ogen. 'Welkom, laten we een rustig plekje zoeken om te praten' - en hij gaat voor naar het dakterras, hoog boven Hackney, waarop twee vrolijk beschilderde Londense metrotreinstellen staan, die dienstdoen als de kantoren van de concertzaal.

Ja, bevestigt hij, ze zijn 'slechts' met zijn vijftienen deze keer: Heather (Franse hoorn) zit thuis met een pasgeboren baby, Ricky (harp) geeft sinds kort les in Oekraïne en kon geen vrij krijgen. Zo waren er nog wat gevallen van overmacht.

'Mijn vrouw is er blij om', zegt DeLaughter. 'Zij roept al jaren: je moet die groep kleiner maken, want dit is gekkenwerk. Maar dat wil ik niet, sterker: ik zou de groep het liefst nog verder uitbreiden. We hebben nog altijd genoeg mensen voor een goede show, dat zul je zien, geloof me maar.'

We geloven hem. De platen van de The Polyphonic Spree zijn al fijn, ook het nieuwe Yes, It's True weer, maar de optredens zijn pas écht memorabel: al die swingende jongens en meisjes in mooie, kleurige gewaden, al die zangstemmen en die onbeschrijflijk opbeurende, zonnige, orkestrale popmuziek, alsof The Flaming Lips staan te jammen met de muzikanten uit de Rocky Horror Picture Show en de musical Hair. Je wordt er ontzettend blij van, soms zelfs een beetje emotioneel, omdat het allemaal zo overdonderend vrolijk en lief is.

'And now you know: you're beautiful.

Now you know: together we're alright.'

Daarom is het verrassend dat Tim DeLaughter eigenlijk helemaal niet overkomt als de zorgeloze neohippie die je wellicht zou verwachten. Hij lijkt eerder een ietwat nerveuze workaholic: een vriendelijke vent, maar zonder rust in zijn kont. In Dallas runt hij een platenzaak, Good Records, en voedt hij met zijn vrouw vier jonge kinderen op. Hij zegt voor hippietraagheid geen tijd te hebben.

'De hippie-associatie is er vanaf het begin geweest', zegt hij, 'en ik begrijp dat ook wel: de pijen, de blijmoedige muziek, de liefdevolle boodschap. Maar we zijn geen sekte of commune die leeft alsof het 1969 is. Ik lust geen kruidenthee, ik ben niet bepaald zen en ook geen vegetariër of wat ook.'

Maar toch wel een positivo?

'Zelfs dat niet. Mijn vrouw vindt me een piekerkont en een pessimist. De optimistische liedjes die ik voor The Polyphonic Spree schrijf, weerspiegelen niet mijn karakter; ik schrijf ze eerder om mezelf moed in te praten. Ze zijn escapistisch, bevatten een boodschap die ik zelf heel erg nodig heb om het vol te houden. Veel van de bandleden om me heen zijn vrolijk van aard, dat dan weer wel. Daar heb ik veel baat bij. De energie die vrijkomt als we met zijn allen staan te spelen - dat is echt goud waard.'

Hij staat op en wijst naar het gras en onkruid dat tussen de tegels van het dakterras uitsteekt.

'Kijk, dát inspireert me,' zegt hij. 'Die plantjes groeien op een plek waar ze normaliter kansloos zijn: op het dak van een hoog pand in hartje Londen. Ze kunnen hier eigenlijk niet leven, maar ze redden het toch. Wij mensen zijn precies zo. Dat is mijn religie. Ik put daar veel moed uit.'

Toen hij in de jaren negentig in de neopsychedelische gitaarband Tripping Daisy speelde, had hij tijdens optredens al visioenen van The Polyphonic Spree: optreden met een podium vol mensen die samen een overdonderend geluid produceerden, het leek hem prachtig. Hij besloot zijn wens in 2000 gestalte te geven, toen Tripping Daisy-gitarist Wes Berggren plotseling overleed en de overblijvers besloten dat ze niet onder dezelfde bandnaam verder wilden.

Met drie oude bandgenoten begon DeLaughter bandleden te recruteren voor zijn megapopgroep. Hij had een eenmalige stunt in zijn hoofd: een reeks optredens, misschien zelfs maar één show, want daarna zou het met zo'n grote groep wel niet vol te houden zijn. Een album hoefde er niet per se te komen.

'Ze moesten kunnen improviseren, dat was een eis. Ik kan geen noten lezen of schrijven, dus ik kon geen partituren voor ze maken. Ik zocht muzikanten die zo goed zijn dat ik mijn liedjes gewoon aan ze zou kunnen voorzingen - en dat het daarna allemaal vanzelf zou gaan.'

In The Polyphonic Spree kon hij zijn liefde voor zomerse sixtiespop van de Amerikaanse westkust en de zanggroep The 5th Dimension kwijt, maar ook - subtiel - zijn bewondering voor easy listeningpionier Percy Faith, die de zogenaamde liftmuziek aanzien gaf.

'Een lift is een plek waar mensen instinctief geneigd zijn in paniek te raken. Percy Faith maakte de muziek die ze gerust moest stellen. Dat gegeven vind ik mooi. In feite wil ik met The Polyphonic Spree iets vergelijkbaars doen.'

Al snel was The Polyphonic Spree 25 man sterk, maar optredens regelen viel niet mee. Boekers vonden het maar vreemd, een band van 25 man, wat voor DeLaughter aanleiding was om het gezelschap in ploegendienst naar een studio te laten komen en het repertoire op te nemen, hoofdzakelijk om cd'tjes naar boekers en zalen te kunnen uitsturen. De opnamen zouden uiteindelijk verschijnen als The Beginning Stages Of The Polyphonic Spree (2000), het debuutalbum. Ze vielen op en werden onthaald als een alternatief, wit gospelkoor, eerst in de VS, daarna in Engeland, Europa en de rest van de wereld.

En dus besloot DeLaughter door te gaan met dat onwerkbaar grote gezelschap. Album nummer twee (Together We're Heavy, 2003) borduurde voort op het tijdloze hippiegevoel van het debuut. Het steviger, bij vlagen politieke The Fragile Army (2007) stond meer in het heden. Zo ook het nieuwe Yes, It's True: de eerste drie songs zijn electropop, het lieflijke You're Golden bevat tekstuele verwijzingen naar 'facebooklikes' en Instagram. Het betreft hier geen poging om ineens modern te doen, zegt DeLaughter: in het liedje observeert hij liefdevol zijn 14-jarige dochter.

Hij zou óók synthesizers kunnen gebruiken om een deel van het reisgezelschap overbodig te maken, zo weet hij: laat wat instrumentale partijen uit een digitaal doosje komen en je hoeft met minder mensen op tournee. Hij is er beslist over: 'Uitgesloten. Die grote groep, dat grootse geluid, geheel voortgebracht door mensenhanden en mensenstemmen, dat was nou net het hele idee.' Lachend: 'Je lijkt mijn vrouw wel.'

En dus blijven ze een band die voor elke reis en voor elke overnachting een fortuin nodig heeft, terwijl ze dezelfde gages betaald krijgen als een viermansbandje. Iedereen in The Polyphonic Spree is permanent blut. Tien jaar geleden dekten sommige festivalorganisatoren, zalen en labels de kosten nog, maar nu merkt The Polyphonic Spree dat het crisis is: de kans op een volwaardige Europese tournee is helaas klein.

Het is wel ironisch dat de bandleider loyaler aan zijn bandleden is dan omgekeerd: het verloop in The Polyphonic Spree is enorm. Een kleine harde kern speelt al jaren samen, maar sinds 2000 droegen meer dan honderd muzikanten een tijdje een Polyphonic-pij, om na een tijdje weer af te zwaaien. DeLaughter neemt het ze niet kwalijk.

'Die mensen verdienen hier niets aan. Ze hebben banen, studieverplichtingen, relaties, gezinnen en moeten op zeker moment keuzes maken. Dat vond ik aanvankelijk frustrerend, omdat het veel werk is steeds weer nieuwe muzikanten in te werken. Het deed me ook verdriet: telkens weer afscheid nemen. Inmiddels ben ik er de schoonheid van gaan inzien, zoals een schoolmeester liefdevol zijn leerlingen ziet uitvliegen.'

Bovendien: het eerste vervelende afscheid van een bandlid laat nog altijd op zich wachten. DeLaughter is al bezig met de voorbereidingen voor een grote reünie ter viering van het derde lustrum van de band, in 2015. 'Dan wil ik met álle ex-bandleden op een podium staan en in het Guinness Book Of Records komen. Ze komen allemaal, zeker weten.'

Het is half tien 's avonds als de zaallichten in de Village Underground doven, het kleedkamerdeurtje naast het podium openzwaait en The Polyphonic Spree zijn entree maakt. Geen witte pijen ditmaal en ook geen effen gekleurde (The Polyphonic Spree als doosje Smarties), maar roze gebloemde. Terwijl de band de aanzwellende prelude inzet en mannen- en vrouwenstemmen weerkaatsen tussen de muren, beschrijft Tim DeLaughter met een stift het witte doek dat tussen band en publiek hangt, van achteren, in spiegelbeeld, zodat het voor ons leesbaar is:'WE ARE FRIENDS', lezen we - en ja, bij The Polyphonic Spree voelt dat zo.

The Polyphonic Spree: Yes, It's True. Cherry Red/Suburban.

Op reis met 'The Spree'

Reizen en overnachten is kostbaar voor een band van (op dit moment) maximaal 21 mensen, exclusief crew. Voor vier festivaloptredens in de VS schoot Tim DeLaughter dit jaar 96 duizend dollar aan vliegtickets voor (te declareren bij de festivals, gelukkig). Voor langere tournees huurt de groep voor zo'n 1.000 dollar per dag een enorme bus met 27 slaapplaatsen; voor korte tournees en losse optredens reserveren ze een dozijn stapelbedden in een lokale jeugdherberg. In Parijs regelde een fan een logeeradres: een groot herenhuis, bewoond door een oude weduwe die geen bezwaar had tegen een Amerikaanse invasie. Onvergetelijk en ongekend luxe waren volgens DeLaughter de bungalows die hun toenmalige Nederlandse promotor Sjaak de Bruijn in oktober 2004 wist te regelen op vakantiepark De Maarnse Berg, dat op dat moment alleen open was voor 'vaste bewoners'. Boodschappenpakketten van de Albert Heijn stonden klaar; voor vervoer naar optredens reed een dubbeldekker voor.

Meer over