Piet Moerland werd 100 jaar op 1 oktober 2021. Hij woont in een zorgcentrum in Stavenisse.

InterviewPiet Moerland

Piet Moerland (100 jaar): ‘Dragen, niet klagen is de levensles die ik heb geleerd’

Piet Moerland werd 100 jaar op 1 oktober 2021. Hij woont in een zorgcentrum in Stavenisse.Beeld Aurélie Geurts

Piet Moerland is net als de Volkskrant 100 jaar. Wat zijn voor de oudste inwoner van het Zeeuwse dorp Stavenisse de belangrijkste gebeurtenissen van de eeuw die achter hem ligt en hoe beleeft hij het huidige tijdsgewricht?

Piet Moerland kan geen dag zonder de zee. Weer of geen weer, elke ochtend rijdt hij de dijk op om over de natte vlakte te turen. Tot een jaar geleden nog op zijn herenfiets, sinds een val (‘geen schrammetje, niks gebroken’) op de scootmobiel. Hij hoeft maar zijn straat uit te rijden, een keer rechts en een keer links het dorp Stavenisse door, langs het haventje omhoog, en dan is daar op de dijk de Oosterschelde met links aan de horizon de Zeelandbrug. Bij helder weer is daarachter de waterkering te zien, die het schiereiland Tholen met Stavenisse aan de kop behoedt voor een herhaling van de talrijke overstromingen van weleer. ‘Elke dag is het hier weer anders en even mooi’, mijmert Moerland. Hij koestert geen enkele wrok tegen het water dat Zeeland, zijn dorp en zijn nog jonge gezin ooit zoveel ellende bezorgde.

Het dagelijkse uitstapje van de 100-jarige, rijzige en goedlachse Zeeuw stopt niet bij het uitkijkpunt. Het voert nog verder, een paar kilometer benedendijks, langs de plek waaraan hij zijn mooiste jeugdherinneringen bewaart. Op driekwart van het rondje wijst hij naar links, naar het vlakke akkerland. ‘Als je goed kijkt, zie je dat een stuk grond daar verderop iets lager ligt. Daar stond vroeger de boerderij waar ik als jong kind zeven jaar met mijn ouders, vijf broers en twee zussen woonde. In de zomer klommen we de dijk over om mosselen te verzamelen en zeekraal te snijden. Dat werd toen gezien als armeluisvoedsel, nu liggen ze als delicatessen in de viswinkel.’

Thuis, in zijn bruine leren leunstoel met hoge rugleuning bij het raam, staat voor zijn neus op de vensterbank een ingelijste foto van de boerderij, als een verloren liefde waaraan hij graag dagelijks wordt herinnerd. ‘Bij de watersnoodramp in 1953 is de boerderij weggevaagd.’ Piet Moerland was toen 31 jaar. Hij woonde met zijn vrouw Helena en zijn dochter Adri van 4 een paar honderd meter verderop in het dorp en stond die nacht doodsangsten uit.

De boerderij waar Piet Moerland opgroeide, is bij de watersnoodramp in 1953 weggevaagd.  Beeld Aurélie Geurts
De boerderij waar Piet Moerland opgroeide, is bij de watersnoodramp in 1953 weggevaagd.Beeld Aurélie Geurts

Had u vroeger een jongensdroom en is daar nog iets van uitgekomen?

‘Haha, een jongensdroom? Daar hield ik mij niet mee bezig. Werken, een andere keuze was er niet. Je was al blij als je te eten en te drinken had. Doorleren kon ook niet, er was geen cent. En studiebeurzen bestonden niet. Dat vond ik niet erg, ik hield niet van school. Liever was ik buiten, ik was een avonturier. Als ik terugdenk aan die tijd, denk ik: wat leven we nu toch in een weelde, wat een weelde. Daar ben ik dankbaar voor.’

Om welke gebeurtenissen in het nieuws kunt u zich nu nog druk maken?

‘Elke ochtend lees ik in de Provinciale Zeeuwse Courant dat we nog steeds geen nieuwe regering hebben. Er zal heus een dag komen dat ze eruit zijn.’

Vraagt u zich wel eens af hoe u zo oud heeft kunnen worden?

‘Het zullen de genen zijn. Mijn overgrootvader is 103 geworden, een zus 97, mijn andere zus 94, een neef 101. Ik voel mij 80, geen 100. Ik kan niet zeggen: je moet zus of zo leven. Elke dag drink ik één borrel voor het eten, een jonge klare. Ik heb altijd veel gefietst en hard gewerkt. Eerst op het land, daarna aan het herstel van Walcheren. Toen dat klaar was, ben ik in de haven van Rotterdam als lader en losser aan de slag gegaan, balen van 100 kilo kunstmest op mijn rug versjouwen. Ik heb altijd mijn mannetje kunnen staan. Op mijn 54ste werd ik afgekeurd en moest ik stoppen. Ik had zo’n pijn, mijn heupen bleken versleten. Daar ben ik aan geopereerd. Van hard werken ga je kennelijk niet dood.’

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer familie en vrienden hij verliest. Heeft u leren omgaan met verlies?

‘Ik praat er niet over. Geen van mijn vrienden leeft nog, van mijn broers en zussen is alleen de jongste er nog. Mijn vrouw is dertien jaar geleden overleden. Er gaat geen dag voorbij of ik denk aan haar. Mijn moeder en mijn vrouw mis ik het meest van allemaal. Een moeder voelt toch anders dan een vader, meer als je eigen bloed. Ze was mijn alles. Ze is 88 jaar geworden. In haar laatste jaren alleen hielp ik haar elke ochtend uit bed, zette een kopje thee voor haar en daarna nam mijn zus het stokje over. Nu doet mijn dochter elke ochtend hetzelfde voor mij. ’s Avonds komt ze ook, met mijn schoonzoon. In dit dorp zorgen de mensen goed voor elkaar.’

Kunt u de digitalisering een beetje bijbenen, zoals de coro...?

‘Die vierkante dingen van jullie (tekent met twee vingers in de lucht de contouren van een smartphone en tablet), waar je ook mee kunt betalen, heb ik niet. Een computer heb ik ook nooit gehad. Ik weet niet hoe het allemaal werkt. Mijn hersenen kunnen het niet bolwerken. Dat vind ik moeilijk aan deze tijd, het gaat mij allemaal te snel.’ Hij begint een liedje uit zijn jeugd te zingen, over de komst van de auto:

Vroeger ging alles even kalm en bedaard | Wagen en paard, matige vaart | Of in een trekschuit bij een pijpje tabak | Zat men op zijn gemak | ’t Ging maar niet fijn | Zo aan de lijn | Kwam je heel netjes waar je moest zijn | Nu komt het leven als een stormwind geraasd | En heeft men altijd maar weer haast

Hoe bent u tijdens de watersnoodramp in 1953 in Zeeland aan de verdrinkingsdood ontsnapt?

‘Eind 1952 hadden mijn vrouw Helena en ik na vijf jaar huwelijk en inwoning bij haar ouders genoeg gespaard om in ons dorp Stavenisse een eigen huisje op de begane grond te kunnen kopen. We hadden nog maar net meubeltjes gekocht en ons huis ingericht, toen we in de nacht van 1 februari wakker werden van sirenes en een donderend lawaai. Op straat riep iemand: de dijk staat op doorbreken!’

Piet Moerland kleedde zich snel aan en ging in de duisternis poolshoogte nemen bij de haven. Het geraas van de storm en het hoge water maakten dat hij spoorslags terugkeerde naar huis, de buren waarschuwde en zijn vrouw en 4-jarige dochter maande zich aan te kleden en het huis te verlaten.

‘We stonden buiten voor ons huis toen de straten vol stroomden. Het water kwam tot mijn middel. Mijn vrouw had onze dochter op de arm, maar ze dreigde te vallen. Ik nam snel Adri van haar over en trok mijn vrouw overeind. Ik zag de deur van de overburen openstaan. We spoedden ons naar binnen en konden via de trap omhoog komen. Op de eerste verdieping was het droog en veilig. De volgende ochtend kwam een rubberen roeiboot voorbij. We knoopten lakens aan elkaar, hingen die uit het raam en lieten ons zo naar beneden zakken, onze dochter stevig vasthoudend, de boot in. Onze woning was verwoest. Al onze bezittingen waren we kwijt. Het enige dat we nog hadden, waren de kleren aan ons lijf. De buren die mijn waarschuwing hadden genegeerd en thuis waren gebleven, bleken verdronken.’

Was dit de moeilijkste periode in uw leven?

‘Oh nee. Dat waren de crisisjaren. Mijn vader was werkloos, we leefden in bittere armoe. Ik herinner me dat ik als jongen van een jaar of 11, 12 jaar één boterham kreeg voor de hele dag, tot het avondeten. Er was geen boter, geen beleg en niets te drinken. Op een dag zag ik onderweg naar school in een weiland paarden bij een drinkbak staan. Met mijn handen schepte ik water uit de bak en dronk het op. Een agent zag het en sloeg mij met een stok.’ (Hij kan er nu om lachen, ‘het is toch wat’.)

Voelde u als kind hoe onrechtvaardig dat was? U had honger en dorst.

‘Het maakte mij niet boos. Ik was jong en wist niet anders. Maar als ik 25 jaar was geweest, had ik de agent wel op zijn sodemieter gegeven. Iedereen in het dorp had een hekel aan hem, een heel vervelende man.’

Tegenwoordig houdt de politie zich met wel heel andere zaken bezig.

‘Zoals drugs. Die had je vroeger niet. Ik begrijp niets van jongeren die zich daarmee inlaten. Ze maken zichzelf kapot.’

Hebben die jeugdjaren in armoede u gevormd?

‘Op mijn 11de ging ik voor het eerst werken. Mijn vader was landarbeider en afhankelijk van de seizoenen. In de crisisjaren moesten wij kinderen ook naar het land om geld te verdienen. Op mijn knieën wiedde ik met een mesje onkruid tussen de zilveruitjes. Van 04.00 tot 09.00 uur in de ochtend, daarna snel schone kleren aan en naar school. Daar viel ik vaak in de schoolbank in slaap. Wat zullen mijn ouders het moeilijk hebben gehad. Op mijn 14de ben ik van school gegaan om te werken, bollen pellen bij de boer, voor 10 cent per uur. Mijn grote broer Danker regelde altijd alles: werk op het land, ons loon, dat we uitbetaald werden. Hij leerde mij sterk te zijn, voor mezelf op te komen en niet te zeuren. Dragen, niet klagen heb ik van die tijd geleerd.’

Meer over