Overgeleverde literatuur toevluchtsoord voor velen

De Nederlandse literatuur wordt matig gelezen, zegt men. En dat heeft die Nederlandse literatuur aan zichzelf te wijten, zegt men óók....

WILLEM KUIPERS

Het aardige van dit soort speculaties is dat je met een gerust hart ook het tegenovergestelde kunt beweren. Dan zie je, hoewel de bladeren maar niet willen vallen in deze mediterrane nazomer, honderden, zo niet duizenden mannen en vooral vrouwen 's avonds verzonken in een Nederlands boek. Wat ze lezen weten we niet. Lezen ze Truitje Bosboom-Toussaint? Niet erg waarschijnlijk. Jacob van Lennep, Louis Couperus of J. van Oudshoorn (zoals F. B. Hotz onlangs liet weten, toen hij in Hollands Maandblad bewonderend schreef over Tobias en de dood)? Of lezen ze Bordewijk, Van Schendel of Vestdijk (zoals Maarten 't Hart en Hugo Brandt Corstius in NRC Handelsblad lieten zien)?

Je weet het niet, of hooguit enigszins, maar wat je wèl weet als je let op de signalen die als een zacht gezoem tot je komen, is dat er gelezen blijft worden door degenen die in hun jonge jaren gegrepen zijn geweest door een Nederlands boek. Vaak zijn ze geboeid geraakt door het schrijven zelf (wat je met woorden kunt doen) en misschien zijn sommigen van hen daardoor zelf schrijver geworden. Of hadden ze dat willen worden. Maar ook degenen die een dergelijk verlangen nooit hebben gehad, zo hoor je vaak, zijn Nederlandse boeken blijven lezen, omdat nu eenmaal in geen enkele taal de dingen zo goed gezegd kunnen worden als in je eigen taal. Daar kan menige balling van meepraten. Alleen in je eigen taal kun je wonen.

Eén aspect van het leesgedrag is betrekkelijk nieuw. In de diaspora van de westerse burgerlijke cultuur blijkt de overgeleverde literatuur een toevluchtsoord te kunnen zijn voor de velen - homoseksuelen, feministen, kinderen uit milieus waar boeken eenvoudigweg niet bestonden, zwarten, tweede- en derde-generaties 'allochtonen', afijn noem maar op - die vanouds in de cultuur van de bovenlaag geen recht van spreken hadden. Zij ontdekken bij al of niet vergeten, verwaarloosde of verguisde schrijvers de 'tegenstem' die de hunne blijkt te zijn.

Wie de Nederlandse literatuur volgt, uit interesse, om te weten wat er in het 'collectieve onderbewuste' van zijn eigen knusse en overvolle samenleving niet allemaal broeit en gist, moet niet uitsluitend zulke vormen van herkenning verwachten. Hij moet, als De Titaantjes van Nescio, de zon in het water kunnen zien schijnen. Hij moet gevoel hebben voor poëzie, meer en meer een schaars goed.

De afgelopen weken wees ik hier op tenminste twee boeken, De eeuwige jachtvelden van Nanne Tepper en Zonder wijzers van Russell Artus, die dat gevoel kunnen bevredigen. Beide schrijvers vertegenwoordigen de leeftijdsgroep waarvan beweerd is, dat ze niet meer leest. Dat lijkt me onzin. Er wordt hooguit anders gelezen, maar belangrijker is dat zowel Tepper als Artus feilloos aanvoelt hoezeer het proza het in deze tijd van zijn (poëtische) muzikaliteit moet hebben. Het is esthetisch zonder l'art pour l'art te zijn, omdat zoals Marc Reugebrink eens heeft beweerd, de leegte, het gebrek aan toekomstperspectief, het wegvallen van idealen en ideologieën, nu eenmaal gevuld moet worden. Bij hen geen horror vacui.

Zou er daarom zovéél geschreven worden? Of is die veelheid een vertaling van de veldwinnende commercialisering in het literaire bedrijf? Soms heb je het gevoel dat alles maar wordt uitgegeven omdat de industriële machinerie anders hapert. De vraag of iets werkelijk waardevol is, doet er dan niet meer toe en àls het er is kan het makkelijk in een mer à boire verdwijnen.

De heerlijkheid van Julia is iets waardevols. Het is de vierde roman alweer van Oscar van den Boogaard (1964), die eerder Dentz (1990), Fremdkörper (1991) en Bruno's optimisme (1993) publiceerde. In zijn nieuwste roman, gesierd met een vertederende illustratie uit het zeventiende-eeuwse handschrift Pretiosissimum donum Dei van Georgius Anrach, vertelt Van den Boogaard over Julia Cellebaut, een vrouw die haar jeugd in de Kongo doorbracht en nu gehuwd is met een veel oudere man, een bewoner van het golvende Vlaamse Pajottenland tussen de Dender en de Zenne.

Julia, moeder van twee kinderen, heeft niet genoeg aan haar Maurice. Grillig, levenslustig en hunkerend naar avontuur als zij is, strekt zij zich ook graag uit - op een werkbank, in een schuur - onder het martiale lichaam van de zwijgende boerse aartsvader Omer (74). Er gebeurt genoeg in en om haar heen - zij koopt voor veel geld een potje stuifmeel van een beroemd kunstenaar - maar pas als zij de oversteek naar Brazilië heeft gemaakt, waar haar zoon woont, beleeft zij met een jonge minnaar ten volle de extase die zij zoekt.

In de spiegeling van oude en jonge minnaar zit al veel meer dan ik hier kan vertellen, maar hoevéél ik er ook over zou zeggen, de 'buitenkant' van het verhaal behelst niet de essentie van wat Van den Boogaard wil zeggen. Die wordt je pas geleidelijk duidelijk als je - met het motto uit Ferdydurke van Witold Gombrowicz in je hoofd - dit hele poëtische boek hebt gelezen (Querido, ¿ 39,90).

Minder ambitieus, maar zij begint dan ook net, is Christine Otten in Blauw metaal, een roman over drie jonge mensen, die een reis maken naar Schotland en eenmaal weer thuis bemerken dat er iets in hun verhouding is veranderd. Het gaat om twee achttien-jarige vrienden en het vijftien-jarige zusje van een van hen. Tussen de poging van de vriend om het meisje - op een desolate binnenplaats van een Schotse kroeg - zijn liefde te betuigen en de door het meisje gewilde ontmaagding door haar broer speelt zich dit op The Catcher in the Rye van J. D. Salinger geïnspireerde, subtiele en ingehouden relaas af (Atlas, ¿ 29,90).

Roland Arnould is ouder. Dat is te merken. Zijn wereld is die van het media vita, de fase in het leven dat een mens geen onbeschreven blad meer kan heten. In Ruitijd tobt de veertig-jarige, gehuwde reclame-man Gerard met de last van zijn jaren. Hij wordt kaal en denkt erover zijn minnares aan de dijk te zetten. Even eenvoudig als dit gegeven is het verhaal, maar Arnould, die debuteerde met De Spaak, maakt het met een bomaanslag in Brussel en de compositietekening van de dader die op hem en zijn vader lijkt, net zo complex, dat Gerards oppervlakkige en comfortabele leven er een ongemakkelijke dimensie bij krijgt. Ruitijd is wat mij betreft een geslaagde momentopname van 'het moderne leven' (Van Gennep, ¿ 24,90).

Met het boek van Bram van Stolk, S-1 geheten, naar de militaire kwalificatie van je geestelijke stabiliteit, had ik aanvankelijk meer moeite. Van Stolk doet uit de doeken hoe hij als zoon van een Rotterdamse havenbaron zich zijn homoseksuele geaardheid bewust wordt. Nadat hij 'ontmaagd' is door een potige Griekse metselaar, wordt hij de minnaar van een Franse markies. Het zijn inleidende schermutselingen voor het echte werk. Bram wil in dienst, en nog wel bij de cavalerie. Als wachtmeester ervaart hij wat dat voor een homoseksueel, stilletjes verliefd op zijn vriend Jan, een Brabantse boerenzoon, betekent.

Het zijn bekende dienstanecdotes uit de tijd dat de Berlijnse Muur werd gebouwd en daar zit je nu niet metéén op te wachten. Totdat Van Stolk aan het eind zijn verhaal een verrassende en ontroerende ontknoping geeft. Dan wordt met terugwerkende kracht dit relaas alsnog met een extra-betekenis opgeladen.

Ik moest tijdens het lezen aan Maarten 't Hart denken (Ik had een wapenbroeder) en vooral aan Het teken van een getrokken zwaard van Jocelyn Brooke, óók een homoseksueel die over een militaire gemeenschap van mannen verhaalt. Het boek van Brooke is, hoe subtiel ook, van een soms zo angstaanjagende dreiging dat het je de de kille begintijd van De Koude Oorlog niet licht doet vergeten. Zo diep gaat S-1 niet, maar daarvoor is het dan ook een autobiografie (Meulenhoff, ¿ 29,90).

Ook Serge van Duijnhoven, door Rob van Erkelens in De Groene Amsterdammer, een van de twee belangrijkste jonge schrijvers van dit moment genoemd (de andere is Ronald Giphart), schreef een nieuw boek: De overkant en het geluk, dat een compositie is van vier afzonderlijke verhalen, de eerste meer fictief, de laatste meer autobiografisch, als Van Duijnhoven in het Midden-Westen van Amerika een oude schrijver bezoekt en zich twee jonge vrouwen herinnert die hij gekend heeft. Stilistisch, dat vindt ook Van Erkelens, is Van Duijnhoven niet sterk en dat maakt zijn ingewikkelde escapades niet altijd even aangenaam om te lezen (Prometheus, ¿ 29,90).

Datzelfde geldt voor Paul Verhuyck hoewel hij minder slordig schrijft dan Van Duijnhoven, maar ook deze derde roman van de Leidse mediëvist van Vlaamse komaf, De binnendienst geheten, vermocht mij niet erg te boeien. Het is een verzinsel over een man, die met een licence to kill deel uit gaat maken van een geheimzinnige, wereldomspannende organisatie. Het is duidelijk de bedoeling dat die 'organisatie' gaandeweg moet uitgroeien tot iets alomvattends (zoals de rechterlijke macht in Het proces van Franz Kafka), maar dat gebeurt niet (De Arbeiderspers, ¿ 29,90).

Een landgenoot van Verhuyck, Kamiel Vanhole, neemt in Overstekend wild veel minder hooi op de vork. Hij laat zijn verteller in het voetspoor van een oudoom die een dagboek heeft nagelaten het Amerikaanse continent ontdekken, en dat wèrkt, soms, op de momenten dat de nostalgie voelbaar wordt over de teloorgang van de droom die menigeen aan zijn jongensboeken over Amerika heeft overgehouden. Vanhole heeft een nogal vlakke toon, die net als in zijn vorige boek, De beet van de schildpad, het gevaar met zich meebrengt dat zijn beschrijvingen iets kabbelends krijgen, ten koste van de emotie, die er wel degelijk is (Meulenhoff, ¿ 34,90).

Ik kan dit overzicht het best besluiten, lijkt mij, met nòg een Nederlands, literair boek, de Briefwisseling van Albert Verwey. Margaretha H. Schenkeveld en Rein van der Wiel brachten in deze (heus waar) monumentale uitgave de meer dan achthonderd brieven samen die Verwey schreef aan, of kreeg van honderdenvier tijdgenoten in de periode van 1 juli 1885 tot 15 december 1888, toen hij redacteur was van De Nieuwe Gids, het blad waarmee de Tachtigers hun omwenteling in de vaderlandse letteren trachtten te bewerkstelligen (Querido, ¿ 75,-).

Over de vele vertalingen die de afgelopen weken het licht zagen, moet ik na zoveel Nederlandse literatuur even zwijgen, al zijn alle uitgevers deze week in Frankfurt op nòg meer vertalingen uit. Maar drie ervan dienen vermeld: in de eerste plaats natuurlijk de schitterende roman van Salman Rushdie, De laatste zucht van de Moor, die de vertalers Eugène Dabekaussen en Tilly Maters menigmaal tot wanhoop moet hebben gebracht (Contact, ¿ 49,90). In de tweede plaats: de eerste integrale vertaling (na de niet volledige van prof. dr. A. J. Barnouw uit 1930) van De Canterbury-verhalen van Geoffrey Chaucer door Ernst van Altena (Ambo, ¿ 99,-). En tenslotte: het mooi geïllustreerde Landschap & herinnering van Simon Schama, vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer (Contact, ¿ 79,90).

Meer over