PARIJS DOET WEER NIKS

Morgen gaan de Fransen naar de stembus. Met lange tanden, áls ze al gaan. Decennia, zo niet eeuwen, hebben ze gedacht dat de staat het medicijn voor alle kwalen was....

Jacques Arhan kijkt wat lodderig uit het raam van zijn kantoortje. Het is na de middag, hij heeft een slok op en waarom ook niet, wat zou hij zich nog uitsloven? Arhan wijst, sigaret tussen de vingers, naar een kotter aan de kade, vijftig meter van het rederijtje SCAD waar hij werkt. Nóg werkt, want binnen twee weken staan hij, zijn baas en een collega op de keien.

'Wij hadden vier van zulke kotters. Eerst zes, toen vier. En nu. . . niets meer.'

Misschien dat ik me een droge snik verbeeld. Zeker is dat ze maandag gehuild hebben, toen de vier schepen met treurende scheepstoeters de haven van Douarnenez vaarwel zeiden. De staat wilde niet verder subsidiëren. De failliete boedel werd opgekocht door levensmiddelengigant Intermarché. De vier bemanningen, bij elkaar veertig man sterk, gingen mee, naar de nieuwe thuishaven Lorient.

Jacques Arhan: 'Tegen een nieuw salaris. Ik zal niet zeggen dat het slavernij is, maar veel schelen doet het niet.'

Nergens krijsen de meeuwen zo klaaglijk als in Douarnenez, met Brest de meest westelijke haven van Frankrijk. Bretagne heet hier Finistère, het einde van de wereld. Met het vertrek van de vier laatste kotters is het afgelopen met de industriële visvangst van Douarnenez, en dus ook met de industriële visverwerking. En dat is alleen maar de laatste klap in een lange reeks. Want Douarnenez lijkt wel getroffen door de zeven plagen van Egypte.

De ellende begon lang geleden, toen de sardines wegbleven. Ervoor in de plaats kwamen de vangstbeperkingen van wat destijds nog de EEG heette, en de internationale concurrentie. Eerst van de Spanjaarden en de Scandinaviërs, toen van de Russen en de Japanners. Het douanekantoor sloot zijn deuren, net als het filiaal van de Banque de France. Het ziekenhuis wordt in zijn bestaan bedreigd, de school moest twee klassen inleveren.

Het (toen nog communistische) gemeentebestuur wierp zich in 1992 met de moed der wanhoop op wat een zalf voor alle kwalen leek: een bescheiden amusementspark op basis van publiek-private samenwerking, zeg maar een Archeon met antieke schepen. Het liep met 'Port-Musée' drie jaar later even dramatisch af als met Archeon. De schuld resteert, en als om de gemeente daar dagelijks aan te herinneren dobberen de oude botters en klippers onverzorgd in de haven. Van de vijftig werknemers bleven er zes over. Het museum zoekt een nieuwe geldschieter.

Zelfs de burgemeester van Douarnenez werd niet gespaard. Hij kreeg een ernstige ziekte en droeg zijn taak over aan zijn eerste adjunct, Jocelyne Poitevin. Zij doet ten stadhuize een manhaftige poging Douarnenez voor te stellen als gastvrij en dynamisch. 'De ambachtelijke visserij gaat het helemaal maken.' De plaatselijke werkloosheidscijfers willen haar even niet te binnen schieten. 'Niet somberen' roept ze, want ze doet als plaatsvervanger voor de rechtse kandidaat mee aan de campagne in het kiesdistrict Finistère.

Maar ze valt even uit haar rol wanneer de bijstand uit Parijs ter sprake komt. 'Voor Parijs houdt de wereld op bij Quimper. De gunsten van de decentralisatie gaan naar Rennes. Pfft, dat is twee uur met de TGV van Parijs. Wij zitten hier op zeshonderd kilometer écht aan het einde van de wereld.'

Nadat bekend werd dat de vier kotters van de SCAD (Société Cooperative d'Armement Douarneniste) definitief zouden wegvaren, demonstreerden vijfduizend inwoners van Douarnenez - bij elkaar zeventienduizend zielen - 'tegen het noodlot'. De catastrofe staat in de ogen van Jacques Arhan, die steun kan gaan trekken als hij het kantoortje van de rederij heeft opgeruimd. 'Terwijl we hier een super-haven hebben. Geen rotsen, ook bij laag water bereikbaar, mooi beschut tegen de wind. Als het stormt zoeken ze hier bescherming. Alles weg.'

Stervende vissersplaatsen vormen uiteraard geen exclusief Frans verschijnsel. Maar in Bretagne zucht niet alleen Douarnenez onder het noodlot. De veeteelt heeft veel last van de gekke-koeienziekte. De Citroënfabriek in Rennes lijdt mee met de nationale auto-ziekte. En deze week werden de spandoeken in de havenstad Brest uit de kast gehaald. Tegen het 'dreigende ontslag' voor 130 mensen. Tegen 'het gerucht' dat de marinewerf een aantal contracten met onderaannemers wil verbreken. De constante: Parijs moet helpen, maar steekt geen poot uit.

Denk niet dat alleen het 'oude' Bretagne dezer dagen voor zijn hachje vreest. Tachtig kilometer van Douarnenez, aan de Bretonse noordkust, ligt het stadje Lannion. Het is ongeveer even groot als Douarnenez en ook goed van eten en drinken. Maar voor de rest is het de absolute tegenpool - of moet je zeggen 'technopole' - want zo staat Lannion in de veeltalige vierkleurenfolders. Rijd vanaf het kerkje de paar kilometer richting kust en er ontrolt zich tussen de Bretonse heggen een onwaarschijnlijk panorama van televisiemasten met een woud van schotels, antennes en paddestoelen die contact onderhouden met het heelal.

Zesduizend mensen werken er, zo te zien aan de toekomst. Maar zelfs in Lannion gaat geen maand voorbij zonder 'manif'. Sinds november hangen er vierhonderd ontslagen bij de vestiging van technologiegigant Alcatel in de lucht. Toen de directie het voornemen bekend maakte, gingen twintigduizend mensen de straat op. Zoveel inwoners telt Lannion bij lange na niet.

Daarna: een ondersteuningsgala van grote Bretonse artiesten, een menselijke keten, een blokkade van de poort. Alcatel is een particuliere onderneming. Dat maakt niet uit, verwoordt de journaliste van de plaatselijke krant Le Télégramme het breder gedeelde gevoelen: 'Parijs doet weer niks. De parlementsleden uit de streek zijn niet eens door premier Juppé ontvangen.'

De afgevaardigde die de belangen van Lannion en omstreken in Parijs behartigt, heet Yvon Bonnot. Hij hoort bij de politieke formatie van premier Juppé. Op zijn verkiezingsfoldertje staat dat hij 59 jaar is, getrouwd, drie kinderen heeft, en tweeënhalf jaar diende in Algerije. Vandaag voert Bonnot campagne in het stadje Pontrieux en de dorpen daaromheen. In afwachting van de komst van hun afgevaardigde schuiven de mannen van het lokale steuncomité nerveus met de stoelen van het zaaltje waar Bonnot zal spreken. De directeur van de rk-middelbare school, Notre Dame des Fontaines, bromt dat hij zijn afgevaardigde alleen maar tijdens verkiezingscampagnes ziet.

Hij heeft de gelegenheid te baat genomen en Bonnot uitgenodigd voor de lunch op zijn school. Eenmaal aangekomen blijkt de afgevaardigde de beminnelijkheid zelve, schudt handen, ledigt een glas champagne, om aan de schooldis meteen door de directeur onder handen te worden genomen. Waarom heeft hij in Parijs niets gedaan aan de belangenbehartiging voor het katholieke onderwijs? Met name het onderhoud van de gebouwen staat er slecht voor, en de directeur had echt meer verwacht.

Campagne voeren is in Frankrijk, met zijn districtenstelsel, een lokale aangelegenheid. Vierduizend handen schudden op een dag, als het moet. En eindeloos klachten incasseren. Voor Yvon Bonnot begon de ochtend met een pizzabakker, die niet begrijpt waarom hij zijn pizza's niet op het mooie Bretonse strand mag verkopen. De tweede was een man die vond dat Pontrieux - een schattig plaatsje met antieke wasplaatsen aan het stroompje de Rieux - 'naar de verdommenis gaat'. Omdat er een superwinkel van de Trois Mousquetaires is gekomen.

Uiteraard wordt de kandidaat aangesproken op de vierhonderd aangekondigde ontslagen bij Alcatel. En op de voorgenomen privatisering van France Télécom, de Franse telefoonmaatschappij, die ook ingrijpende consequenties zou kunnen hebben voor de streek. De kern van Lannion Technopole wordt gevormd door het onderzoekscentrum CNET (Centre National d'Études des Télécommunications), dat deel uitmaakt van France Télécom. Zeventienhonderd mensen werken er nu, en de klagers bij Bonnot vrezen dat privatisering ook afslanking van het CNET zal betekenen.

Yvon Bonnot knikt. Hij begrijpt de zorgen: 'Sinds eeuwen, zeg maar sinds Colbert, regelde de staat hier alles. Het is waar: de wapens zijn ons nu uit handen geslagen.' Maar wat betreft het onderzoekscentrum kan de afgevaardigde zijn mensen gerust stellen. Hij heeft bij president Chirac gepleit voor zijn streek. Ten bewijze staat Bonnot in zijn folder op een foto handen te schudden met de President van de Republiek. Die heeft hem verzekerd dat Lannion alle aandacht van het Élysée heeft.

Aan de hekken en de saaie fabrieksgebouwen op het industrieterrein van Lannion en zelfs aan de televisieschotels, zie je het niet af. Maar het telecommunicatiecentrum vormt een van de parels aan de kroon van het gaullisme, en is dankzij een 'wilsdaad' (action volontariste) van generaal De Gaulle tot stand gekomen. Zegt Syvlie Brichet van de plaatselijke ontwikkelingsmaatschappij ADIT en ze glimt er bij, van trots.

De generaal, leert deeltje 1708 over het gaullisme van de onvolprezen reeks Que sais-je, 'droomde na de oorlog dat hij de Fransen uit hun gebruikelijke neiging tot middelmatigheid zou rukken'. En hij deed het. Binnenlands door het na Vichy verscheurde Frankrijk met zijn 'rassemblement' tot een eenheid te forceren. Buitenlands door van Frankrijk een overwinnaar te maken in plaats van een verliezer. Frankrijk zou terugkeren in de rijen van de sterke landen, met een zelfstandige defensie en uiteraard een sterke president, die de 'politiek van de wil' belichaamde.

Frankrijk werd in marstempo gemoderniseerd, met financiële injecties in de economie en met een industriepolitiek die werd gekenmerkt door 'grote projecten': force de frappe, infrastructuur, ruimteprogramma. Zo kwam het dat De Gaulle besloot dat Frankrijk een ultramodern communicatienetwerk verdiende, en dat de directeur van het onderzoeksinstituut CNET Marzin heette en tevens burgemeester van Lannion was, nergenshuizen in Bretagne. Het onderzoekscentrum kwam in Lannion. Wegen werden aangelegd, ingenieurs vlogen af en aan op de eigen landingsbaan, boeren raakten in de war en verkochten al hun grond in de veronderstelling dat het manna was neergedaald. Alain Gouriou, de tegenwoordige burgemeester van Lannion: 'De goudkoorts was hier de telecommunicatiekoorts.'

In 1964 daalde de generaal uit Parijs af om mee te maken hoe Lannion de Europese primeur had van de ontvangst van televisiebeelden uit Amerika per Telstar-satelliet - destijds zo bijzonder dat er in IJmuiden een voetbalclub naar vernoemd werd. Volksvertegenwoordiger Bonnot, gniffelend aan tafel bij de katholieke schooldirecteur: 'Een paar maanden eerder dan de Britten. Dat vonden wij wel leuk.'

Het CNET deed de ene uitvinding na de andere. De digitale telefooncentrale, nu wereldwijd verspreid: bedacht in Lannion. De meerkernige glasvezelkabel, de platte televisiebeeldbuis: uit Lannion. Het CNET werkte als een zon, waaromheen steeds meer planeten gingen draaien in de vorm van toeleveringsindustrie of bedrijven die de zeer geavanceerde kennis afnamen. Philips ging naar Lannion, Pirelli, Alcatel, AT & T en nog een serie afkortingen, zodat een jaar of wat geleden in de folders van Lannion-valley werd gerept. Naar Sillicon-Valley, maar dat was kennelijk toch iets te bont-Amerikaans, want later werd het Lannion-technopole.

De naoorlogse jaren tot pakweg 1975 worden in Frankrijk 'les trente glorieuses' genoemd. Maar net als Nederland begon het land begin jaren tachtig te sukkelen, en de industriepolitiek-van-de-wil kreeg zijn eerste tegenslagen. De dure vieze herriemaker Concorde wilde buiten Frankrijk niemand hebben, behalve de Zaïrese dictator Mobutu. De kernenergie waaraan Frankrijk zich na de oliecrisis van 1973 geheel verslingerde, blijkt inmiddels een ook door de regering erkende dure geschiedenis. De TGV is dermate begrotelijk dat de verbinding Parijs-Straatsburg nog steeds op uitvoering wacht.

Het Waterloo voor Lannion werd Minitel.

'Wij konden hier alles uitvinden. Parijs bestelde, en wij leverden het', zegt Joel Vandenberghe, persman van het CNET. Het klinkt niet als snoeverij. De geschiedenis van Minitel biedt een prachtig voorbeeld van de wijze waarop de kracht van de door de staat voortgedreven industriepolitiek in een zwakte verkeerde. 'U bedoelt of ik het succes van Minitel wil uitleggen?' vraagt Vandenberghe, als ik hem naar het hoe en waarom van de mislukking vraag. Het is allebei waar.

Minitel is al een jaar of vijftien oud en in Frankrijk erg populair. Eigenlijk loopt het vooruit op Internet, met een beeldbuisje annex toetsenbord verbonden aan de telefoonlijn, waarop je allerlei informatie kunt krijgen en bestellingen kunt doen. Toets 3611 in en Minitel is het telefoonboek, niet alleen voor Frankrijk maar voor de halve wereld. Toets 3612 voor de Franse variant op e-mail, 3615 SNCF en je bestelt een treinkaartje, 3615 Airfrance voor een vliegticket, 3615 CUM voor een mevrouw of 3615 MEC voor een meneer in verband met de eenzame avonden. En zo verder, eindeloos.

Een fantastische uitvinding, die alleen maar in Frankrijk mogelijk was en nu de grenzen van de nationale mogelijkheden illustreert - want de internationale aansluiting van Internet ontbreekt en geen ander land wil Minitel hebben. Joel Vandenberghe: 'Het succes van Minitel was gebaseerd op drie pijlers. Eén: toen het werd ontwikkeld kon iedereen die een telefoon had, gratis een beeldbuisje thuis krijgen. Twee: de staat zette meteen een hele reeks diensten op Minitel, zodat het ding onmiddellijk nut had voor de gebruiker. Drie: er was een kiosken-stelsel aan verbonden; bedrijven die hun diensten via Minitel aanbieden, verrekenen dat via een deel van de abonnementskosten van de gebruikers.'

Vandenberghe gnuift wat over Internet waar je je eerst voor moet abonneren op een provider eer je het net op kunt, en waar je bovendien eindeloos moet wachten. Helaas voor Frankrijk is de feitelijke stand van zaken dat de hele wereld Internet gebruikt, en buiten het vaderland anderhalve - voornamelijk Ierse - paardenkop Minitel.

Er is geprobeerd het systeem in Amerika in te voeren, maar aan de bestaansvoorwaarden was niet voldaan: wie Minitel wilde hebben, moest het kastje huren, om vervolgens te ontdekken dat er nauwelijks diensten werden aangeboden. Het werd een dramatische mislukking, die een bekend sociologisch dilemma illustreert: hoe krijg je mensen zover dingen te doen die alleen zin hebben als iedereen meedoet? Zoals rechts houden, dijken bouwen, rommel opruimen: door een krachtige overheid die kan verordonneren.

Afgezien van de communistische landen, waren er niet veel waar de staat zo diep de huiskamers en de kantoren kon binnendringen als in Frankrijk. En de communistische landen hebben nooit veel behoefte gehad aan informatieverspreiding, dus ook niet per Minitel.

Nu loopt Minitel op zijn laatste benen, net als de allesoverheersende staat, en het onderzoekscentrum CNET zal binnenkort meeprivatiseren met France Télécom. Tenzij de socialisten aan de macht komen, en tenzij de demonstranten hun zin krijgen. De angst voor de markt zit diep. Zal het CNET nog wel zulk mooi fundamenteel onderzoek doen als onderdeel van een winstgerichte onderneming? En wat gebeurt er met de telefooncel in het afgelegen dorp, wanneer France Télécom alleen naar winst en verlies kijkt? Gaat die cel er dan aan? In het land waar nog altijd artikelen in de krant staan over het zegenrijke werk van de postbode op zijn fiets, zijn zulke zorgen bijna tastbaar.

Joel Vandenberghe van het CNET maakt er in drie minuten gehakt van. 'Wat is fundamenteel onderzoek? Onderzoek dat door de staat betaald wordt? Er zijn mensen die zo redeneren. En toegepast onderzoek is datgene wat door de markt wordt gefinancieerd? Ik noem dat een typisch franco-française-discussie. Ook Frans: de mensen willen hun ambtenarenstatus behouden, en die is gegarandeerd.'

En de telefooncel op het platteland blijft met een eenvoudige afspraak bestaan. Een concurrent van France Télécom die een bod doet op het beheer van het telefoonnet, moet garanderen dat hij ook die telefooncel onderhoudt. 'De hele theorie over staatsmonopolies gaat niet meer op, omdat er nauwelijks meer monopolies zijn.'

In werkelijkheid werkt France Télécom al sinds 1990 als een gewone onderneming, met een winst- en verliesrekening. De mensen willen het nog niet weten. En Frankrijk heeft zijn ziel al zeker even lang aan Europa uitgeleverd, zo niet aan de euro, dan toch aan de mark. In Engeland, waar het debat over een zelfstandige staat heel wat hoger oploopt, stelde de Financial Times de vraag: hoe groot is onze soevereiniteit nog? Het antwoord luidde: twintig minuten. Want twintig minuten is de tijd die wij hebben om mee te gaan als de mark wordt geherwaardeerd.

Zo staat het ook in Frankrijk. Zij het dat veel vragen nog maar liever onbeantwoord blijven. Wat gaat er met de Minitel gebeuren? En met de Concorde, wanneer Air France is geprivatiseerd? Hoe het met Douarnenez afloopt is duidelijk: daar heeft de staat zijn handen vanaf getrokken. Wijlen Mitterrand zei het op zijn eigendunkelijke manier weer het scherpst. 'In feite ben ik de laatste grote president. Ik wil zeggen dat ik de laatste in de lijn van De Gaulle ben. Na mij zullen er geen anderen meer in Frankrijk zijn, vanwege Europa, vanwege de mondialisering, vanwege de noodzakelijke evolutie van de instellingen. In de toekomst zal dit regime nog steeds Vijfde republiek heten. . . maar niets zal meer gelijk zijn.'

Resteert Jacques Chirac weinig anders dan protesteren tegen het noodlot.

Meer over