Partijverbod helpt Turkse democratie niet vooruit

Met het sanctioneren van het verbod van de Turkse Welzijnspartij begeeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zich op gevaarlijk terrein....

HET Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft in de loop der jaren een hele reeks beslissingen genomen in zaken waarin Turkse burgers klagen tegen hun regering. In dat land komen helaas veel schendingen voor van rechten vastgelegd in de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens (1950).

Die schendingen betreffen, naast het optreden van politie en justitie, vooral beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en van de vrijheid van vereniging en vergadering. Het gaat daarbij om groepen die de eenheid van Turkije bedreigen door te pleiten voor autonomie, of die een bedreiging vormen voor het seculiere karakter van de staat (zoals door invoering van de sharia, het islamitisch recht). Zelfs het ter discussie stellen van deze in de grondwet vastgelegde beginselen geldt reeds als hoogverraad.

In andere Europese landen is van strafbaarstelling pas sprake als gepoogd zou worden om deze doelstellingen langs onwettige weg, bijvoorbeeld door middel van geweld, door te zetten.

Tijdens een openbaar debat dat ik in het kader van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa eind mei in Istanboel voerde met de Turkse minister van Justitie vroeg deze retorisch: 'Maar bij U mag iemand toch ook niet pleiten voor afscheiding van gebiedsdelen?' Hij was zeer verbaasd toen ik antwoordde dat dit bij ons vanzelfsprekend geheel vrij was. Praten mag je altijd, maar handelen mag je alleen langs democratische weg.

In de afgelopen jaren zijn drie partijen verboden door het Constitutionele Hof van Turkije: de Özdep-partij, de Communistische Partij en de Socialistische Partij. In alle drie gevallen werden ze vooral verboden omdat zij zelfbeschikking van de Koerdische bevolkingsgroep nastreefden, dus de eenheid van de staat bedreigden. In alle gevallen heeft het Hof Turkije veroordeeld.

De Conventie sluit een partijverbod op zich niet uit, maar zo'n verbod moet wel op de wet berusten; het doel moet in verhouding staan tot het gebruikte middel, en er moet een dringende maatschappelijke noodzaak voor zo'n maatregel bestaan, bijvoorbeeld om ophitsing tot geweld te voorkomen. Daaraan voldeden de zaken tegen deze partijen niet, volgens het Hof.

Daarom is de beslissing van het Straatsburgse Hof van 31 juli (in het Frans te vinden op www.echr. coe.int) met enige verbazing ontvangen. De Volkskrant berichtte op 1 augustus ('Europees Hof geeft goedkeuring aan Turks partijverbod') dat de beslissing van de Turkse rechter in 1998 om de Refah- of Welzijnspartij (WP) te verbieden niet gestuit is op dezelfde bezwaren die het Hof in de drie eerdere kwesties hanteerde.

Het ging bij de WP wel om een veel belangrijkere organisatie dan die eerdere drie. De WP bestond in 1998 al ruim veertien jaar, was de op een na grootste partij en had zelfs gedurende twee jaar de premier geleverd, Erbakan.

De regering had het verbod gevorderd omdat de partij uit zou zijn op het omvormen van Turkije tot een islamitische staat. Dat stond weliswaar niet in de statuten of in het verkiezingsprogram van de Welzijnspartij, maar dat was alleen om een verbod te ontlopen. Iedereen wist, zei de regering (lees: zei het leger) dat de partij hierop uit was. Dat werd ook bewezen, zei ze, door openbare uitspraken van voorlieden als Erbakan.

De WP ging in beroep bij het Straatsburgse Hof, dat nu, drie jaar later uitspraak doet, overigens kort nadat de opvolgster van de WP, de Fezilet-partij (Deugdpartij) op 22 juni eveneens werd verboden, en zelfs aan twee leden daarvan het lidmaatschap van de Grote Nationale Vergadering (het parlement) werd ontnomen, een sanctie die in 1993 zelfs aan een hele fractie (die van de DEP-partij) werd opgelegd.

Als je zulke sancties treft tegen een van de drie grote partijen, dan kun je moeilijk volhouden dat je extremisten aan het bestrijden bent (wat het Hof in de drie andere gevallen al niet aanvaardde). Dan is dat een ingreep in het democratisch proces. Daar moet je dan wel erg goede redenen voor hebben, gezien de eisen van het Hof in Straatsburg van proportionaliteit en van democratische noodzaak.

Die waren er, volgens vier van de zeven rechters. Misschien moet ik zeggen drie van de vijf. Want bij de meerderheid zat een Turkse rechter (het betrokken land is altijd een van de rechters in de zaak) en bij de minderheid een Grieks-Cypriotische rechter. Misschien doe ik ze beide onrecht, maar ze hebben de schijn tegen dat ze respectievelijk het Turkse en het anti-Turkse standpunt tot het hunne hebben gemaakt.

De minderheid, waartoe ook de de Britse en de Albanese rechter behoorden, schreef een 'dissenting opinion', een andersluidende mening. Doorslaggevend lijkt mij hun argument dat in een democratie verscheidenheid van mening wezenlijk is. En dat het niet aangaat om uitspraken van politici te gebruiken om op grond daarvan een partij te verbieden, als noch het program van die partij noch haar feitelijke werkzaamheid een dergelijke repressie rechtvaardigt. Je moet toch je standpunt kunnen verdedigen, zodat anderen dat kunnen tegenspreken, waarna de kiezer beslist?

Het lijkt wel de situatie van twee jaar geleden, toen de Europese Unie zich zo blameerde inzake Oostenrijk. Daar was de rechts-nationale partij (FP & Ouml;) van Haider als kleinere coalitiepartner opgenomen in de regering, zij het nadat president Klestil Haider had gedwongen een verklaring te tekenen dat hij de grondslagen van de rechtsstaat en de democratie zou respecteren.

Noch de partij noch de regeringsverklaring bevatte iets dat strijdig was met deze uitgangspunten. Ook de daden bleken achteraf niet, althans niet op deze gronden, betwistbaar. De Europese Unie ging af als een gieter. Dat komt er van als je uitingen (in casu van Haider) bestrijdt, in plaats van te wachten of er ook daden volgen. Zo ook hier (behoorde daarom de Oostenrijkse rechter bij de minderheid van Hof, als ervaringsdeskundige?).

De meerderheid vond dat de kans dat de WP de Turkse staats orde zou islamiseren voldoende waarschijnlijk om hier een dringende maatschappelijke noodzaak tot een verbod aanwezig te achten. Ik erken dat invoering van een islamitische staatsorde afbreuk doet aan wezenlijke beginselen van de mensenrechten, van de rechtsstaat en de democratie. Het Hof komt echter op gevaarlijk terrein wanneer het vreedzame meningsuitingen, hoe discutabel ook, voldoende grondslag vindt voor een zo vergaande maatregel.

Wat blijft er dan over van het politieke pluralisme? En waarom vielen uitspraken van Turkse Koerden over zelfbeschikking dan wél onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, en werd Turkije in die gevallen veroordeeld wegens schending van de Europese Conventie?

Het Hof hanteert een beginsel, waarbij het aan de betrokken staat een 'margin of appreciation' (bandbreedte van eigen waardering) gunt, om te beoordelen of bepaalde maatregelen die de grondrechten inperken nodig zijn. Het kan zijn dat de meerderheid ruimte wilde laten voor de inderdaad moeilijke situatie op dit punt in Turkije. Maar beter is het om de kiezer, niet de rechter, te laten oordelen over partijen. De Fezilet-partij was, al voordat ook zij verboden werd, uit elkaar gevallen door interne verdeeldheid. Zo ging het met Le Pen in Frankrijk, zo gaat het hopelijk met Haiders partij in Oostenrijk.

Trouwens, de Welzijnspartij kan nog in beroep gaan bij de Grote Kamer van het Hof in Straatsburg. Daar oordelen achttien andere rechters opnieuw.

Meer over