Partijen onthand zonder rekenaars

Kiezers missen cruciale informatie, nu het planbureau de koopkrachtplaatjes niet heeft doorgerekend...

amsterdam Nederlanders hebben een zekere obsessie voor koopkrachtplaatjes. Ze willen heel precies weten wie welke financiële prijs betaalt van de genomen maatregelen, en ook wie profiteert natuurlijk. ‘Wij Nederlanders zijn erg bezig met de vraag hoe de koek wordt verdeeld’, zegt Leo van der Geest, directeur van onderzoeksinstituut Nyfer. ‘In de Verenigde Staten of Groot-Brittannië spelen dit soort debatten helemaal niet.’

Gelukkig heeft Nederland het Centraal Planbureau (CPB), dat voor alle verkiezingen precies in kaart brengt bij wie de lusten en de lasten terechtkomen in de diverse partijprogramma’s. Een dergelijk instituut is uniek in de wereld. Voor deze verkiezingen heeft het CPB echter voor het eerst in jaren geen koopkrachtplaatjes gemaakt. De tijd ontbrak.

Politici zijn daardoor enigszins onthand. Omdat er geen duidelijke cijfers over zijn, kan iedereen maar wat roepen en elkaar allerlei beschuldigingen naar het hoofd slingeren, waarvan het waarheidsgehalte niet te controleren is.

Door tijdgebrek heeft het planbureau meer berekeningen moeten schrappen – het legt daar zelf overigens uitgebreid verantwoording over af. De uitkomsten geven hierdoor een vervormd beeld van de economische werkelijkheid. Sommige maatregelen en partijprogramma’s komen er beduidend gunstiger uit. Anderen beduidend minder gunstig.

1. De koopkrachtplaatjes
Bij de vorige verkiezingen bracht het CPB precies in kaart hoe de pijn en het genot van de overheidsmaatregelen over de bevolkingsgroepen werden verdeeld bij de diverse partijprogramma’s. Daartoe werden zes categorieën onderscheiden: werkende eenverdieners, werkende tweeverdieners, werkende alleenstaanden, alleenstaande uitkeringsgerechtigden, 65-plus tweeverdieners en 65-plus alleenstaanden. Per categorie werden duizenden gevallen doorgerekend en uiteindelijk werd hieruit de gemiddelde koopkrachtstijging afgeleid. Een tijdrovende klus.

Het enige dat het CPB dit keer heeft gepubliceerd, is het totale koopkrachtverlies voor alle Nederlanders, zonder onderscheid te maken naar inkomenscategorieën. Het CPB doet wel kwalitatieve uitspraken over de inkomensverdeling, maar een cijfermatige vergelijking tussen de partijen is niet mogelijk. Over het VVD-programma schrijft het CPB bijvoorbeeld: ‘De beperking van de zorgtoeslag treft vooral lagere en middeninkomens.’ En: ‘De koppeling van uitkeringen aan de inflatie en de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het sociaal minimum voor de bijstand treffen de lagere inkomens.’

Het is echter niet eenvoudig om een vergelijking te maken tussen de partijen. En dat is een omissie, vindt Bas Jacobs, hoogleraar economie in Rotterdam. ‘Om maatschappelijk draagvlak te creëren, moet je ook zicht hebben op de inkomenseffecten.’

2. Effecten van partijprogramma’s op de middellange termijn zijn niet in kaart gebracht.
Emile Roemer van de SP kreeg woensdag in het lijsttrekkersdebat voor de voeten geworpen dat zijn programma slecht was voor de economie. Het CPB had immers geconcludeerd dat er 80 duizend banen verloren zouden gaan, mocht de SP de absolute meerderheid krijgen. Roemer verweerde zich kranig. ‘Deze crisis is een crisis in de vraag.’ Nu bedrijven en consumenten de hand nog steeds op de knip houden, zou het heel onverstandig zijn als de overheid ook hard gaat bezuinigen, vindt hij.

Roemer heeft een punt, maar kan dit nu niet cijfermatig onderbouwen. Het Centraal Planbureau heeft dit keer namelijk geen middellange termijn berekeningen gemaakt. Ook voor deze berekeningen ontbrak eenvoudigweg de tijd, zegt Jacqueline Timmerhuis, woordvoerder van het CPB. ‘Als we het wel hadden gedaan, waren we een paar dagen voor 9 juni klaar geweest. Dan was het veel te politiek geworden.’

Welke effecten de maatregelen de komende vijf à tien jaar hebben, blijft dus onduidelijk. Het planbureau doet alleen duidelijke uitspraken over de Nederlandse economie in 2040.

‘Het CPB hoort het hele speelveld in kaart te brengen, nu is de helft eraf gehakt’, zegt Lans Bovenberg, hoogleraar economie in Tilburg. ‘Een van de belangrijkste vragen is of je de economie niet al te zeer onder druk zet door nu harde bezuinigen door te voeren. Die vraag wordt niet beantwoord door het CPB .’

Het gevolg is ook dat de hardste bezuinigers in de CPB-analyse worden gespaard. Harde bezuinigingen zijn op lange termijn vaak gunstig, maar kunnen op korte en middellange termijn juist zeer veel schade aanrichten. ‘De bezuinigingen kunnen een zeer negatief effect hebben op de vraag’, zegt Lans Bovenberg. ‘Dat hebben we nu niet in beeld. Partijen die zich meer op de lange termijn richten, worden daardoor bevoordeeld ten opzichte van partijen die de korte termijn vraag proberen te stimuleren.’

In een middellange termijnberekening komen normaal gesproken vragen aan de orde als: een partij kan wel ambtenaren ontslaan, maar wat schiet hij daarmee op als ze vervolgens een WW-uitkering krijgen?

Of: een partij kan de huren wel verhogen, maar dat betekent ook dat de huurder minder geld te besteden heeft, wat weer slecht nieuws is voor winkeliers en de economie als geheel.

3. Bezuinigingen waarmee na 2015 wordt begonnen, telt het CPB niet mee.
Wie de AOW-leeftijd wil verhogen, is door het CPB min of meer gedwongen om dat uiterlijk in 2015 te doen. Anders telt het planbureau de maatregel niet mee bij het in kaart brengen van de bezuinigingen. De PvdA, die de verhoging pas in 2020 wil doorvoeren, moest hierdoor een beetje frauderen. Tegen het CPB vertelde partijleider Job Cohen (PvdA) dat hij het toch in 2015 ging doen.

De eis van het CPB is niet onredelijk, vindt Lans Bovenberg. ‘Anders kunnen partijen allerlei mooie dingen beloven. De Europese Commissie laat dit wel toe, als landen hun lange termijnplannen indienen. Hierdoor doet Italië het volgens de commissie geweldig. De Italiaanse regering heeft namelijk beloofd dat de pensioenen in de toekomst zullen achterlopen bij de welvaartsontwikkeling van jongeren, maar maatregelen om dat voor elkaar te krijgen zijn nog niet genomen. Het CPB moet ergens een grens trekken en die grens zal altijd arbitrair zijn.’

Vakbonden en werkgevers liepen vorig jaar ook al tegen deze grens aan. Ze hadden van het kabinet de opdracht gekregen om 4 miljard te bezuinigen, maar dat bedrag moest wel naar voren komen uit een CPB-berekening. Het was daarom geen optie om de AOW-leeftijd in 2016 of later te verhogen. Uiteindelijk liepen de veranderingen spaak, waarna het kabinet besloot de AOW pas in 2020 te verhogen. Het CPB werd onder druk gezet om deze bezuiniging te accepteren. Nu stellen de sociale partners opnieuw voor om de AOW-leeftijd pas in 2020 te verhogen. Als het CPB consequent is, keurt het dat niet goed.

4. Het CPB-model houdt geen rekening met langdurige vraaguitval.
Het CPB-model voor de lange termijn is gebouwd op de neoklassieke leer. Het gaat ervan uit dat de vraag naar producten en diensten bij consumenten en bedrijven uiteindelijk gelijk wordt aan het aanbod van producten en diensten. De kracht van de economie wordt vooral bepaald door de aanbodzijde: hoe goed en goedkoop kan Nederland produceren? De voorstellen van de VVD (en in minder mate het CDA) hebben gemiddeld genomen een zeer gunstig effect op de aanbodzijde. Door belastingverlagingen en lagere en kortere uitkeringen wordt de Nederlandse economie immers concurrerender. Het was dus geen verrassing dat de VVD als banenkampioen uit de bus kwam.

Toch kan niet worden uitgesloten dat er de komende jaren een structureel lagere vraag is. Sinds de kredietcrisis is geld uitgeven immers een stuk minder populair. Als consumenten en bedrijven in deze houding volharden en de overheid ook nog eens gaat bezuinigen, dan wordt de economie verstikt. ‘Het is denkbaar dat de private sector zich minder snel opricht dan het CPB nu denkt’, zegt Bovenberg. ‘In dat geval moeten alle voorspellingen worden aangepast.’

Meer over