Column

Paul Brill: schrijft Erdogan geschiedenis als leidsman of gifmenger?

De belangrijkste Turkse leider sinds Atatürk - zo wordt Recep Tayyip Erdogan doorgaans omschreven. Zelf zal hij inmiddels van oordeel zijn dat hij de 'vader van de Turkse republiek' al is voorbijgestreefd qua historische importantie, en zal hij zichzelf veeleer plaatsen op één hoogte met de grote sultans uit het Ottomaanse tijdperk.

Turkse President Recep Tayyip Erdogan Beeld ap
Turkse President Recep Tayyip ErdoganBeeld ap

Met het duizend kamers tellende presidentiële paleis dat hij voor zo'n 600 miljoen euro heeft laten bouwen, heeft hij in elk geval een onderkomen dat sterke herinneringen oproept aan dat roemruchte verleden.

Op het eerste gezicht is er een wereld van verschil tussen Atatürk en Erdogan. Na de ondergang van het Ottomaanse rijk stichtte Atatürk de Turkse republiek en modelleerde het land politiek en cultureel naar westerse snit.

Hoewel de grote meerderheid van de bevolking islamitisch was en bleef, werd de godsdienst aan de rand van het openbare leven gesitueerd.

Erdogan heeft Atatürks seculiere stelsel in een kleine twaalf jaar vergaand ontmanteld. De islam, en wel een conservatieve versie ervan, is terug in het centrum van de politieke arena en rukt op in onderwijs en cultuur. Steeds meer jongeren worden verplicht om een opleiding aan islamitische scholen te volgen; zelfs de kleinzoon van de Turkse opperrabbijn ontkomt er niet aan.

Toch hebben de twee mannen ook iets gemeen, betoogt Soner Cagaptay van het Washington Institute for Near East Policy in een recent artikel. Allebei hebben ze de Turkse maatschappij van bovenaf ingrijpend veranderd. Allebei hebben ze hun wil dwingend weten op te leggen.

Maar daar houdt de analogie ook meteen weer op. Atatürk kwam als militaire redder des vaderlands aan de macht en wist zich gesteund door bijna de gehele intellectuele en bestuurlijke elite.

Erdogan heeft onmiskenbaar ook een zeer toegewijde aanhang; maar praktisch de helft van de bevolking, variërend van liberale alevieten tot misnoegde Koerden, moet weinig tot niets van zijn politiek hebben. Anders dan Atatürk is hij de leider van een diep verdeeld land.

En een land dat, mede door de scheuringen en door Erdogans heerszucht, ten prooi is aan een golf van geweld. Volgens een onafhankelijke telling heeft Turkije het afgelopen jaar meer dan 200 terreuraanslagen te verduren gekregen, waarbij 685 mensen de dood hebben gevonden en ruim 2.000 gewonden zijn gevallen.

Laat er geen misverstand over zijn: de eerste verantwoordelijkheid voor dat geweld ligt bij de terroristen van Islamitische Staat en de Koerdische PKK. Maar Erdogans politiek heeft er beslist aan bijgedragen dat de geweldscurve zo is opgelopen. Want dat IS heeft kunnen uitgroeien tot een gezwel van formaat, is niet in de laatste plaats te wijten aan de halfslachtige houding van Ankara, dat lange tijd jihadistische strijders volop in de gelegenheid heeft gesteld om Turks grondgebied te gebruiken als logistiek achterland.

En Erdogan heeft zelf het begin van een politiek vergelijk met de PKK op het spel gezet toen zijn ambitie om de presidentiële macht uit te breiden dreigde te stuiten op electorale weerstand en hij welbewust de anti-Koerdische kaart speelde. Zijn weigering om een helpende hand toe te steken aan de Syrische Koerden in het belegerde Kobani vervreemdde zijn Koerdische landgenoten nog verder van hem.

Nu lijkt Erdogan de bakens enigszins te verzetten: met het bestandsakkoord over Syrië, waarvan de regie berust bij Rusland en Turkije, erkent hij dat de val van het regime-Assad niet langer de Turkse prioriteit kan zijn. Er vallen veel vraagtekens te zetten bij het beperkte draagvlak en de houdbaarheid van dat akkoord. Om nog maar te zwijgen van de gevolgen van de Turkse Alleingang voor de verhoudingen binnen de NAVO. Maar het is in elk geval een serieus te nemen poging om de politieke impasse te doorbreken.

Het zal Turkije evenwel niet uit de brand helpen als het gif van de verdeeldheid voortwoekert. Die verdeeldheid kreeg afgelopen week een navrante stem in de sociale media, waar velen de aanslag op de nachtclub in Istanbul betitelden als het verdiende loon voor lieden die zich op een niet-islamitisch feest te buiten waren gegaan aan drank en vrolijkheid.

Wat niet los kan worden gezien van de laatdunkendheid waarmee hun president eerder sprak over 'bevoorrechte' seculieren die zijn blijven steken in het 'oude Turkije' en 'aan hun whisky nippen terwijl ze genieten van het uitzicht over de Bosporus'.

Paul Brill is buitenlandcommentator van de Volkskrant. Reageren? p.brill@volkskrant.nl

Meer over