Pensioenfonds toch niet rijk

Door het tegenvallende beursjaar 2000 staan de rijke, actief beleggende pensioenfondsen weer met beide benen op de grond. De 'suffe' fondsen met saaie obligaties deden het beter....

Een typisch geval van Schadenfreude. Het pensioenfonds voor de werknemers in de textielreiniging boerde in 2000 het best, Shell het slechtst. De beleggingen voor de textielreinigers stegen vorig jaar 10,2 procent in waarde. De beleggingen voor de Shell-werkers daalden 3,7 procent.

De rollen zijn omgedraaid. Jarenlang moesten de textielreinigers het doen met een, op zijn best, middenmootpositie in de ranglijst die WM Company jaarlijks over de rendementen van pensioenfondsen maakt.

Textielreiniging heeft slechts een kwart van het vermogen in aandelen gestopt en moest daarvoor tijdens de beurshausse van de afgelopen jaren boeten. Maar vorig jaar was de wraak zoet.

Pensioenfondsen die de afgelopen jaren veel in aandelen belegden, kregen de toppposities in de WM-rating. Het pensioenfonds van Shell bijvoorbeeld boekte in 1999 nog een rendement van 28 procent. Maar dat zakte in 2000 dus naar min 3,7 procent. Shell heeft tweederde van het vermogen in aandelen gestopt.

Jarenlang bepaalden de pensioenfondsen die veel in aandelen belegden met hun uitstekende rendementen de beeldvorming over de fondsen. Door de beleggingsopbrengsten kregen zij zodanige reserves dat werknemers en werkgevers vrij werden gesteld van premiebetaling. De pensioenregeling kon verbeterd worden - soms ook voor gepensioneerden - en enorme bedragen werden aan het bedrijf teruggegeven. Vooral dat laatste spreekt tot de verbeelding. Zo kreeg de Rabobank 249 miljoen gulden terug van het pensioenfonds, Philips 260 miljoen en Unilever, gespreid over enkele jaren, enkele miljarden.

Daardoor ontstond het beeld dat alle pensioenfondsen in het geld zwemmen. Dat is dus niet zo. Pensioenfondsen moeten het geld zodanig beleggen dat zij aan hun verplichtingen - de pensioentoezegging - kunnen voldoen. Daarboven moet nog een buffer van minimaal 10 procent worden aangehouden om tegenslagen bij beleggingen op te vangen. Pas als het vermogen de verplichtingen met bijna 50 procent overschrijdt, is volgens de vuistregel sprake van overreserve.

Het rendement zegt ook weinig over het functioneren van het fonds. Het beleggingsbeleid is, als het goed is, afgestemd op de werknemersgroep. Naarmate de gemiddelde leeftijd hoger is, kan minder risicovol belegd worden. Op afzienbare termijn moeten immers pensioenen uitbetaald worden. Een fonds dat het pensioen voor vooral jonge werknemers regelt, kan meer risico nemen.

Dat verschil verklaart het beleggingsbeleid van ABP en PGGM. Ambtenaren zijn gemiddeld ouder dan de zusters waar PGGM voor zorgt. ABP stopt dan ook de helft van het geld in obligaties, terwijl PGGM meer dan de helft in aandelen stopt.

Aandelen zijn door een tegenvallend jaar niet gediskwalificeerd. WM Company heeft berekend dat tegenover de 5,2 procent waardedaling in 2000 een rendement over de afgelopen vijf jaar staat van 21,6 procent. Maar voor pensioenfondsen moeten aandelen onderdeel zijn van een afgewogen mix. Een tegenvallend aandelenjaar nuanceert eindelijk het beeld van tomeloos rijke, actief beleggende pensioenfondsen versus de suffe, couponknippende obligatiehoudende fondsen.

Meer over