Interview

Pieter Broertjes, de Pietje Bell onder de burgemeesters: ‘Ik was een stekelig baasje’

Pieter Broertjes: ‘We moeten de rol van burgervader en burgermoeder serieus nemen. Die staat onder druk door de coronacrisis.’ Beeld Jitske Schols
Pieter Broertjes: ‘We moeten de rol van burgervader en burgermoeder serieus nemen. Die staat onder druk door de coronacrisis.’Beeld Jitske Schols

Pieter Broertjes maakte ruim tien jaar geleden de opmerkelijke overstap van hoofdredacteur van de Volkskrant naar het burgemeesterschap van Hilversum. Onlangs nam hij afscheid. Hoe kijkt hij terug op die tijd?

Rik Kuiper en Loes Reijmer

De armen omhoog, de vuisten gebald. Zo eindigde Pieter Broertjes (69) half februari zijn laatste toespraak als burgemeester van Hilversum.

Het was geen uitgemaakte zaak dat hij daar zou staan. Vorig jaar april raakte hij door een hersenontsteking in een half-coma, zoals hij het zelf noemt. Hij balanceerde op het randje van de dood, maar herstelde.

‘Ik sta er’, zei hij dus tijdens die laatste toespraak. ‘We zijn er.’

In september had hij de ambtsketen weer om zijn nek gehangen, om zich nog een paar maanden te laten gelden. In die periode toonde hij zich uitermate kritisch op het coronabeleid van het kabinet. En nu stond hij hier, in het Muziekcentrum voor de Omroep, waar de gemeenteraad tijdens een bijzondere vergadering afscheid van hem nam.

‘Via de voordeur ga ik straks naar buiten’, zei hij, zichtbaar geëmotioneerd. ‘En daar ben ik zeer trots op en zeer dankbaar voor.’

Er volgde een staande ovatie. Broertjes zwaaide naar de aanwezigen in de zaal, gaf een paar kushandjes en omhelsde zijn vrouw.

En toen was het voorbij.

Twee dagen later scharrelt Broertjes door zijn appartement naast het station van Hilversum. Op de keukentafel liggen plastic mapjes met knipsels: nog altijd haalt hij artikelen uit kranten, om zelf te bewaren, of om op te sturen aan vrienden. Ernaast een kaartje met notities, die hij gemaakt heeft ter voorbereiding op het gesprek met de krant waarvan hij vijftien jaar hoofdredacteur was, van 1995 tot 2010. Hij zet koffie voor twee verslaggevers die allebei pas na zijn vertrek zijn aangetreden.

De Volkskrant heeft in de elf jaar dat ik burgemeester was, nauwelijks aandacht aan mij besteed’, zegt hij. ‘Ook niet toen ik voor een vuurwerkverbod pleitte, ik was daar echt een voorloper in. Met dit interviewverzoek waren jullie ook vrij laat. Het is al een jaar bekend dat ik vertrek. En dan wilden jullie ook nog eens tweeënhalf uur.’

U verwijt ons divagedrag?

Broertjes proeft het woord op zijn lippen. Dan, schalks: ‘Divagedrag, ja.’

Als hij gaat zitten, informeert hij in welk katern het interview zal komen en waar het gesprek over zal gaan. Dat er ook vragen over zijn ziekte zullen volgen, zint hem maar matig.

‘Ik wil niet de geschiedenis ingaan als de zieke burgemeester’, zegt hij. ‘Ik ben nooit ziek, namelijk. Bij de Volkskrant, vraag maar na, ben ik nooit één dag ziek geweest. En ik was de afgelopen tien jaar in Hilversum ook nooit één dag ziek. Tot de bijna fatale klap.’

In 2011 werd Broertjes burgemeester van Hilversum. Het was een opvallende benoeming: zowel bij de macht als bij de controleurs van de macht gingen de wenkbrauwen omhoog. ‘Een zij-instromer, een journalist zonder bestuurlijke ervaring’, zegt Peter Schulte, destijds bestuursadviseur van de burgemeester. ‘Toen hij werd aangesteld, heb ik me bij mijn vrouw beklaagd.’

Jan Tromp, zeven jaar adjunct-hoofdredacteur onder Broertjes en de collega met wie hij in het geniep met prins Bernhard sprak voor een reeks postume interviews: ‘Ik vond het een rare rolverwisseling, plots stond hij aan de andere kant. Tegelijkertijd was ik niet verbaasd. Hij is zorgzaam en graag autoriteit onder de autoriteiten.’

Was het geen vreemde stap?

‘Tja. Ik wilde op een gegeven moment zelf aan de knoppen zitten, verantwoordelijkheid dragen. Een stukkie schrijven is hartstikke leuk, maar je blijft aan de kant staan. Dat wilde ik niet meer. Dus dit was een logische vervolgstap. Ik zie het niet als verraad aan de journalistiek.’

We spraken mensen die zeiden dat u op het raadhuis aanvankelijk het ritme van de krant aanhield. Als zich ’s ochtends een probleem aandiende, dan moest dat aan het einde van de dag zijn opgelost.

‘Ja, dat was ik gewend. Wat je vandaag niet afmaakt, staat morgen niet in de krant. Hier zeiden mensen vaak: ik bel morgen wel, of volgende week. Dan zei ik: waarom vandaag niet? Dat zat zo in mijn systeem. Ze moesten daar wel aan wennen. In de ambtelijke wereld werken ze met termijnen. Dan staat er bijvoorbeeld twaalf weken voor het beantwoorden van een vraag. In de praktijk gebruikten ze dan ook die twaalf weken. En de burger denkt al die tijd: waarom hoor ik niets?’

Gaat het nu sneller? Of bent u uiteindelijk geduldiger geworden?

‘Het blijft een punt van aandacht. Ik vind dat je mails moet beantwoorden. En dat je terug moet bellen als je belooft terug te bellen. Doe je dat, dan leidt dat tot meer vertrouwen in de overheid. Mijn mantra is: groot denken, klein doen.’

U beantwoordde ook veel mails zelf. Waar haalde u de tijd vandaan?

‘Hard werken. Tot laat door. Maar dat doe je in de journalistiek ook. Je gaat door tot de deadline.’

Even wennen was het wel voor burgemeester Broertjes. Al in de eerste weken schoffeerde hij collega’s door te opperen dat Hilversum en de omringende gemeenten in één stad moesten opgaan, Gooistad. Hij bemoeide zich met de portefeuilles van de wethouders, of was te uitgesproken. Bijvoorbeeld toen hij na het neerhalen van MH17 op de radio opperde om de dochter van Poetin, die destijds in Nederland woonde, het land uit te zetten.

De ramp met MH17 markeert een belangrijke periode in het burgemeesterschap. Hilversum telde vijftien doden, relatief veel. In de Korporaal Van Oudheusdenkazerne vond de identificatie van de slachtoffers plaats. Elke keer weer stonden inwoners langs de route van de rouwstoet, en de burgemeester ook. ‘Hij was daarin echt een burgervader’, zegt voormalig bestuursadviseur Schulte. ‘Hij bekommerde zich om de nabestaanden. Niet een paar maanden, maar tot op de dag van vandaag.’

‘Onlangs had ik contact met familieleden van de slachtoffers’, zegt Jules Dresmé, pastoor van de Hilversumse Vituskerk. ‘Een vader die zijn zoon verloor, vertelde me dat hij nooit zal vergeten dat Broertjes hem de eerste vaderdag na de ramp een kaartje stuurde, omdat hij zich kon voorstellen dat het een verdrietige dag was. Dat is wat, hè?’

Er is ook een veeleisende kant. Net als bij de Volkskrant destijds verwachtte Broertjes als leidinggevende dat zijn medewerkers op het gemeentehuis even toegewijd waren als hijzelf. ‘Hij stond altijd aan’, zegt Schulte. ‘Je moest niet gek opkijken als hij op zondagochtend om zeven uur een mailtje stuurde. En als je om acht uur nog niet had gereageerd, dan werd hij al ongeduldig. Ik herinner me dat hij de secretaresse belde, de telefoon één keer liet overgaan en toen weer ophing. ‘Waarom nam je niet op?’, vroeg hij dan later.’

Als burgemeester ontpopte Broertjes zich als criticus van de landelijke politiek. Hij was de eerste burgemeester die het stadscentrum tot vuurwerkvrije zone uitriep. De jaren daarop pleitte Broertjes voor een landelijk vuurwerkverbod. In de media hekelde hij de afwachtende houding van het kabinet.

En ook tijdens de coronacrisis sprak hij zich geregeld uit over het in zijn ogen zwalkende beleid. In het Veiligheidsberaad, waar de 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s met elkaar overlegden over de coronamaatregelen, liet hij zich niet naar de achtergrond dringen door burgemeesters van plaatsen met veel meer inwoners.

Uw rechterhand bij de gemeente zegt dat u tijdens vergaderingen ‘een soort Pietje Bell’ was. Burgemeester Ahmed Marcouch noemt het ‘activistisch vergaderen’.

‘Ik was een stekelig baasje, schreeuwde er soms doorheen. Hou nou eens op zeg, zei ik dan, dat is onzin! Vaak liet ik de stem van de horeca en van andere onderliggende partijen horen. Ik riep al heel vroeg dat we niet alleen moesten kijken naar de effecten van maatregelen op de bezetting van ic-bedden. Maak het breder, zei ik. Kijk ook naar de economische effecten, naar de sociaal-psychologische effecten, naar wat een schoolsluiting betekent voor een generatie jongeren. En dat zei ik dan ook in het openbaar.’

En wat voor reactie kreeg u dan van collega’s?

‘Daar heb je de journalist Broertjes weer. En minister Grapperhaus schreeuwde me in de wandelgangen een keer toe: ‘Hé wappie!’ Omdat ik een kritische noot kraakte.’

Er zit een zekere afkeuring in zo’n grap: deze burgemeester staat niet in het gelid.

‘Ja, ja, ja. Zeker. Zo heb ik dat ook wel gevoeld. Later zei Grapperhaus: ‘Dat kunnen we toch wel hebben, we gaan toch niet al te gevoelig zijn, Pieter?’ Maar ik vind wel dat hij ver ging door mij zo te noemen.’

Was dat symptomatisch voor hoe het kabinet keek naar de burgemeesters?

‘Het kabinet zat in een tunnel. Dat kwam ook door de samenstelling van het OMT. Die was eenzijdig. Als ik daar iets over zei, werd dat ook niet op prijs gesteld. Het begon als een medische crisis, maar het werd ook een maatschappelijke crisis: scholen, werkgelegenheid, economie. Daar moet je de advisering op aanpassen. Die moet breder. Daar zijn vaak pleidooien voor gehouden, maar dat is nooit opgevolgd.

‘Waar ik me ook vaak aan ergerde, is dat onduidelijk was hoelang maatregelen zouden duren. Ze werden ook telkens weer verlengd. Zeg gewoon: van die datum tot die datum hebben we deze maatregel. En als een maatregel niet werkt – zoals de avondklok, waarvan nog altijd niet duidelijk is hoe effectief die was – wees daar dan eerlijk over. Minder met hagel schieten. Zeker als het om zulke belangrijke waarden gaat als vrijheid. Daar hadden ze zorgvuldiger mee moeten omgaan.’

Er was een groot contrast tussen de opstelling van het kabinet en die van de burgemeesters.

‘Wij hebben twee rollen: die van burgemeester en die van burgermoeder of burgervader. Die laatste staat tussen de mensen, de burgemeester begeeft zich in het repressieve domein. Die moet boetes willen geven. Daar heb ik me ook nooit aan onttrokken, je bent nu eenmaal handhaver van de wet. Maar ik permitteerde mezelf kritiek te uiten op zaken waar ik het niet mee eens was. Daar hadden sommige raadsleden hier in Hilversum ook moeite mee. Dat begrijpen de mensen niet, zeiden ze.

‘Maar de mensen begrijpen het wel. Ze zeiden: wat fijn dat u dat verwoord hebt. En dat ik ondertussen ook moest handhaven, snapten ze. Dat moet in balans blijven. Als we te veel de bromsnor zijn, dan verliezen we ook gezag. We moeten de rol van burgervader en -moeder serieus nemen. Dat staat onder druk door de coronacrisis. Uiteindelijk is dat bewustzijn in het Veiligheidsberaad wel ontstaan.’

Maar het duurde wel even?

‘Ja. Ik was er misschien wat voorlijk in. Omdat ik door de ramp met MH17 leerde wat het belang is van een burgervader. Het verdriet stroomde hier over de drempels. Daar kun je als burgemeester woorden aan geven. De inwoners zagen dat er iemand was die naar ze luisterde en hun verdriet begreep. Er was toen saamhorigheid. Saamhorigheid die er nu tijdens de coronacrisis niet meer is.’

Waar merkt u dat aan?

‘In tien jaar tijd is de polarisatie enorm toegenomen. De demonstraties in mijn eerste termijn waren op één hand te tellen, nu is het elke week raak op het Mediapark. Ik ging er vaak naartoe om even met de demonstranten te praten. Het was lastig om verbinding te maken, maar ik wilde wel naar ze luisteren. Ik was ook tegen alle maatregelen die tweespalt veroorzaken: 3G, 2G, 1G. Daarmee creëer je een voedingsbodem voor radicalisering.’

Marcouch vertelde dat u weleens mopperde: Hubert Bruls mocht als voorzitter van het Veiligheidsberaad het woord voeren, u niet.

‘Als ik te laat was, werd gezegd: je moest RTL Nieuws zeker nog te woord staan. En dat was vaak nog waar ook. In de bestuurlijke wereld is veel angst voor de media, argwaan. Die heb ik niet. Ik vind media juist leuk. Als ik bij aankomst zo’n rij camera’s en microfoons zie, kan ik daar niet aan voorbij lopen. Vroeger stond ik daar als journalist namelijk ook met mijn opschrijfboekje, ik zal dus altijd antwoord geven. Op een gegeven moment had RTL Nieuws dat door: die Broertjes reageert wél. ‘We zullen u missen!’, riepen ze de laatste keer.’

Hebben de burgemeesters in het Veiligheidsberaad iets kunnen bereiken?

‘Soms konden we iets corrigeren, bijvoorbeeld bij de sluitingstijden van de horeca. Dan plusten we er een uurtje bij.’

Was u blij met zo’n resultaat of vloekte u na afloop dat u weer niets voor elkaar had gekregen?

‘Dat moeten jullie maar aan mijn vrouw vragen. Wat zij zou zeggen? Nou, ik kwam wel vaak mopperend thuis. Maar gefrustreerd was ik niet. Dat is het verkeerde beeld. Uiteindelijk hebben we eind januari met alle burgemeesters een brief geschreven aan het kabinet, waarin we schreven dat we de maatregelen niet meer konden uitleggen. Dat vond ik wel een overwinning van de redelijkheid.’

Broertjes is het afgelopen jaar veranderd, zeggen vrienden en bekenden. Breekbaarder, minder onaantastbaar. ‘Dat draufgängerische is er wel af’, in de woorden van oud-collega Jan Tromp. ‘Een andere Pieter’, aldus Marcouch.

Zelf zegt hij over zijn ziekte: ‘Nogal een radicaal recept om tot bezinning te komen, ja.’

Het begon vorig jaar april. Broertjes had al een paar dagen koorts, toen hij warrig begon te praten. Zijn vrouw vertrouwde het niet en sleepte hem mee naar de huisartsenpost. Daar verwezen ze hem door naar het ziekenhuis. Broertjes bleek een hersenontsteking te hebben. Zijn toestand verslechterde, hij raakte in ‘een half-coma’, artsen vreesden voor zijn leven. Toen hij ontwaakte, wist hij nauwelijks nog hoe zijn iPhone werkte.

‘Zo’n ziekte maakt je nederig’, zegt hij. ‘Ik dacht altijd dat het alleen anderen overkwam. En toen was ik toch aan de beurt. Artsen hebben zich afgevraagd of ik het wel zou overleven. Zelf heb ik daar niet veel van meegekregen, maar mijn kinderen hebben eronder geleden. Uiteindelijk kwam ik er goed uit. Mijn huisarts zei: je hebt geluk gehad.’

Broertjes was nog maar net ontslagen uit het ziekenhuis of hij sprak alweer over zijn terugkeer als burgemeester. Maar dat ging niet, hij was zwak, hij moest geduld hebben. Met zijn artsen kwam hij ten slotte overeen dat hij op 1 september weer aan het werk mocht, mits hij zich zou laten bijstaan door ‘iemand die hij vertrouwde en die hem de waarheid durfde te vertellen’, zoals Peter Schulte zegt, die de taak op zich nam.

Waarom wilde u per se terugkeren?

‘Ik wilde op een nette manier afscheid nemen. Niet van: hij werd ziek en toen hebben we nooit meer iets van hem gehoord.’

Oud-korpschef Bernard Welten, een vriend van u, zei dat u misschien wel te hard heeft gewerkt. U was ‘een kaars die aan twee kanten brandde’.

‘Toen ik ziek was, heb ik mijn artsen gevraagd of ik mezelf iets moest verwijten. Nee, zeiden ze. Het was botte pech dat dat virus een weg naar mijn hersenen heeft gevonden. Een van hen zei wel: meneer Broertjes, als u iets niet kan, dan legt u de lat hoger, dat is een vreemde reactie, daar moet u vanaf. Dat vind ik wel moeilijk. Eerder hulplijntjes uitgooien is wel een les die ik ter harte neem.’

Waar komt uw bewijsdrang vandaan?

‘Van mijn moeder, een ambitieuze en zorgzame vrouw. Ze studeerde medicijnen en is daarmee gestopt toen ze mijn vader leerde kennen. Aan het einde van haar leven vroeg ze zich af wat ze nu eigenlijk gepresteerd had. Ik zei: nou mens, je hebt drie kinderen opgevoed, je was de spil van ons gezin, dat is een grote prestatie. Maar zij voelde dat anders.’

U moest iets volbrengen in het leven omdat uw moeder dat niet lukte?

‘Ja. Toen ik hoofdredacteur van de Volkskrant werd, belde ik mijn moeder. Ik zei: mama, dit is het hoogste wat ik ga halen, ik heb het bereikt. Dat laat zien wat voor band wij hadden.’

Iedereen zegt dat u zo attent bent. Inwoners van Hilversum, vrienden, oud-collega’s: allemaal beginnen ze over de kaartjes die u stuurt. Hoe doet u dat?

‘God. Ik ben daar heel monomaan in. Geregeld spreken mensen me op straat aan om te bedanken voor een kaartje dat ik ze lang geleden gestuurd heb. Jeetje, denk ik dan, dat heb ik ook nog gedaan. Soms schrik ik zelf van de hoeveelheid. Hard werken is de enige verklaring, ik leg mezelf elke dag een deadline op.’

Maar heeft u een systeem om alles te onthouden? Een tip voor mensen die de verjaardag van hun beste vrienden nog vergeten, zeg maar?

Broertjes legt zijn hand op een stapel zwarte opschrijfboekjes. ‘Hier heb ik er veel van. Ik schrijf alles op, een gewoonte waar ik nu voordeel van heb met mijn zwakke hersentjes. En ik werk met geeltjes, die plakbriefjes. Daarop noteer ik alles wat ik nog moet doen. Die beginnen inmiddels wel een beetje leeg te raken.’

En nu? Bekenden zeggen dat u toch geen rust kunt houden.

‘Ik ben blij dat jullie er zijn, anders was ik vandaag al in het zwarte gat gedonderd. Maar serieus: ik ben even toe aan wat minder druk op mijn agenda, want de laatste weken liep het toch weer uit de hand. Daarna ga ik ervan uit dat er nog wel wat dingetjes op me afkomen. En als dat niet zo is, dan bel ik zelf wel.’

Meer over