PARTIJEN, HET BLIJFT TOBBEN

Het is inmiddels een klein jaar geleden dat jonkheer drs.P. Beelaerts van Blokland de noodklok luidde. Onder meer aan Theo Klein van de Volkskrant vertelde de Utrechtse Commissaris van de Koningin dat voor de politieke partijen de kritieke fase was bereikt....

Het politieke stelsel dreigde zijn legitimiteit te verliezen, omdat het ledental van de partijen terug bleef lopen. Als het zo doorgaat, voorspelde Beelaerts, komt er een moment dat de jonge generaties zich gaan afvragen waarom een heel klein groepje partijtijgers de dienst mag uitmaken in ons land.

De minister van Binnenlandse Zaken vond het vermeende verval van de politieke partijen zo'n belangrijke kwestie dat hij eind vorig jaar de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) vroeg een advies uit te brengen over het onderwerp. Een werkgroep onder leiding van mevrouw drs.A.C. van Es ging aan het werk en vorige week werd het resultaat van de inspanningen, het rapport Tussen staat en electoraat, gepubliceerd.

De ROB relativeert de vermindering van het draagvlak van partijen. Bezorgdheid omtrent ledental en mate van participatie van leden bestaat allang, zegt de Raad. Bovendien hebben andere maatschappelijke organisaties ook moeite mensen aan zich te binden. De partijen lijken voorts nauwelijks structurele problemen te hebben bij het strikken van kandidaten voor beschikbare functies en kleine partijen met een herkenbare identiteit laten zien dat ledenverlies is te vermijden.

Die relativerende opmerkingen snijden niet allemaal hout. Dat iemand als de sociaal-democratische criminoloog Bonger in de jaren dertig ook al eens de aandacht heeft gevestigd op het relatief geringe aantal leden van partijen, laat onverlet dat hun ledental sinds 1960 is afgenomen van ruim 700 duizend tot 300 duizend.

Deze duidelijke cijfers baren meer zorgen dan een afnemende populariteit van doorsnee verenigingen en organisaties, omdat politieke partijen een cruciale rol spelen bij het afwegen van allerlei maatschappelijke belangen tegen elkaar en het recruteren en selecteren van politieke ambtsdragers.

Dat partijen nog genoeg mensen kunnen vinden om al die plekken in vertegenwoordigende organen op te vullen, is waar. Of de naar voren geschoven partijleden over voldoende competentie beschikken, is een andere vraag. Zo zijn de commissies die zich hebben moeten bezighouden met het beoordelen van kandidaten voor de gemeenteraad, op dit punt zeker niet altijd optimistisch gestemd.

Tot slot vormt de betrekkelijk omvangrijke aanhang van kleinere, meer geprononceerde groeperingen geen bewijs dat de brede volkspartijen leden terug zouden kunnen winnen als ze maar beter hun best zouden doen. Jan Marijnissen heeft - tijdelijk - succes met het trappen tegen het establishment, maar zijn populistische 'ik stem tegen' houding lijkt geen perspectief voor pragmatisch ingestelde politici die weten dat het bedrijven van politiek het sluiten van compromissen betekent.

De ROB beseft trouwens ook wel dat er een probleem is. Hij wil de openheid en de integriteit van het politiek-bestuurlijke systeem versterken en de politieke partijen beter doen verankeren in de samenleving. Middelen daartoe zouden onder meer het toekennen van subsidies op basis van ledenaantallen (en niet van het aantal zetels) en de instelling van een parlementair onderzoeksinstituut ter versterking van de controlefunctie van de volksvertegenwoordiging zijn.

Als mogelijke verbetering wordt ook de mogelijkheid geopperd om de kiezer meer dan een stem te laten uitbrengen. Voor nadere informatie over suggesties voor een meerstemmig kiesstelsel en de gedachte van een gewogen voorkeursstem, verwijst de commissie-Van Es gemakshalve naar andere literatuur, maar op voorhand moet getwijfeld worden aan de effecten van dergelijke kleine staatkundige hervormingen op de politieke participatie van burgers.

Twijfel is ook op zijn plaats met betrekking tot de stelling dat politieke partijen een stuk toegankelijker kunnen worden als zij fors investeren in moderne informatie-en communicatietechnologieën. Zouden er echt meer mensen warm lopen voor de politiek door de aanwezigheid van politieke websites?

Sommige aanbevelingen van de ROB verzwakken de partijen. De Raad merkt bijvoorbeeld op dat bij benoeming van bestuurders (en ambtenaren) minder gelet zou moeten worden op de politieke kleur van de kandidaat. Bestuurlijk talent bevindt zich ook buiten partijen. Dat is zeker waar. Maar als je om bijvoorbeeld burgemeester te worden geen partij meer hoeft te kiezen, neemt de waarde van het partijlidmaatschap voor sommigen weer af.

Het is vrij eenvoudig de tekortkomingen van de adviezen van de ROB te signaleren. Een stuk moeilijker is het betere suggesties te doen. Het afnemen van het draagvlak van partijen vloeit immers voort uit een aantal structurele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals ontzuiling, individualisering, ideologische convergentie en bureaucratisering. Deze trends laten zich niet met behulp van enige maatregelen keren. Met onze politieke partijen zal het dan ook wel tobben blijven.

Meer over