Pastoor en kindermoordenaar tegelijk Jan Decleir speelt een 'lichtvoetige' Meneer Paul

Was hij maar Orson Welles, zo'n 'King Actor' die altijd in de weg loopt, aandacht opeist en krijgt. Want dàt wil Jan Decleir (49): aandacht....

MARIAN BUIJS

VANUIT zijn caféstoel kijkt hij af en toe naar de overkant, waar een drom mensen trappelt in de kou voor de nog donkere schouwburg in Leuven. Over drie kwartier zal zijn stem daar door de ruimte buitelen als die van Meneer Paul, de ongrijpbare titelheld uit het stuk van Tankred Dorst dat vorig seizoen werd uitgeroepen tot het beste van Duitsland. De rol is het zoveelste hoogtepunt in de carrière van Jan Decleir. En het is een keerpunt. De Vlaamse toneelgigant die kon ronken en briesen, leek te behoren tot een vrijwel uitgestorven generatie acteurs. Maar de laatste jaren is zijn spel intiemer geworden, ingehouden en breekbaar.

Is het theaterbeest tot rust gekomen? Of heeft Decleir bij de Blauwe Maandag Compagnie weer een inspirerende bedding gevonden?

Luk Perceval, regisseur van de Blauwe Maandag, vroeg Decleir - tien jaar solotoneel achter de rug - voor een rol in De Meeuw. 'Luk Perceval zei: ''Gij hebt in uw leven zoveel uitgestoten dat het de taak van een gezelschap is u onderdak te geven.'' Sinds twee jaar ben ik hier actor in residence. Ik doe hooguit één produktie per seizoen. En dat bevalt.'

Decleir is hier onder vrienden, actrice Brit Alen, ook bij het gezelschap, is zijn vriendin. Het onderwerp of de stijl maakt hem niet uit, als hij maar met de juiste mensen werkt. Met zijn medespelers moet hij een vriendschapsrelatie hebben. 'Of de kans daartoe moet bestaan, dan is er ongelooflijk veel mogelijk. Het is allemaal een kwestie van vertrouwen.'

Als Meneer Paul is hij de voormalige eigenaar van een in onbruik geraakte zeepziederij waarvan een moderne ondernemer een gestroomlijnde wasserij wil maken. Paul huist met zijn zuster in de vervallen fabriek en weigert plaats te maken voor de vooruitgang. De jonge fabrikant probeert hem over te halen, maar Meneer Paul tergt zijn bezoeker dermate dat die buiten zichzelf raakt en de oude man letterlijk in mootjes hakt. Maar Paul herrijst en loopt even later doodleuk de toneelvloer weer op. Als de onuitroeibare vrije geest die zich verzet tegen de blinde dadendrang waaraan dit tijdsgewricht lijdt.

De Duitse voorstellingen gingen gebukt onder een vracht symboliek, men verwees naar de Ossi's en Wessi's, en de zeepziederij stond voor het telkens opduikende nazi-verleden. Bij de Blauwe Maandag Compagnie is gekozen voor een meer algemene betekenis, en de taal werd vervlaamst door Pjeroo Robjee, die er ook een flinke scheut humor aan toevoegde.

Unaniem loofde de Vlaamse kritiek het spel van Decleir. Als Meneer Paul is hij een zonderlinge combinatie van monnik, zwerver en charmeur. Met duivelse trekjes. De bewegingen en de oogopslag van een kind, de taal van een belezen heremiet, en het voetenwerk van een ballerina. Onmiskenbaar is hij het hart van de voorstelling, een sprookjesfiguur van vlees en bloed die leeft in een wondere wereld en niet buigt voor de macht van het geld. Zijn forse lijf is slechts gehuld in een voddig rokje, hangend aan twee bretels.

'De costumière wilde mij een echte kilt aan geven. Die stond me wel mooi, maar ik vond het te duidelijk. Dat ding moest bovendien worden gehuurd voor veel geld. Dus ik zei: ''Maak maar zo'n vodje voor de repetitie.'' Na drie weken wilde ik dat niet meer kwijt. Het is heel belangrijk om de repetities mee te nemen de voorstelling in. Vroeger pakte je een jasje, je deed rare laarzen aan, daar repeteerde je mee. Dan kwam er in de laatste week een kostuumontwerpster met allerlei keurige dingen en hup, je repetitie was weg.

'In het begin ging ik ervan uit dat Paul letterlijk onbeweeglijk was. Dat hij in praktijk bracht waar hij theoretisch voor staat: de onwrikbare mens die het nietsdoen propageert als tegenwicht tegen alle dadendrang. Maar daar liepen we helemaal mee vast. Mijn grootste probleem was dat hij daardoor te veel een symbool werd, niet menselijk meer. Uiteindelijk is hij heel lichtvoetig en beweeglijk geworden. Ook zijn zwakke kanten doken op: wraakgevoelens, hij heeft iets satanisch. Door al die ontdekkingen in die ene rare man te steken, is er zo'n dwaas kereltje ontstaan.'

MET DE uitdrukking 'in de huid kruipen van' heeft Decleir niet veel op. 'Het kan gewoon niet. De omgekeerde weg is beter, je moet het in jezelf zoeken. Pastoor Daens, de voorvechter van het goede, zit net zo goed in mij als de kindermoordenaar Gilles de Ray. Dat kan ook het maatschappelijk belang zijn van theater, omdat we moeten erkennen dat alle gruwelijkheden waar het theater zich van bedient, ook in onszelf zitten. Een maatschappij wordt pas gevaarlijk als die dingen ontkend worden.'

Decleir komt uit een Vlaams werkmansgezin. 'Mijn vader was een warme, boeiende man die ons wel een aantal waarden meegaf, maar die niet in staat was zich materieel te verbeteren. Ik bewonder mijn moeder zaliger nog altijd dat ze het met zo weinig voor elkaar kreeg. We gingen wel naar het theater, dat was het enige dat mijn ouders zich permitteerden.

'School ging absoluut niet, met veertien kon ik naar de Academie voor Schone Kunsten - beeldhouwen, etsen, graveren - in afwachting van het ingangsexamen voor de Studio Teirlinck, de toneelschool. Net als mijn oudere broer Dirk die ik mateloos bewonderde. Ik maakte decors voor hem, later speelden we samen, we hadden plannen voor een serie met Hugo Claus toen Dirk in '74 verongelukte. Dat is er dus nooit van gekomen.'

Zelf had Jan Decleir toen net zijn grote succes achter de rug: Mistero Buffo van Dario Fo. Het passieverhaal als puur volkstheater, gespeeld door De Nieuwe Scène, een bevlogen collectief. Ze reisden er heel Europa mee door.

'Na de Nieuwe Scène kon ik niet meteen terug een gezelschap in stappen. Waar moest ik heen? Weer in de lijn gaan lopen van maandagochtend lezen op de gang welk stuk gespeeld gaat worden en hoe de rolverdeling is? Dat was ondenkbaar. Ik moest bij het begin al een vinger in de pap hebben, anders interesseerde het mij niet. Vandaar dat ik uiteindelijk alleen begonnen ben. Ook op aandrang van Dario Fo, die wilde dat ik zijn verhalen zou gaan spelen. Ik durfde het niet. Hoewel iedereen het tegendeel verwacht, zit er iets heel bescheidens in deze man. Daarom heb ik er zo lang mee gewacht. Dat ik het uiteindelijk toch heb gedaan, is misschien wel de grootste sprong die ik heb gemaakt.'

Jan zonder vrees, Obscene fabels - Decleir had succes met zijn monologen. Ten slotte stak hij al zijn spaarcenten in een eigen produktie, Wolfsklem. 'Aan die onderneming ben ik volledig failliet gegaan. Niemand wilde meer meedoen, ze werden er alleen maar armer van.' Hij trok zich terug uit zijn eigen produktiebureau, dat sindsdien werkt voor groepen als De Tijd en de Blauwe Maandag.

'Toen werd het tijd dat Luk me kwam halen en ik weer in een gezelschap kwam spelen. Die solo's waren plezierig, maar echt theater is groots en meeslepend, dat kun je bijna niet alleen. Al had ik met teksten van Robjee en Claus nooit het gevoel alleen te zijn. Goeie teksten geven je heel veel, maar als verteller is het hard werken om de mensen te laten geloven dat je over de scène vliegt en dat er paarden galopperen in veldslagen. Je bent een soort motor voor de verbeelding van je gehoor. Dat doe je als acteur natuurlijk net zo. Als ik Antonius speel, stá ik daar voor de zeeën met duizenden krijgers. Zo simpel zit het wat mij betreft in elkaar, ik geloof het allemaal, en ik vind het heerlijk om dat te geloven.'

Was hij als Antonius in All for Love nog de kolossale acteur die de verzen liet rollen, in zijn liefdesverdriet leek hij een gewonde leeuw. Voor zijn doen ongewoon kwetsbaar. Vorig seizoen onderging hij in Vrijen met dieren een metamorfose: een zielepoot, klein, gedrongen, met een burgerlijk brilletje op zijn neus, samen met de lange, magere Peter van den Begin een komisch duo. Nu, als Meneer Paul, is hij groots, maar tegelijk ontwapenend in zijn onschuld, een wijs kind van tachtig. Hij staat letterlijk en figuurlijk in zijn hemd. Alle uiterlijke grandeur lijkt verdwenen, maar zijn virtuositeit is zonder die opsmuk indrukwekkender dan ooit.

Die verandering in zijn spel heeft mede te maken met het lesgeven van de laatste jaren. Door de vragen die hij zijn studenten van Studio Teirlinck stelde, werd hij zelf ook gedwongen na te denken. 'Ik ging mijzelf ook dingen afvragen. Ik had geen zin om mijn kunsten ten toon te spreiden met de boodschap: doe het maar na. Vroeger had acteren voor mij toch meer te maken met ijdelheid, met het publiek. Dat is niet meer zo. Waarbij ik niet mag verhelen, als men achteraf met complimenten komt, dat ik ze dan nog steeds graag aanhoor.'

Volgend jaar doet Perceval bij de Blauwe Maandag alle koningsdrama's van Shakespeare. In het begin brengt Decleir alleen een brief op. 'Dat doe ik met evenveel engagement als Richard III spelen aan het slot. Nou geef ik wel toe, als ik alleen die brief op zou dragen, zou het verhaal anders zijn.'

Sinds 1991 is Decleir behalve acteur ook artistiek leider van de Antwerpse toneelschool, de Studio Herman Teirlinck. 'De vroegere directeur nam afscheid, en men wilde daar mensen installeren over wie ik dacht: dat mag niet. Daarvoor is de erfenis van Teirlinck te kostbaar. We ondernamen actie, en ik dacht: als ik ga ageren dan moet ik ook de verantwoordelijkheid nemen en bewijzen dat het anders kan.'

Hij deed het alleen omdat het moest. Als hij er straks vijf jaar is, heeft het lang genoeg geduurd, dan moet een jonger iemand die fakkel weer overnemen. 'Teirlinck zag de acteur als de spil van elke voorstelling en niet als een reproducerend kunstenaar. Wij leggen daarom een grote verantwoordelijkheid bij de studenten zelf. Niks moet. Dat betekent dus wel dat ze dingen moeten ondernemen. Maar het gaat om hun persoonlijkheid, die proberen we hier te versterken. Ik probeer ze alleen maar vertrouwen te schenken en speel geen dondergod waarop men uit louter angst reageert. In mijn jeugd bestond heel het onderwijs uit tirannen, mensen die met bordenvegers door de klas gooiden. Ik heb een slechtere herinnering aan school dan aan het leger.'

Decleir is bezig met een vierde klas van Studio Teirlinck in Antwerpen. De zes aspirant-acteurs doen een improvisatie-oefening. Hij kijkt, lacht af en toe, en zwijgt. Na afloop is hij lovend, geeft een paar aanwijzingen. Is hij hun toneelvader? 'Pfff, nou nee. Je probeert ze een beetje te koesteren in de wetenschap dat dat niet zo gauw zal gebeuren in hun verdere leven. Als je ze vergelijkt met je eigen kinderen, wat moet je doen?'

Zijn eigen zoon en dochter hebben het spoor van hun vader gevolgd. 'Mijn dochter speelt bij Franz Marijnen in Brussel, mijn zoon zit hier op school. Hij is getest en aangenomen door anderen. Ik heb zelf aan mijn dochter les gegeven, die zat in haar laatste jaar toen ik hier kwam. Dat ging goed. Door mijn scheiding heb ik haar gemist in haar jeugd, nu was het een zeer warme ontmoeting. Dat ze hetzelfde pad op gaan, geeft ook een grote bekommernis omdat ik weet hoe moeilijk het is. Met gelukkig worden in dit vak heb ik al afgerekend, toch denk je daar anders over als het je kinderen betreft. Maar ik ben wel trots als ik ze bezig zie en als ze goed zijn is het helemaal prachtig.'

Hoe Antonia in Nederland loopt, wil hij weten. In België is de film nog niet uit. Decleir speelt een stugge boer naast Willeke van Ammelrooy, een matrone, en vormt het middelpunt van een uitdijende familie. Toch weer een boer, al zwoer hij nooit meer een boer te zullen spelen. Zijn rug is krommer, zijn lijf corpulenter, zijn blik is meer naar binnen gekeerd, maar nog net zo indringend als bij zijn filmdebuut in Mira, 1971. Toen ook met Van Ammelrooy, piepjong en beeldschoon, hij als jeune premier, wild, met donkere, vuur schietende ogen.

Hij doet het graag, film - spelen is spelen. 'Film is in tegenstelling tot wat mensen meestal denken, veel verder weg van de realiteit dan theater. In film is alles beraamd, het is een grote trukendoos. Als de bak met uien onder het kader klaar staat, er rolt een traan en de violen zetten op het juiste moment in, dan haalt iedereen zijn zakdoek tevoorschijn en denkt ach, wat spelen ze de planken uit de vloer. Dat leugenachtige vind ik aan film geweldig. Theater is toch meer hier en nu in tegenwoordigheid van een alert publiek.'

HET JONGE publiek kent hem vooral van de televisie, als Sil, de strandjutter. En twee jaar geleden werd hij beroemd met Daens, waarin hij een verbeten pastoor speelt die knokt voor de armen. 'Ik was zeer vereerd. Mijn grootvader was Daensist. En ik ben natuurlijk een groot bewonderaar van Louis Paul Boon. Je kunt daar tien verschillende films over maken. Interessanter, harder waarschijnlijk. Maar of het dan nog een publieksfilm is, is de vraag. En dat was de opdracht.' Het meeste werk was het script. Het oorspronkelijke scenario vond hij niet goed, de dialogen werden herschreven, en scène voor scène heeft hij het samen met de regisseur bewerkt. 'Toen we eenmaal gingen draaien was het een kwestie van een soutane aantrekken en doen.'

Hij is geen acteur die zich lang van tevoren concentreert. Ook niet in het theater. 'Ik ben nogal oneerbiedig. Als het gezelschap zou verlangen dat we een uur van tevoren zouden mediteren of bidden, zou ik meedoen. Nu dat niet hoeft, kan ik rustig tot kort voor de voorstelling een pintje pakken of in gesprek zijn. Het is gewoon een knop omdraaien. Als ik de scène opkom, gebeurt het. Daarvoor niet.'

Ambitie om zelf te regisseren mist hij. Spelen is hem het liefst. Maar is een gepokt en gemazeld acteur als hij wel te regisseren? 'Ik ben een lam', fleemt hij. Natuurlijk volgt hij elke aanwijzing, als die maar zin heeft en als de sfeer ernaar is. 'Ik vind altijd wel dat ik te weinig aandacht krijg.'

Ach, laat hem nog maar een tijdje zo aanmodderen met vrienden. Binnenkort wordt hij vijftig, hij 'springt niet meer over het stokje', maar hij heeft geen klagen, aan de streep is hij nog niet. Voor terugblikken is het nog te vroeg. 'Ik wou dat ik Orson Welles was en kon zeggen I am a King Actor. Zo'n acteur is aan het stardom voorbij, vraagt onzinnig veel aandacht en loopt steeds in de weg. Die vraag je alleen in een groep als het echt niet anders kan.'

Meneer Paul door de Blauwe Maandag Compagnie, 9 januari tot en met 13 januari in Stadsschouwburg Amsterdam, daarna tournee.

Meer over