Column

Paul Brill: 'Het Westerse prestige heeft betere dagen gekend'

Het valt moeilijk te ontkennen dat Washington heeft ingeboet aan geloofwaardigheid en prestige, schrijft Paul Brill. 'Deels wellicht onvermijdelijk, maar toch ook het gevolg van onderschatting van de tegenkrachten in de wereld.'

Catherine Ashton, buitenland-vertegenwoordigster van de EU. Beeld afp
Catherine Ashton, buitenland-vertegenwoordigster van de EU.Beeld afp

Omdat alle ogen waren gericht op de bankenunie, heeft het niet veel aandacht gekregen, maar de Europese regeringsleiders hebben zich afgelopen week ook gebogen over een ander beladen dossier. Namelijk het beter op elkaar afstemmen van de defensie-inspanningen, variërend van de productie van militair materieel tot de uitoefening van specifieke veiligheidstaken.

Dit is typisch zo'n onderwerp waarbij goede communautaire bedoelingen en harde nationale belangen voortdurend met elkaar botsen. Vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie hebben grote budgettaire problemen en snoeien in de defensie-uitgaven. Om de pijn daarvan te verzachten, ligt meer internationale samenwerking voor de hand. Er is bovendien veel voor te zeggen dat de Europese Unie, die voor zichzelf een hoofdrol op het wereldtoneel opeist, ook militair iets om het lijf krijgt. Om dat te bevorderen bestaat er officieel een Common Security and Defence Policy, een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, en zijn er sinds een kleine tien jaar zelfs twee snel inzetbare EU-bataljons, die evenwel nog nooit het slagveld hebben betreden.

Inzet van troepen
Maar ja, als puntje bij paaltje komt, willen de lidstaten hun eigen defensie-industrie niet laten vallen. Nog een grote hinderpaal: niemand staat te trappelen om de beslissing over de inzet van troepen - potentieel een beslissing over leven en dood van de betrokken militairen - over te hevelen naar een supranationaal niveau, want dit raakt de kern van de nationale soevereiniteit. En dan is er ook nog eens de vraag of de EU geen dingen gaat doen die prima zijn ondergebracht bij de NAVO - al zijn de dagen voorbij dat Washington elke (schijn)beweging richting een aparte Europese defensie-entiteit zag als een ondermijning van de Atlantisch alliantie.

Er zijn nu weer twee stapjes gezet. De EU-landen gaan vliegtuigen bouwen die militaire toestellen in de lucht kunnen bijtanken, iets waarvoor ze momenteel afhankelijk zijn van de Verenigde Staten. Ook moeten er Europese drones komen, al zal dat nog wel een tiental jaren duren. Maar er was in Brussel geen overeenstemming over een speciaal Europees fonds voor vredesoperaties, zoals Frankrijk wilde.

Zou Catherine Ashton, buitenland-vertegenwoordigster van de EU, toch tevreden zijn? Een paar dagen vóór de top schreef ze een opiniestuk voor de Wall Street Journal onder de strijdvaardige kop: To Secure Peace, Be Ready for Battle. Ik moest er wel een beetje om lachen: zo'n martiale oproep van de barones die welhaast de belichaming is van Europa's diepe geloof in soft power, afgedrukt in een conservatieve krant die niet alleen Europa maar ook de VS geregeld beticht van slappe knieën. En nog wel op een moment dat de EU bezig was een geduchte machtspolitieke nederlaag te lijden. Want hoe je het ook wendt of keert, dát is de geopolitieke implicatie van de gebeurtenissen in Oekraïne, waar Moskou meer gewicht in de schaal heeft gelegd dan Brussel.

Strategisch tekort
Wat die nederlaag extra pijnlijk maakt, is dat er in de Europese beleidscentra slechts op besmuikte wijze wordt nagedacht over de internationale constellatie en hoe Europa daarin zo krachtig mogelijk kan opereren. En helaas doet dat strategische tekort zich eigenlijk ook voor in Washington. Het blikveld is daar breder dan in Europa, maar er is toch ook een sterke neiging om alle problemen afzonderlijk te bezien, zonder een omvattende notie van de stand van de wereld in machtspolitiek opzicht.

De historicus Walter Russell Mead schreef er een prikkelend stuk over in The American Interest. Hij betoogt daarin dat president Obama's streven om de Amerikaanse over-commitments te reduceren is doorgeslagen en de machtsverhoudingen heeft doen kantelen in het voordeel van wat hij, vilein, de centrale mogendheden noemt: Rusland, China en Iran. Niet vanwege eclatante nederlagen, maar stukje bij beetje, door compromissen te sluiten die op zichzelf begrijpelijk zijn en ook een positieve kant hebben (zoals het akkoord met Iran), maar die bij elkaar het beeld van een weifelmoedige supermacht opleveren.

Ik vind dat Mead een en ander wat te schril beschrijft, dat hij de verschillen tussen de drie 'uitdagers' bagatelliseert en lichtvaardig heenstapt over de afgenomen animo in de VS zelf voor een activistische buitenlandse politiek. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat Washington heeft ingeboet aan geloofwaardigheid en prestige. Deels wellicht onvermijdelijk, maar toch ook het gevolg van onderschatting van de tegenkrachten in de wereld. Te gemakkelijk wordt ervan uitgegaan dat vrijheid en democratie uiteindelijk wel zullen zegevieren als we maar met zachte hand te werk gaan en de bloemen laten bloeien.

Paul Brill is buitenland- commentator van de Volkskrant
Reageren? p.brill@volkskrant.nl

Meer over