Overheid heeft verplichting tegenover huurders

Nu de overheid een belangrijk deel van haar verantwoordelijkheid voor de volkshuisvesting heeft afgeschoven naar de markt, dient zij er voor zorg te dragen dat huurders op voet van gelijkheid met de verhuurders kunnen praten, meent Karin Adelmund....

DE inrichting van de Nederlandse volkshuisvesting is in de afgelopen tien jaar drastisch gewijzigd. In 1990 stemde de Tweede Kamer in met de nota Volkshuisvesting in de jaren negentig, ook wel bekend als de 'Nota Heerma'. Daarmee begon een stelselherziening die paste in de trend naar vermindering van het aantal overheidstaken.

De sociale huursector kreeg een bruidsschat mee, en kon vervolgens meer dan tevoren een eigen, bedrijfsmatig beleid voeren. In principe bleef de sociale taak onveranderd, alleen zou deze op een meer marktgerichte wijze moeten worden uitgevoerd.

Een grotere eigen verantwoordelijkheid voor woningcorporaties en huurdersorganisaties veronderstelt een goed overleg tussen huurders en verhuurder. Het betreft hier geen onbelangrijk detail van de volkshuisvesting. Het gaat tenslotte om drie miljoen huishoudens, ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking, en om de medezeggenschap die zij hebben over hun eigen huisvesting en woonomgeving.

Een wettelijke regeling voor dit overleg bleef tot nu toe uit. Dat is merkwaardig. In Nederland bestaan immers voor vrijwel iedere groep (werknemers, cliënten in de geestelijke gezondheidszorg, ouderen, ambtenaren, studenten) wettelijke overlegregelingen, die de rechten garanderen van diegenen die niet als vanzelfsprekend de macht hebben om beslissingen te nemen die hen direct aangaan.

Sinds de stelselwijziging heeft de sociale huursector (de woningcorporaties en hun koepelorganisaties) zichzelf voortvarend geprofessionaliseerd. Voor de huurders en hun organisaties, vereningd in de Nederlandse Woonbond, bleven de mogelijkheden hiertoe echter zeer beperkt. Alleen al om een enigszins gelijkwaardige overlegsituatie te garanderen, zoals wordt beoogd met de stelselherziening, is het noodzakelijk dat er alsnog een wettelijke regeling komt. Er zijn echter ook nog andere, dringende redenen voor zo'n wet.

Jaar in jaar uit moeten huurders forse huurverhogingen ondergaan. Vooral de lagere inkomens zijn hiervan de dupe. Het is geen uitzondering meer wanneer 40 procent van een minimuminkomen aan woonlasten moet worden besteed.

Maar ook de middengroepen worden al jaren achtereen met marktconforme huurverhogingen geconfronteerd. Voor hen dringt zich steeds meer de vraag op of de huur de kwaliteit van de woning en de woonomgeving nog wel dekt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat degenen die het zich financieel kunnen veroorloven de huursector ontvluchten naar een koopwoning - en dat niet alleen om financiële redenen, maar ook omdat ze de afhankelijke en ongelijkwaardige positie van huurder beu zijn. De lagere inkomensgroepen hebben deze mogelijkheid niet.

Maar voor de huurders is er de komende tien jaar meer aan de hand. Met name in de naoorlogse wijken staan forse ingrepen op stapel. Volgens de Nota Stedelijke vernieuwing, die eind april door het kabinet is gepresenteerd, zullen verhuurders in de komende jaren 20 miljard investeren in de 'herstructurering' van deze wijken. De rijksoverheid zal daaraan 3,8 miljard bijdragen.

Herstructurering zal in de praktijk neerkomen op sloop van veel goedkope oudere woningen en de bouw van dure nieuwe woningen. Dit zal zeer ingrijpende gevolgen hebben voor de samenlevingsstructuur en de bevolkingsopbouw van deze wijken en voor de individuele levens van duizenden burgers.

Ten tijde van de stadsvernieuwing organiseerde de gemeente zelf inspraak en medezeggenschap. Dit is nu in de eerste plaats een taak van de verhuurders. De herstructurering stelt de noodzaak van serieus, structureel overleg tussen huurders en verhuurders op zowel principieel als praktisch niveau aan de orde.

Principieel omdat, in woorden van Paul Kalma van de Wiardi Beckmanstichting, een groot deel van de verantwoordelijkheid is verschoven van de overheid naar het middenveld. Daar zijn goede redenen voor, maar het mag niet leiden tot een vacuüm als het gaat om de positie en de democratische rechten van burgers.

Als veel bevoegdheden vanuit de democratische fora van de Kamer en de gemeenteraden naar het middenveld verhuizen, dan dienen de instellingen van het middenveld hun eigen tegenspraak te organiseren. Doen ze dat niet, dan lijdt de democratie schade.

Werkelijke kwaliteit ontleent een verhuurder aan de pricipiële bereidheid om tegenspraak te organiseren, om met de eigen doelgroep in discussie te gaan en om samen te streven naar een goede woon- en leefsituatie en een daarmee samenhangende, gezonde exploitatie van het verhuurbedrijf.

Deze maatschappelijke taak is onderdeel van de doelstelling mensen een goed woon- en leefklimaat te bieden. En daarmee is ook het praktische niveau aangeduid. Het is ondenkbaar dat in een zo groot en complex maatschappelijk proces als de genoemde herstructurering, de belangen en de betrokkenheid van de bewoners slechts een marginale plaats innemen.

Dan verschraalt de herstructuring tot een technocratisch project waarin het risico van sociale onrust al vanaf het begin is ingebakken. Het serieus nemen van de verlangens, betrokkenheid en 'ervaringsdeskundigheid' van de bewoners daarentegen, zal de kwaliteit van de herstructurering alleen maar ten goede komen. Daar varen ook de verhuurders wel bij.

Inmiddels zijn alle betrokkenen het erover eens dat er een wettelijke regeling moet komen. Dat is niet minder dan een historische doorbraak. De vraag is vervolgens wat er in die wet moet staan. Hiervoor zijn in de afgelopen tijd twee aanzetten gedaan.

De eerste aanzet was het initiatief wetsvoorstel van het PvdA-kamerlid Adri Duivesteijn uit 1995, de tweede de recente Contourennota van het Landelijk Overleg Huurders-Verhuurders, met daarin de verhuurdersorganisaties en de Woonbond.

Was het oorspronkelijke voorstel van Duivesteijn wellicht te verstrekkend, de Contourennota daarentegen is te beperkt en onevenwichtig. Het aantal onderwerpen waarover volgens deze nota kan worden overlegd, is zelfs minder dan in de nu al bestaande verplichtingen voor de verhuurders die in het Besluit beheer sociale huurwoningen (BBSH) is vastgelegd.

Nu zouden huurders slechts mogen meepraten over het huurbeleid voor zover dit over het eerstkomende jaar gaat, terwijl het huurbeleid per definitie is gebaseerd op een lange-termijnexploitatie. Een beroep op de kantonrechter is slechts zeer beperkt mogelijk, namelijk alleen in procedurele kwesties.

Boven alle onderwerpen hangt de magische formule 'bedrijfsbelang' waarmee de verhuurder op essentiële momenten het overleg kan ontwijken. Een dergelijk voorstel is niet zozeer een voorstel voor goed overleg, maar veeleer een weerspiegeling van de huidige machtsverhoudingen, en daarmee van de overmacht van de verhuurders.

Als het gaat om de positie van huurdersorganisaties hebben we het over duizenden vrijwilligers die zich inzetten voor de verbetering van de kwaliteit van het wonen en de woonomgeving. Vrijwel altijd doen zij dit belangeloos en met minimale middelen.

Juist als het om medezeggenschap gaat, heeft Nederland een traditie waar het trots op kan zijn. Het kan niet zo zijn dat waar het gaat om het overleg van huurders met de verhuurders, er voor de huurdersorganisaties ineens andere wettten gelden.

De Tweede Kamer dient dan ook de rechten van huurders te beschouwen in samenhang met de eerder aangeduide, wettelijke regelingen voor overleg en medezeggenschap op andere terreinen. Op die terreinen hebben de meeste fracties in de Kamer ruimhartige opvattingen, waarin de belangen van de verschillende overlegpartijen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen.

Ook voor de volkshuisvesting biedt een dergelijke opstelling, die burgers serieus neemt, het meeste perspectief.

Karin Adelmund is voorzitter van de Partij van de Arbeid.

Meer over