Palestijns zout, nu ook gourmet

Midden in bezet gebied houden vader en zoon Hallak een zoutwinningsbedrijf gaande. Ze zijn de enige Palestijnen die profiteren van het water van de Dode Zee. Met nieuwe producten.

VAN ONZE CORRESPONDENT AD BLOEMENDAAL

DODE ZEE - De Westbank Salt Company is een bijzonder Palestijns familiebedrijf op de Westelijke Jordaanoever. Als enige Palestijnen trekken Othman Hallak (79) en zijn zoon Hussam (46) profijt uit het water van de Dode Zee. Genoeg reden om trots te zijn. Maar er is meer. 'Westbank Salt vormt de frontlijn van het Palestijnse verzet', zegt Hussam plechtig.

De zoutwinnerij ligt in Gebied-C, de 60 procent van de Westoever waarin alle Israëlische nederzettingen liggen en waar Israël alle vormen van Palestijnse bedrijvigheid verbiedt of ontmoedigt. 'Juist daarom moet er hier worden geïnvesteerd', zegt Hallak. 'We moeten Naftali Bennett laten zien dat we niet van plan zijn te vertrekken.' Bennett is Israëls minister van Economische Zaken en de leider van de nationaal-religieuze partij Joods Thuis. Als het aan hem ligt lijft Israël zo snel mogelijk het hele Gebied-C in.

Niet alleen de Palestijnen, maar ook de landen van de Europese Unie willen voorkomen dat het zover komt. Het is voor Nederland één van de redenen om het bedrijf van de Hallaks een steun in de rug te geven. Ook het innovatieve karakter - Westbank-zout is internationaal erkend als een organisch product - en de samenwerking met een Jordaanse onderneming speelden een rol bij de toekenning van een bescheiden investeringssubsidie.

De Hallaks bewaren goede herinneringen aan een bezoek aan hun bedrijf, in december, door minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen. Hussam is vol lof over het Nederlandse beleid ten aanzien van de Israëlische nederzettingen in bezet gebied en de kolonistenindustrie. 'Ik hoop dat Nederland het Israël moeilijk blijft maken', zegt hij. 'Dat is goed voor bedrijven als het onze, die hier op de Westoever een strijd moeten voeren als David tegen Goliath. Zonder boycotacties krijg je politici niet in beweging en blijft de bezetting bestaan.'

Hussam Hallak vertelt het bedrijfsverhaal, terwijl zijn vader in een stoel naast de ingang van zijn kantoor van de zon geniet. Het is midden februari, maar aan de noordkant van de Dode Zee staat de thermometer op 30 graden in de schaduw. In de zomermaanden is het hier 40 plus. De uit golfplaten opgetrokken fabriekshal ligt maar enkele tientallen meters van een Israëlische waarnemingspost met antennetoren. Het is hier militair gebied.

Even verder is het betonskelet te zien van het verwoeste Lido, een hotel met nachtclub dat in de jaren twintig en dertig logies en vermaak bood aan Britse officieren en beter gesitueerde Joodse en Arabische Palestijnen. Pal voor het hotelterras landden soms watervliegtuigen, een tussenstop op de lange route van Engeland naar India.

Droge vlakte

Tegenwoordig moet je ingespannen in zuidelijke richting turen om nog water te zien. De droge vlakte die zich uitstrekt tussen de zoutwinnerij en de waterlijn is het bewijs van een gezamenlijk gepleegde milieu-misdaad van Israël, Syrië en Jordanië. Nog maar 2 procent van het Jordaanwater stroomt in de Dode Zee. De rest wordt afgevoerd voor gebruik in de landbouw en de industrie. Het zeewaterpeil zakt een meter per jaar.

Westbank Salt, ooit pal aan de oever, moet het bremzoute water tegenwoordig via een pijplijn naar de zoutpannen naast de fabriek leiden. Daar verdampt het in de hitte. De zoutkristallen die achterblijven worden opgeschept, gewassen in zeewater, gedroogd in centrifuges en gezeefd. Daarna wordt het zout verpakt in balen van 25 kilo en plastic kilozakken. Het is een kleinschalig bedrijf. De Hallaks bieden werk aan negen Palestijnen uit het nabijgelegen Jericho. Ze bouwen in die stad nu een verpakkingsbedrijf, waar nog eens negen mensen zullen werken.

Othman Hallak begon zijn werk aan de Dode Zee in 1964, toen de Westoever nog onder Jordaans bestuur stond. Hij was destijds hoofdingenieur van de Jordan Potash Company, met als taak te onderzoeken of er winst viel te maken met grondstoffen uit het zoutmeer. Hele generaties was verteld dat het zout uit de Dode Zee niet geschikt was voor menselijke consumptie, maar dat verhaal bleek al snel een broodje aap.

In de oorlog van 1967 viel het gebied van de potas-onderneming in Israëlische handen, maar Othman was niet van plan te vertrekken. Hij gooide een persoonlijke concessie voor zoutwinning, die hij van de Jordaanse overheid had gekregen, in de strijd. Na een lang juridisch gevecht in Israël kon hij in 1970 zijn Westbank Salt beginnen. Voorwaarde was wel dat zijn bedrijf alleen zout zou winnen en de bestaande bedrijfshal niet zou uitbreiden.

'Veertig jaar werkte vader zonder technologie. Maar hij produceerde wel zout van de hoogste kwaliteit', vertelt Hussam, die in de Verenigde Staten werktuigbouwkunde studeerde en als ingenieur in Japan en andere landen heeft gewerkt.

Hij leerde in die jaren dat alleen de hoogste kwaliteit, goede dienstverlening en innovatie de basis vormen voor een goed product. 'Te veel Palestijnse ondernemers denken dat wat goed is voor de Westelijke Jordaanoever ook wel goed genoeg zal zijn voor Amsterdam. Maar zo werkt het niet.'

Productie gemoderniseerd

Een jaar of vier geleden keerde Hussam terug naar de Westoever om de leiding van het familiebedrijf over te nemen. Vernieuwingsgezind als hij was, moderniseerde hij onmiddellijk de productie. Uitbreiden mocht niet en daarom zocht hij nieuwe afzetmarkten door diversificatie. Nog altijd produceert het bedrijf vele tonnen simpel consumptiezout voor de Westoever, Gaza, Jordanië en verder gelegen Arabische markten. Het Wereldvoedselprogramma van de VN en Usaid behoren tot de grootste afnemers. Maar met zijn nieuwe machines produceert Hallak nu ook poederzout, industrieel zout en sinds kort gourmet-zout van buitengewone kwaliteit. Alles op natuurlijke wijze gewonnen en zonder enige chemische toevoeging.

Dat was precies waarnaar de Israëlische ondernemer Alon Lior (43) zocht. Een paar jaar geleden bundelde hij zijn krachten met Hussam Hallak. En zo is er nu '424', een bedrijf dat dertig smaken gourmet-zout op de markt brengt. Het getal slaat op het aantal meters dat de Dode Zee onder zeeniveau ligt.

'Hussam en ik zijn zakenvrienden en gelijkwaardige partners', zegt Lior. De kruiden, wijn en andere natuurlijke ingrediënten worden aan het zout toegevoegd in Haifa. 'Wij zijn geen exclusieve leveranciers van gourmet-zout, wel de enigen die Dode Zeezout als basis gebruiken', zegt Lior. 'Het is rijk aan magnesium en ook dat maakt het aantrekkelijk voor de buitenlandse markt.'

Er is nog iets dat bijdraagt aan het succes: de twee ondernemers dragen verschillende petten. Lior heeft het zout van de Hallaks kosher laten verklaren door rabbijn Shlomo Landau, een autoriteit op dit gebied. De 424-strooiers met zijn gourmet-product gaan nu als Israëlisch Dode Zee-zout naar de Amerikaanse koshere markt en naar Europa. Habbas kan tegelijkertijd zijn Arabische afnemers blijven bedienen met Dode Zee-zout uit Palestina.

Hussam Hallak directeur Westbank Salt Company over bezoek van minister Ploumen

undefined

Meer over