Overheid moet vrije burger wel de kans geven

Liberalen als Dijkstal wijzen er steevast op dat de overheid niet voor alles verantwoordelijk kan zijn. Volgens René Heeskens heeft de overheid wel de taak de voorwaarden te scheppen waaronder burgers hun verantwoordelijkheid daadwerkelijk kunnen nemen....

IN het Nederlandse politieke landschap is de VVD woordvoerder van het zogenoemde conservatieve liberalisme. Dit wordt gekenmerkt door een voortdurend pleiten voor het terugdringen van de rol van de overheid, met uitzondering van traditionele taken als de rechtshandhaving.

De relatief bescheiden rol die het conservatieve liberalisme ziet weggelegd voor de overheid komt met name voort uit een groot geloof in de zegeningen van de markt. Hierbij wordt uitgegaan van het zogenoemde 'negatieve' vrijheidsbegrip waarbij vrijheid met name in termen van de afwezigheid van belemmeringen wordt gezien.

De VVD heeft zich de afgelopen decennia dan ook consequent opgeworpen als pleitbezorger van een terugtredende overheid ten gunste van de ondernemende burger en de vrije markt. In dit denken was nauwelijks aandacht voor individuele verantwoordelijkheid als noodzakelijke tegenhanger van individuele vrijheid.

Immers, het najagen van eigenbelang werd niet als een probleem gezien maar juist als de motor van economische ontwikkeling. En economische groei werd gelijk gesteld aan welvaart en welzijn.

Het betoog van Dijkstal als fractievoorzitter van de VVD voor verantwoordelijkheid als pendant van vrijheid wekt dan ook enige bevreemding (Forum, 11 september).

Bij nader inzien blijkt het pleidooi van Dijkstal echter toch vooral het klassieke schema te volgen. De nimby-mentaliteit wordt als voorbeeld genoemd van onverantwoordelijk gedrag, omdat deze zou getuigen van een onwil om eigenbelang op te offeren aan het algemeen belang. Wanneer we het accent anders leggen zijn nimby's echter juist voorbeelden van vrije burgers die verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. Of zij hiermee het grotere, nationale belang schaden is maar de vraag.

Wanneer na verloop van tijd in iedere achtertuin een spoorlijn, snelweg of luchthaven ligt, is heel Nederland onleefbaar geworden. Het brede verzet tegen grote infrastructurele werken, veel breder dan slechts de direct betrokkenen, geeft aan dat steeds meer de opvatting terrein wint dat de lasten van het vermeende nationale belang niet opwegen tegen de lusten.

Anderzijds zwijgt Dijkstal in alle talen over een andere actuele kwestie, namelijk het onverantwoordelijke gedrag van topmanagers die zichzelf buitensporige salarissen toekennen, en de bredere hiermee samenhangend problematiek van erodering van sociale cohesie en waarden en normen door een groeiende maatschappelijke ongelijkheid. Kortom, ondanks het goede uitgangspunt wordt het verantwoordelijkheidsbegrip door Dijkstal zozeer versmald, dat het uiteindelijk goeddeels samenvalt met marktconform handelen.

Eerder versluierend dan verhelderend in de discussie is ook het te rigoureuze onderscheid dat wordt gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van de overheid enerzijds en van de burger anderzijds. Hierdoor verzandt de discussie onvermijdelijk in touwtrekken naar beide zijden. De verantwoordelijkheid van de burger en van de overheid zijn echter geen gescheiden grootheden: de overheid vertegenwoordigt de vrije burgers en heeft van hen het mandaat gekregen om zaken te regelen wanneer dit beter collectief dan individueel kan gebeuren.

Dijkstal wijst op het feit dat de overheid niet voor alles verantwoordelijk kan zijn. Dit geldt echter nog meer voor de individuele burger. Deze ziet zich vaak voor het dilemma gesteld dat alleen verandering van het eigen individuele gedrag voor het grote geheel niets uitmaakt. De idealisten die desondanks in alles verantwoordelijk proberen te handelen, ook als dit ten koste gaat van hun directe eigenbelang, zijn klein in aantal.

Er is voor de overheid een belangrijke taak weggelegd om de voorwaarden te scheppen waaronder burgers verantwoordelijk kunnen handelen. Dit gegeven sluit aan bij het 'positieve' vrijheidsbegrip, dat door vooruitstrevende liberalen en sociaal-democraten wordt gehanteerd: de vrijheid die iemand heeft wordt niet alleen bepaald door vrijheidsrechten en afwezigheid van belemmeringen, maar ook door de concrete middelen en keuzemogelijkheden die burgers tot hun beschikking hebben.

De vraag die moet worden gesteld is waarom mensen onvoldoende verantwoordelijkheid willen of kunnen nemen. Daarvoor zijn er klaarblijkelijk redenen en oorzaken. Dijkstal geeft geen analyse van deze gronden. Evenmin neemt hij verantwoordelijkheid voor de rol in deze van het conservatief-liberale denken dat zich zo vaak leent voor legitimatie van het louter nastreven van eigenbelang, waarbij verantwoordelijkheid voor anderen of natuur en milieu wordt afgedaan met een verwijzing naar de zegeningen, of de dictaten, van de markt.

Uiteindelijk blijft daarmee ook het pleidooi van Dijkstal een vrijblijvende en hierdoor weinig aansprekende oproep. De kwestie waar we voor staan is niet het schuiven van verantwoordelijk van overheid naar burger of omgekeerd. Voor een leefbare samenleving is een goed samenspel nodig tussen overheid en burger waarin beide meer verantwoordelijkheid nemen. En dit veronderstelt tevens een minder slaafse houding ten opzichte van markt en groeidenken.

Meer over