PAUL ROSENMÖLLER

'Verteerd' - het is een woord geworden uit een voortijd toen de geest nog het lichaam kon absorberen. Men werd van binnenuit opgevreten....

Paul Rosenmöller is een overlevende. Hij wordt verteerd. De ascese van het idealisme is bij hem zelfs te horen: aan zijn stem die hees gebrand is. Nog vorige week zag ik hem van zeer dichtbij op de televisie; het ging om een vrij onschuldig interview, maar niets is onschuldig voor de gedrevene. Het gezicht is naar de grondvorm van het binnenwerk teruggegroeid, de nekspieren staan zeer gespannen boven het open overhemd, dat bij hem altijd de gedachten aan de verlossing van de strop oproept, ik zie dat de aderen op de slapen zijn opgezet, kleine bliksemschichten, die het innerlijk vuur verrraden. Zijn handen beven bijna van de pogingen tot overtuigen, magere handen. En onder het overhemd vermoedt men een haast afgestorven lijf. Helemaal vrij van fanatisme is hij niet, maar dat is de verteerde eigen. Ik denk dat de apostel Paulus, in wiens naam hij in zijn roomse jeugd werd gedoopt, een gelijke kop heeft gehad.

Ik betrap me er op, dat zijn betoog nauwelijks tot mij doordringt. Op deze hoogte van heftigheid speelt de inhoud van de woorden bijna geen rol meer: er is alleen taal. En die overtuigt door de toon. Grote ascetische predikers uit het verleden, iemand als Bernardus van Siena, moeten hetzelfde hebben gehad; zij werden niet verstaan, maar begrepen. Als hij in de Tweede Kamer oppositie staat te voeren heb ik hetzelfde: de katheder wordt een preekstoel, daar staat hij, overeind gehouden door zijn laatste krachten - de verteerde lijkt altijd uitgeteerd - alle spieren spannen zich rond het gebeente, maar de geest is altijd overtuigender dan de woorden.

De aankondiging van een interpellatie door hem, vind ik altijd inhoudrijker dan de verkondiging ervan. Maar ik geloof hem. Hoe ongelovig is het parlement geworden: men verwacht gebogen hoofden, zichtbare inkeer, vermorzeling des harten. Maar ze luisteren allemaal met de onkreukbare onverschilligheid die de Tweede Kamer zo reukloos maakt. De wereld is niet te bekeren. Soms, als hij daar in alle broosheid staat, vermoed ik zweetdruppeltjes in zijn krullen: de laatste tekens van vleselijk leven.

Hij heeft een haast ideaal verleden, want het groen en rood van nu contrasteert mooi met het blauw en wit van een zorgeloze jeugd in een welgesteld milieu, waarvan hij de laatste trekken nooit kwijt heeft kunnen raken; zelfs toen hij in 1987 stakingsleider was in de Rotterdamse haven, spiegelde Heemstede zich in het water van de Maas. Hij studeerde sociologie in Amsterdam en die studie volbracht hij op haast ideale wijze: kort voor het kandidaats haakte hij af. Hij was intussen steeds nieuwe links wegen ingeslagen, tot het toenmalige rode plein werd bereikt: het maoïsme. Toen moet het verteringsproces zijn begonnen, in discussies met andere studenten, waarbij men elkaar met het vuur uit de ogen bestreed. En de wetenschap werd steeds theoretischer en uitzichtlozer. Hij ging, en het ideaal wordt steeds volmaakter, in de Rotterdamse haven werken. Er waren toen nogal wat priester-arbeiders onder de leken. Als stakingsleider kwam hij uit de ruimen te voorschijn. Nederland zag hem voor het eerst. En hoorde voor het eerst dat schorre geluid, dat ik toeschreef aan de noodzaak te schreeuwen. Maar het was zijn toen al door idealisme aangetaste stem.

Ik herinner mij mijn grote sympathie voor hem: hij deed mij denken aan een profeten-beeld van een Spaanse beeldhouwer en ik hoorde achter zijn verontwaardigde en opzwepende woorden de oude tekst: 'De rijken zenden hun knechten om water;/ Die gaan naar de putten, maar vinden het niet./ Met lege kruiken keren ze terug,/ Beschaamd en verlegen, het hoofd bedekt.' In de Volkskrant van 24 januari 1987 stond, heel groot, een schitterende foto van Daniel Koning: daar stond Rosenmöller, dertig jaar toen, het gekrulde haar lang, het lijf al mager. Hij strekt de rechterarm uit, de wijsvinger recht: het verwijzingsgebaar naar slechte toestanden buiten. Het gebaar ook dat verantwoording vraagt. Hij lijkt de nonchalance van de heerser te hebben. Voor hem zitten twee arbeiders, de een met een bijna lieflijk moedeloos gezicht, de ander kijkt wantrouwend. Naar wie? Tot wie spreekt Rosenmöller? Wie roept hij ter verantwoording? Achter hem ligt een lege kantine. De profeet in de woestijn. Hebben de arbeiders hem erkend? De werkgevers herkenden hem; zij wisten hem een van hen. En dat maakt onderhandelingen altijd gemakkelijker.

Na Rotterdam verloor ik hem uit het oog. Hij kwam in de Tweede Kamer. En het enige dat indruk op mij maakte, was dat hij geen lijstrekker wilde worden vanwege zijn gezin. En ik dacht even: hij moet een even verteerde vader als politicus zijn. Twee uitersten laten zich echter niet volkomen dienen. Maar hij was, na de verkiezingen van 1994, nog geen fractieleider of hij was alomtegenwoordig. Hij werd weer stakingsleider, tegen het paarse kabinet. En zijn ascetische gestalte begon nu de volmaakte vorm te krijgen. Dat hij nog niet lang geleden in een vraaggesprek zei, nu en dan veel geld uit te geven aan heel goed eten, viel mij wat tegen, het beschadigde iets aan het beeld van de gedrevene die van de heilige lucht leeft. Bij elke kwestie leek hij met zijn laatste krachten te spreken. (Ik dacht soms even aan die kinderen, die elke avond een stervende vader zien thuiskomen.)

Maar - o dat maar - heel geleidelijk begon hij voor mij een iets andere gestalte krijgen. Het vuur in zijn ogen doofde niet, maar het leek steeds meer door plezier te worden aangewakkerd. Zijn stem bleef indrukwekkend hees, maar ging tekenen van gladheid laten horen. Ik begon te vermoeden en toen te vrezen dat Rosenmöller gelukkig werd in het altijd beperkte, want pragmatische spel van de politiek. Hij begon voor mij de kracht van de onbereikbaarheid van het ideaal te verliezen. De profeet begon brood te eten. Hij was zo graag en zo veelvuldig aan het woord dat hij een eenmansfractie leek. En zijn tegenspelers leken zijn vrienden te zijn geworden. Hij leidde zijn staking onder het goedkeurend oog van de werkgevers. Hij was herkend. En daarmee ontzenuwd. En zijn magere gestalte werd nog slechts een uiterlijke herinnering aan de verteerdheid. De politiek krijgt tenslotte alle idealisme klein. Het is in de Tweede Kamer als bij een gijzeling: de gijzelnemers, de meerderheid, worden tenslotte de vrienden van de gegijzelden, de oppositie. Wij zien voortdurend het misschien verschrikkelijkste schouwspel: dat van de verbroedering. Alle wegen leiden tenslotte naar Heemstede.

Misschien schemeren er nog diep in zijn geheugen beelden en ideeën uit zijn roomse jeugd. Hij zal weten, dat ook de grootste heiligen, door God zelf verteerd tot in de ingewanden, nooit vrij zijn geweest van ijdelheid, juist in hun voortdurende betuigingen van nietswaardigheid, dienstbaarheid en eigen zondigheid. In 1995 vroeg Vrij Nederland aan hem: 'Wilt U macht?' Het begin van zijn antwoord luidde: 'Ja. Of liever: nee.' Het vlees blijkt even sterker dan de geest. Misschien bestaat volstrektheid niet. En is Rosenmöller daarom toch voorbeeldig.

Ik zou graag de mening weten van de figuur links op de genoemde foto. Hij heeft melancholische ogen, een treurig hangende snor, hij ziet er wat dik uit in zijn Noorse trui met het jack erover. Zijn rechterarm leunt op een tafel. Van zijn hand zijn alle vingers, behalve de wijsvinger, naar binnen gebogen. Met die heel voorzichtige wijsvinger lijkt hij een kleine correctie te willen aanbrengen. Zijn gebaar wordt genegeerd. Ik voel mij nu enigszins verwant aan zijn uiting van licht ongeloof. Misschien lijdt hij aan de lege kantine, dat voor-beeld van de Tweede Kamer. Daar staat Rosenmöller. Wie hoort hem? In elk geval hijzelf. Te vaak misschien.

Meer over