Paradijs van vroeger is bedrog

Dromen over die geweldige jaren vijftig leidt tot blikvernauwing, meent Peter Giesen; daardoor zien we niet meer hoe goed we het nu hebben..

Terroristen staan ons naar het leven, moslims willen niet integreren, de kloof tussen politiek en burger heeft angstwekkende vormen aangenomen en de Chinezen gaan ons overvleugelen.

Het publieke debat wordt gedomineerd door angst en pessimisme. De suggestie die daarbij steeds weer opduikt, is die van het Verloren Paradijs. Nederland lijkt in de ban van een mythisch `vroeger`, toen alles beter was. Toen was er nog saamhorigheid en idealisme, toen hadden mensen nog iets voor elkaar over en hoefde niemand zijn fiets op slot te zetten. En, zo wordt er (steeds minder) stiekem bij gedacht: toen waren er nog geen allochtonen.

We moeten afscheid nemen van dat `vroeger`. Ten eerste was het vroeger helemaal niet beter. En ten tweede is nostalgie een zinloze manier van nadenken over de samenleving. Zoals Vaclav Havel zei: `Van een aquarium kun je vissoep maken, maar van vissoep geen aquarium.`

Het exacte tijdstip van dat mythische `vroeger` is nooit helemaal duidelijk. De jaren tachtig zullen het niet zijn, toen de economie kreunde, de bom dreigde en krakers No Future riepen. De jaren zestig en zeventig waren relatief optimistisch, maar volgens de scherpste critici van het hedendaagse Nederland betalen we nu nog steeds de prijs voor de culturele revolutie van die dagen. Aangezien geen zinnig mens terug verlangt naar de jaren dertig of veertig, blijven de jaren vijftig over.

De fifties werden lange tijd gezien als een muf en benepen tijdperk, maar ze staan de laatste jaren weer voor veiligheid en geborgenheid. Vader fietste elke dag naar zijn werk, het `twaalfuurtje` onder de snelbinders. Moeder zat thuis met een kopje thee te wachten tot de kinderen uit school kwamen. En `s avonds gezellig met zijn allen luisteren naar tante Pollewop op de radio.

In deze `warme` jaren vonden echter praktijken plaats die wij tegenwoordig kil en gevoelloos zouden vinden. Ongehuwde moeders waren paria`s die hun kind moesten afstaan, homo`s werden opgejaagd en soms zelfs gecastreerd, vrouwelijke ambtenaren werden ontslagen als ze trouwden. De imam zou zich in deze wereld prima hebben thuis gevoeld.

Maar interessanter dan de winst- en verliesrekening van de geschiedenis is de gedachte dat de geborgenheid van de jaren vijftig een constructie achteraf is. Beschouwingen uit de jaren vijftig zelf zijn net zo pessimistisch als hedendaagse analyses. Ook toen werd er volop geklaagd over materialisme, hedonisme en verlies van gemeenschapszin. `Wie beschouwingen uit die jaren doorleest, wordt in elk geval getroffen door een zwaarwichtig in velerlei toonaarden bezongen crisisbesef: crisis van de westerse beschaving, crisis van de kerk, crisis van de liberale democratie tegenover een monolithisch en onmenselijk vanuit één centrale met diabolisch vernuft gedirigeerd wereldcommunisme`, schreef de historicus Hermann von der Dunk in de bundel Wederopbouw, Welvaart, Onrust.

Invloedrijke boeken uit die jaren hadden titels als De Vereenzaming van de Moderne Mens, Cultuur in Crisis, Revolutie der Eenzamen of De Angst voor Vrijheid. De katholieke socioloog S.W. Couwenberg zag een `geweldige vervlakking` van het geestelijk leven: `De mens verliest zich in alledaagsheid, in de roes van een koortsachtige activiteit, welke nog slechts een dwangmatig bezig zijn is, en, in de vrije tijd, in de verdoving van radio, bioscoop, televisie, sporttribune, dancing, bar, kaartspel (bridge-drives!) en rusteloos reizen en trekken.` Van zulke mensen viel op politiek gebied niet veel goeds te verwachten: `Politieke apathie en passiviteit, een houding, waarin politiek nog slechts wordt geapprecieerd, voor zo ver zij op effectbejag, opwinding, sensatie is gebaseerd`, aldus Couwenberg.

Toen Nederland na de oorlog industrialiseerde, vreesde Fred Polak, adjunct-directeur van het Centraal Planbureau en later `futuroloog`, dat de mens zich steeds meer naar de machine zou gaan richten. De eerlijke ambachtsman zou verdwijnen, ten gunste van de arbeider die een `robot-slaaf` zou zijn. Polak was bang `dat mensen hun ziel en zaligheid aan de duivelse machine verkopen, dat zij hun eigenwaarde, hun geloof en hun idealisme verliezen, dat zij alleen nog belangstelling koesteren voor het materialistische meer, beter, groter of sneller`. Er bestond een grote angst voor deze `massamens`, die zich willoos zou laten manipuleren door de massamedia, en vatbaar zou zijn voor de verleiding van een dictator die hem het moeizame proces van zelf nadenken weer uit handen zou nemen.

Net als in veel hedendaagse analyses werden destijds twee dingen aan elkaar geknoopt: de angst voor een meedogenloze vijand (de nazibeulen waren nog maar net verslagen of de communisten stonden alweer voor de deur) en een groot gebrek aan vertrouwen in de veerkracht van de eigen samenleving, die ten onder leek te gaan aan vervlakking, vermoeidheid en materialisme.

Mensen zijn bijna altijd pessimistisch over hun eigen tijd, schrijft Von der Dunk in zijn essay Elke tijd is een overgangstijd. Het heden is altijd onzeker, chaotisch en bedreigend. Het verleden lijkt zekerheid en duidelijkheid te bieden, omdat we weten hoe het afgelopen is. Bij de jaren vijftig zien we een brave foto van een gelukkig gezinnetje. De angsten van toen zijn vergeten, of betekenisloos geworden omdat we weten dat het goed is afgelopen. De Russen kwamen niet, de fabrieken waren alweer gesloten voordat de arbeiders tot robot-slaaf gemaakt konden worden en met de massamens liep het ook niet zo`n vaart, al zullen hedendaagse cultuurpessimisten er wellicht de Talpa-kijker in herkennen.

Maatschappelijke angsten zijn vaak het product van veranderingen. Veel hedendaagse burgers geloven dat de wereld nog nooit zo snel veranderd is als aan het begin van 21ste eeuw. Ook volgens tal van commentatoren zijn burgers onzeker geworden als gevolg van globalisering, immigratie en terrorisme. Maar in 1955 schreef de reformatorische filosoof C.A. van Peursen het boekje Angst. Elke samenleving heeft gedeelde waarden, aldus Van Peursen, `gezamenlijke grenzen waaraan het mensenleven zich oriënteert`. Meestal verschuiven die grenzen vrij langzaam, zodat mensen de tijd krijgen zich aan te passen. `Er zijn echter ook periodes in de cultuurgeschiedenis - en de onze is daar een van - waarin deze verschuiving versneld geschiedt. In de korte spanne tijds verplaatst zich de horizon van wetenschap en dagelijkse bezinning zo snel, dat het ons angstig te moede wordt.` Van Peursen vergeleek de Nederlander van 1955 met de inzittende van een `raketvliegtuig`, die zijn vaste oriëntatiepunten kwijtraakt omdat het toestel haast loodrecht omhoog gaat.

Die in hedendaagse ogen zo veilige samenleving van de jaren vijftig kreeg enorme veranderingen te verstouwen. De oorlog was nog maar net achter de rug of Nederland raakte Indië kwijt. Nu weten we dat Nederland pas echter welvarend werd zonder zijn koloniale rijk. Maar toen heette het: Indië verloren, rampspoed geboren.

Destijds kondigden rokende schoorstenen een nieuwe tijd aan. Het boerendorp verloor terrein aan de industriestad, de anonieme, vluchtige stad, waar de mensen ontworteld waren. De jaren zestig kondigden zich reeds aan: het aantal echtscheidingen groeide, de onkerkelijkheid nam toe en jongeren voelden meer voor ijssalon, dancing en `negermuziek` dan voor het verantwoorde, georganiseerde jeugdwerk. De zuilen voelden hun greep op de samenleving langzaam verslappen.

Door zulke veranderingen krijgen burgers het gevoel dat zij ontheemd zijn in eigen land. Dat was toen zo en nu ook weer. Conservatieven ergeren zich aan de opmars van een hedonistische popcultuur, de linkse elite treurt om de teloorgang van haar culturele hegemonie, `gewone` burgers zien hun omgeving tot hun leedwezen verkleuren. Vaak zijn zulke gevoelens sterker bij ouderen. Zij zien hun vertrouwde omgeving verdwijnen, terwijl ze weinig affiniteit hebben met de cultuur die ervoor in de plaats komt. Een vergrijzende samenleving zal daarom nog meer tot pessimisme en chagrijn geneigd zijn.

Net als in de jaren vijftig staren we nu in het gezicht van een onzekere, want onkenbare toekomst. Angst kan leiden tot fobieën, schreef Van Peursen destijds, `waarin een eng afgebakend wereldje angstvallig in stand wordt gehouden`. Ook in het hedendaagse Nederland bestaat die neiging om de boze buitenwereld op grote afstand te houden.

De afgelopen vijftig jaar hebben we het er veel beter vanaf gebracht dan de onheilsprofeten destijds voorspelden. We zijn nog nooit zo rijk geweest en we hebben nog nooit zo veel vrijheid gehad ons leven naar eigen keuze in te richten. We leven nog altijd in een ordelijk en aangenaam land. Natuurlijk zijn er problemen, maar hoe moeten we de vrije samenleving verdedigen tegen de radicale islam, als we tegelijkertijd aannemen dat die samenleving ten onder gaat aan decadentie, materialisme en hedonisme?

De gedachte dat de groeiende welvaart ons ziek maakt (volgens Volkskrant-lezers het grootste probleem van de hedendaagse sociale agenda) heeft een lange - calvinistische - geschiedenis. In de jaren vijftig was Nederland naar Europese begrippen een arm land. Maar bij de eerste bescheiden tekenen van collectieve rijkdom begon het christelijk zondesebef al te steigeren, constateert Von der Dunk in Wederopbouw, Welvaart, Onrust.

Natuurlijk biedt de geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar geen garantie voor de toekomst. Toch schuilt er een zekere troost in het besef dat het helemaal niet zo bijzonder is om in onzekere tijden te leven. Nostalgie vertroebelt de blik op het heden. Wie droomt over het verloren paradijs, telt zijn zegeningen niet meer.

We moeten beseffen dat het vroeger niet beter was. Net als heden en toekomst was `vroeger` een optelsom van goede en slechte dingen, van zekerheden en angsten. Daaruit is een samenleving die gegroeid die met veel meer zelfvertrouwen en optimisme verdedigd moet worden dan nu vaak het geval is.

Meer over