Parlementariër voor het leven

Kamerleden zijn niet altijd carrièremakers. Er zijn er die er hun beroep van maken. De echte 'Parlementariërs' brengen een groot deel van hun leven in de bankjes door....

JAN JOOST LINDNER

Het laatste kwart eeuw is er vaak geklaagd over de vele, vooral jonge, Tweede-Kamerleden, die het parlement als springplank gebruiken voor een mooie en beter betaalde carrière elders. De klacht kon vaak met secuur wetenschappelijk onderzoek onderbouwd worden.

De grotere politieke talenten werden fractieleider of kabinetslid, zo hoort dat. Anderen kozen na een jaar of vijf voor meer lucratieve banen in bedrijfsleven of bestuur, of voor de vleespotten van het Europese parlement; vooral als ze niet snel genoeg minister of staatssecretaris werden, wat ze heimelijk hadden verbeid. Ook zijn er geboren backbenchers die zelden lang meegaan; of mensen die eigenlijk nooit hun draai vinden in de Kamer en met gepaste bescheidenheid hun ene periode uitzitten, zij het niet te vaak in hun bankje.

Maar een bijzondere categorie wordt gevormd door de Parlementariërs. Dat zijn de kamerleden die lang blijven, prominent en soms dwars zijn, maar nooit minister, staatssecretaris, fractieleider, partijvoorzitter of kamervoorzitter worden. Ze zijn onafhankelijk, deskundig, ervaren en bijna altijd invloedrijk; een sieraad van hun ambacht. Hieronder wordt een aantal bekeken. En wie zegt dat selectie en beschrijving nogal subjectief zijn, heeft ruimschoots gelijk.

Jhr mr Victor de Stuers was een kunstlievende en eigenwijze Limburgse edelman die in 1873 de natie verraste met een geharnaste tirade tegen de verwaarlozing van de Nederlandse monumenten: Holland op zijn Smalst. Sindsdien kon hij daar zelf veel aan doen, niet alleen in talrijke organisaties, maar ook als eerste en voorlopig enige kunstambtenaar. In 1901 ontwierp hij tot algemene tevredenheid de tableaux vivants voor het huwelijksfeest van koningin Wilhelmina.

Bijna tegelijk werd hij Tweede-Kamerlid voor de katholieke RKSP, wat hij tot zijn dood in 1916 zou blijven. Hij hoorde eerder bij de rechtervleugel, maar zijn spoedige ruzie met de roemruchte en sociaal veel verlichtere leider mgr Schaepman, betrof niet het beleid. Schaepman zou naar goed gebruik een telegram met veel aanhankelijkheid en gehoorzaamheid aan de paus verzenden. Maar de nieuwkomer maakte bezwaar tegen de term gehoorzaamheid. Als Parlementariër was hij aan niemand gehoorzaam, ook niet aan de paus. Schaepman - hij zou een jaar later overlijden - was volgens getuigen 'zeer gepiqueerd', maar moest het omstreden woord toch schrappen, anders had de jonkheer niet meegetekend, en dat was nog maller geweest.

De Stuers was altijd welsprekend en meestal scherp en hij kwam vaak in aanvaring met de kamervoorzitter. Iets wat hij gemeen had met de twee jaar eerder (voor die tijd zeer jong) in de Kamer gekomen SDAP-schildersknecht J.H.A. Schaper (32). Vaak stonden deze twee ook tegenover elkaar, want van sociale-ellendeverhalen - laat staan dure oplossingen daarvoor - moest De Stuers weinig hebben. In 1913 waren zij het ernstig oneens over de toelaatbaarheid van het raadplegend referendum, in Naarden gehouden omdat de gegoede burgerij van de kermis afwilde.

Maar in 1910 streden ze zij aan zij, toen de kamermeerderheid aan de liberaal Goeman Borgesius een nieuwe debatronde over een sociale-zekersheidskwestie weigerde. De Stuers was even boos als links-liberalen en socialisten, en het feit dat zijn leider Nolens de tegenpartij aanvoerde, deerde hem allerminst. De Kamer hield voet bij stuk en toen verloor Schaper zijn zelfbeheersing: 'Smerige, ellendige troep! Dompers bennen jelui', zo werd het althans toen opgeschreven. Hem werd het zwijgen opgelegd.

Eigenaardig is dat Schaper, een gewiekst debater (P.J. Oud vond hem echter 'weinig stijlvol'), ook aan anderen dit soort woede kon ontlokken. Zo raakte CHU-oprichter De Savornin Lohman eens zodanig buiten zinnen, dat hij door vrienden de Kamer uitgesjord moest worden. Wat was het geval? Een vriend van hem was door Schaper vreselijk te grazen genomen in het parlement. Dat een Groningse 'proletaar' een Groningse edelman zo behandelde, dat werd de anders zo serene CHU-leider te veel. Overigens, toen in 1905 de vrijwel onbekende liberaal De Meester als premier optrad, was Schaper de enige die hem wèl persoonlijk kende. Hij had lang geleden diens plafonds gewit.

Op één punt vonden De Stuers en Schaper elkaar steeds weer. In 1904 baarde de behoudende katholieke edelman groot opzien door plotseling grootschalige wreedheden van het leger in Atjeh, aan de orde te stellen. De eigenlijke oorlog was dat jaar afgelopen, maar bij de guerrillastrijd in aanpalende gebieden werden hele dorpen uitgemoord, vrouwen en kinderen; meestal met repeteergeweren, maar voor het afmaken van gewonden was de klewang goed genoeg, zoals De Stuers met groot en angstaanjagend vertoon schilderde.

Behalve bij links kreeg De Stuers geen voet aan de grond. Hij hield zijn tirades over militaire misdaden in Indië bij elk debat over de 'Indische begroting'. Maar de meeste kamerleden vonden krachtig optreden het beste voor 'orde en gezag' in de kolonie.

'Waarom hebben wij zoo geschreeuwd over de hardheid der Engelschen in zake de vrouwenkampen in de Transvaal?', vroeg de edelman, terwijl hij het antwoord al wist: het ging daar om blanken en bijna heel Nederland was op de hand van de Zuidafrikaanse Boeren. Ook een beroep op het christelijke geweten hielp niet. De Stuers: 'Wij hebben een massa Christendommen, elkeen beweert den Geest van Christus beter te kennen dan zijn buurman. Welnu, al degenen die het Christendom belijden, vraag ik wat Christelijke liefde.'

De politiserende christenen hebben het de vurige man met het knijpbrilletje en de volle baard niet vergeven. Volgens De Stuers' biograaf J.A.C. Tillema was deze zeer bedreven in the gentle art of making enemies.

Dat gold voor Schaper evenzeer, hoewel die in veel zaken pragmatischer was dan de af en toe revolutionair-socialistische leider Troelstra. Schaper moest in 1918 in de Kamer Troelstra's halfslachtige revolutiepoging afblazen (hij had er zelf nooit iets in gezien), waarbij hij manmoedig alle hoon onderging.

Hij bleef tot zijn dood in 1934 zeer actief kamerlid. Maar een SDAP-voorzitterschap weigerde hij, en als gedeputeerde van Zuid-Holland bleek hij volgens Oud slecht overweg te kunnen met 'de dossiers'. Een van zijn ruiterstukjes in de Kamer was een filibuster van negen uur spreektijd, waarna hij tevreden een partij ging biljarten. Schaper was vooral een scherpzinnig en eigenwijs (ook in SDAP-verband) debater en agitator, in veel opzichten een voorloper van Marcus Bakker (CPN).

A.M. Lucas (zijn voornaam was alleen bij vrienden bekend) was een 53-jarige economiedocent, toen hij in 1946 KVP-Tweede-Kamerlid werd. Van Keynesiaanse theorieën en conjunctuur-politiek moest hij niets hebben, en al even weinig van overheidsbemoeienis en inkomensnivellering. De sociaal-democraten vond hij gevaarlijk, vooral de 'ideoloog' Hofstra, die overigens als 'best geklede man in de Tweede Kamer' gold.

Lucas had altijd veel amendementen klaar die belastingverlaging en bezuiniging opleverden, dit tot wanhoop van de achtereenvolgende PvdA-ministers van Financiën. Vaak haalden die het, mede omdat KVP-leider Romme zijn eerste financiële specialist - tevens belangrijke figuur op de rechtervleugel - verregaand moest ontzien.

In 1952 mocht Hofstra geen minister van Financiën, worden, hoewel de PvdA daar krachtig voor was. Maar de KVP blokkeerde dit met grote hardnekkigheid. De latere leider Schmelzer zei dat Lucas daar achter zat, die niets moest hebben van Hofstra's 'socialistische stokpaardjes'. Schmelzer: 'Romme voer op Lucas die in de fractie veel invloed had.'

Bij de lange, warrige en moeizame formatie van 1956 was de kandidatuur-Hofstra een der struikelblokken. De PvdA nam de hernieuwde KVP-blokkade zeer hoog op, vooral nadat medespeler Ir Staf (CHU) zei: ' Het zit niet bij ons, maar bij Lucas'. Na een algemeen uitruil van bezwaren kon Hofstra alsnog naar de Kneuterdijk. Maar Lucas zou hem in de Kamer blijven beschimpen en opjagen, een vete die een running gag werd.

Bij de Algemene Beschouwingen van '58 noemde Lucas de bestedingsbeperkende Hofstra 'een huisvrouw van wie gezegd wordt dat ze een gat in de hand heeft'. Zelfs de onderkoelde premier Drees was nu boos. Hij opperde dat Lucas zelf kennelijk steeds een ommetje ging maken als andere KVP'ers om extra uitgaven vroegen.

Op een amendement-Lucas is ten slotte de (al verzuurde) rooms-rode samenwerking van meer dan dertien jaar gesneefd.

Het laatste kabinet-Drees viel en na Rommes vertrek kregen conservatieve katholieken voor lang ruim baan.

In '65 moesten ze wel weer met de PvdA regeren, omdat de coalitie met de VVD gestruikeld was over de omroep-kwestie. Het regeerakkoord van het kabinet-Cals werd door fractieleider Schmelzer en de twee financiële specialisten Lucas en de veel jongere Harry Notenboom dichtgespijkerd. De scherpe uitgavennorm hielp echter niet, want de vele politieke zwaargewichten en 'doeners' in het kabinet trokken zich er weinig van aan. Lucas en Notenboom ageerden van meet af aan. Notenboom kreeg de bijnaam Lucaskind. Dit woord staat in Van Dale, en slaat op kinderen voor wie een extra belastingaftrek mag gelden, na een eerder succesvol amendement van Lucas.

De oude Nurks was ruim zeventig en na bijna twintig jaar Parlementariërschap aan het afbouwen. Op l oktober 1966, minder dan veertien dagen voor de Nacht van Schmelzer, vertrok hij in een wolk van loftuitingen. Notenboom bleek al meteen een minstens zo vuurvaste opvolger. Hij stelde met Schmelzer de motie op die het kabinet-Cals de kop kostte en de verhoudingen tussen confessionelen en links voor lang zou verzuren (de polarisatie).

Een kleurrijk en allengs populair Parlementariër ('64 - '81) was Maarten Schakel van de ARP, en nog even van het CDA. In zijn geliefde Alblasserwaard had de jonge onderwijzer in de oorlog als 'Jan Snor' vier knokploegen geleid. Negen dagen voor de bevrijding werd hij (door verraad) gearresteerd. Hij had een vuurwapen en illegale kranten bij zich, en wist dat er geen clementie kon zijn. Hem werd aangezegd dat hij om zeven uur in de morgen geëxecuteerd zou worden. Een uur ervoor konden zijn mensen hem bevrijden. Daarna was hij nooit meer snel te schokken.

Enkele maanden later was deze regionale beroemdheid tot zijn ruime verbazing burgemeester (28 jaar, de jongste van Nederland); en wel van drie dorpen vlak bij zijn geboorteplaats, en hij zou dat daar veertig jaar blijven. Minister van Verkeer had hij enkele malen kunnen worden, maar hij bleef liever burgemeester èn 'gewoon' kamerlid.

Schakel was een van de beste na-oorlogse sprekers in het parlement en hij sprak altijd uit het hoofd. Dat had hij zich aangeleerd in de lange aanloop naar het kamerlidmaatschap. Improviseren bood meer contact met de toehoorders. Maar hij had altijd een stevig schema in zijn hoofd en zijn improvisaties leken beter gecomponeerd dan de meeste gelezen bijdragen. Een rede van Schakel - ik heb er tientallen gehoord - was prettig, ook om te zien.

Hij was sterk behoudend, maar ondogmatisch, ('de laatste der mannenbroeders') en had ook daarom in de late jaren zestig en de jaren zeventig een apart geluid. Vaak verloor hij de strijd tegen de tijdgeest, maar altijd fraai. De verschuiving van autoverkeer naar openbaar vervoer, althans in het beleid, kon hij niet tegenhouden; evenmin de 'gaatjesdam' in de Oosterschelde. Wel is er van regeringskant vele jaren gesjoemeld om de enorme tekorten op dat innoverend stukje waterstaat weg te moffelen.

Schakel hoorde tot de vrij grote AR-minderheid die het kabinet-Den Uyl niet wilde. Altijd lid van een regeringsfractie, voerde hij daarna in feite oppositie; wat door zijn fractieleider Aantjes met een tamelijk brede marge werd gedoogd. Later bleek Schakel meer achter Van Agt te staan dan achter Aantjes en Boersma. Ongetwijfeld heeft hij bijgedragen aan het zelfvertrouwen (met behulp van anti-Uyliaanse politiek) dat het gloednieuwe CDA hard nodig had.

Toen Aantjes zich eind 1978 moeizaam verweerde tegen de (al te dramatisch gebrachte) beschuldigingen van dr Lou de Jong, zat Schakel solidair naast hem op de persconferentie en later relativeerde hij de zaak. Dit tot onbegrip en verdriet van sommige verzetsvrienden. Zo'n Parlementariër was Schakel, en ik heb niemand ooit een echt kwaad woord over hem horen zeggen.

Theo Joekes, zoon van een vrijzinnig-democratisch en later PvdA-Kamerlid (en -minister), was rond 1970 twee maal bijna VVD-minister geworden. Hij wilde wel, maar door toeval ging het niet door. Later was hij er blij mee 'die hondebaan' niet gekregen te hebben. Bovendien werd hij politiek steeds minder ambitieus.

Het eerste woordvoerderschap van financiën, in oppositie tegen het kabinet-Cals ('56-'66), begon met succes. Als journalist had hij vaak in het Londense House of Commons gezeten en in Engelse stijl verraste hij met een tegenbegroting, die een miljard lager was dan die van de politieke reuzen aan de macht. Later stond Joekes dat woordvoerderschap vaak wonderlijk gemakkelijk af. Hij had het druk genoeg met allerlei voorzitterschappen en met het schrijven van detectives, gedichten en verhalen. En met nieuwe liefdes.

Joekes was erudiet, scherp, tamelijk rechts, erg senior en evenzeer onafhankelijk. Hij zou zijn 26 jaar in de VVD-fractie opmerkelijk genoeg nooit hebben gehaald als de partijleiding om hem in 1986 niet op een onverkiesbare veertigste plaats had gezet. In de periode daarvoor had Joekes namelijk grote tv-bekendheid gekregen, en daar voor zijn doen heel hard voor gewerkt, als een van de vice-voorzitters van de RSV-scheepsbouw-enquête. Zijn teamgeest met de andere voorzitters, 'Houten Cees' Van Dijk en Marcel van Dam (PvdA), een nogal onverwacht trio, was voorbeeldig.

Fractieleider Nijpels maakte daar inbreuk op door Joekes te willen dwingen niet mee te werken aan een scherp oordeel over minister Gijs van Aardenne. Joekes liet zich niet gezeggen en sprak publiekelijk de fractieleiding toe over deze bemoeizucht en het bemachtigen van geheime stukken. Het werd een hele rel, die voor Nijpels beroerd afliep omdat een voorkeursactie voor Joekes brede steun kreeg in partij en land. Niet alleen Wiegels schoonmoeder was actief, maar ook Wiegel zelf, hoewel hij zelf Nijpels eerder min of meer had verboden Van Aardenne te laten vallen.

Nijpels verloor in 1986 negen zetels. Maar Joekes kreeg ruim 280 duizend voorkeurstemmen, terwijl heel wat andere VVD-stemmen naar Neelie Smit-Kroes en De Korte gingen. Nijpels werd naar een ministerschap 'in de luwte' gejaagd en Joekes maakte, als fier symbool van parlementaire onafhankelijkheid, nog een periode vol. In '89 dreigde hij plagerig met weer een voorkeursactie, maar zag er toch maar van af.

'Herinneringen van een liberale socialist', luidde de ondertitel van de memoires die de onlangs overleden Hein Roethof (PvdA) vijf jaar geleden liet verschijnen. Hij was een zeer breed veelzijdig en onafhankelijk kamerlid, dat zowel met zijn eigen fractieleider Den Uyl als met vice-premier Van Agt in Den Uyls kabinet menig principieel gevecht voerde.

Drie jaar voordat D66 werd opgericht stapte de journalist en ex-JOVD-voorzitter van de VVD over naar de PvdA, vooral omdat de progressieve liberaal Korthals als leider werd gepasseerd. Andere verlichte liberalen, die weinig van Van Riel en diens behoudende vleugel moesten hebben, wilden geen nieuwe partij. Anders was een soort D66 al in '63 ontstaan, net iets te vroeg voor het echte tv-tijdperk.

Roethof streed voor het openhouden van de kliniek Bloemenhove, voor liberalisering van de abortus (diverse initiatief-wetsontwerpen), voor erkenning van Vietnam, de DDR en China (tegen Den Uyl in), voor de diversiteit van de pers, voor meer en zuiverder ontwikkelingshulp, voor breder beleid tegen kleine criminaliteit en voor een paarse coalitie (langdurig in de Des Indes-groep).

Hij was altijd tegen bevoogding en betutteling door de overheid, wat hem in 1982 een verkiesbare plaats op de Utrechtse PvdA-lijst kostte, omdat de regionale fem-soccers wel voor krachtig overheidsingrijpen op zedelijk gebied (vooral porno) waren. Maar in 1986 was hij er weer bij, tot een attaque in '88 zijn langdurig en hoogwaardig Parlementariërschap grotendeels beëindigde.

Er waren meer Parlementariërs in deze jaren. Zoals Anneke Goudsmit van D66, die ook op congressen fier tegen een wat eenzijdige 'vroege' Van Mierlo kon opponeren. Hannie van Leeuwen van de AR, die van straaljagers hield maar ook van stevige debatten, desnoods binnen de fractie. En Joop Voogd, vaak met Roethof het 'geweten' van de PvdA, hoewel die twee inzake de Drie van Breda ('71) hoogprincipieel tegenover elkaar stonden.

Van de KVP was er de soms emotionele Cor Kleisterlee en de veteraan Stef Weijers, die de koppeling een 'teken van beschaving' noemde op het moment dat die (door het CDA) voor jaren afgeschaft zou worden. Van de VVD Huib Jacobse, de geduldige exponent van het meer wasechte, dus niet zo behoudende liberalisme. Om er enkele uit te pikken.

En nu zijn - zonder dat zulks al goed beoordeeld kan worden - nieuwe in de maak.

Meer over