Overal schijn je te kunnen aanlopen tegen een Dwergschnauzer met de Terriër-look

Bij toeval kwam ik op het spoor van de standaardhond. Ik lees veel over standaarden tegenwoordig en ik weet inmiddels dat bijna alles in het leven standaard is....

Het ligt natuurlijk voor de hand. Als er hondenrassen bestaan, bestaan er ook nauwkeurige omschrijvingen van die rassen. En die omschrijvingen worden op een gegeven moment tot standaard verheven, zodat je weet of een hond wel of niet tot een bepaald ras behoort. Die standaarden, zo weet ik nu , worden officieel vastgesteld door de FCI – de Fédération Cynologique Internationale. En alle katten van de wereld hebben hun eigen federatie, de World Cat Federation, en die legt op haar beurt de standaardkatten vast.

Omdat ik zo af en toe met iemand over deze dingen praat, weet ik tegenwoordig ook dat veel mensen het geen romantisch idee vinden om dingen te standaardiseren, laat staan dieren of mensen. Het begrip standaardleven wordt dan ook zelden in positieve zin gebruikt: we willen maatwerk, we willen afwijken van de norm en lekker gek zijn, we willen duizend bloemen laten bloeien.

Het enige meisje dat ik op internet kon vinden dat prat ging op haar normbestaan – ‘echt zo’n standaard leven dus; ik val ook op jongens met standaard levens; verder eet ik te vaak nederlands eten en nja, veel te nederlands alles hier, mja’ – vraagt zich aan het eind van haar bericht toch zorgelijk af of ze wel bijzonder is. ‘Ik zal het es aan me beste vriendin vragen, die kent mij t best.’

Het is wonderlijk, de weerzin tegen de standaard, want als nou werkelijk iets een triomf is van de Verlichting, dan is het wel de normering, de ordening, de classificatie van de wereld. Zonder standaards en normen zouden we volkomen hulpeloos zijn, overgeleverd aan willekeur en chaos. Maar aan de andere kant is de weerzin tegen de standaard ook wel weer begrijpelijk wanneer je in de hondenwereld duikt en daar iedere afwijking van de standaard onbarmhartig beschreven ziet als ‘fout’.

Zo kwam ik op mijn zoektocht naar de standaardhond een verhaal tegen over ‘afwijkers’ die steeds vaker de kampioenschappen winnen. Natuurlijk, de verleiding om zulke afwijkers te laten winnen in plaats van de standaardhonden is groot, stond er. ‘Veel van de ‘afwijkers’ zijn vaak als ‘hond’ heel mooi, niet zelden tonen ze een gangwerk dat met E & B – Exterieur & Beweging – ogen bekeken aantrekkelijker is dan het ‘standaard’ gangwerk. Je moet dus van goede, ras-specialistische, huize komen om die verleiding te weerstaan en het geloof in de ‘standaard’-hond in woord en daad te prediken.’

Het verhaal heette ‘Een kynologische sluipmoordenaar’ en het stond op de website van een mevrouw die het jaren geleden had overgenomen uit het blad De Hondenwereld. De boodschap was dat je met het accepteren van veranderingen die ‘de standaard kwetsen’, een sluipmoordenaar uitnodigt om binnen het ras zijn verwoestende werk te doen. Volgens de eigenares van de website was dit precies ‘wat er binnen mijn ras de Irish Softcoated Wheaten Terrier plaatsvindt’. En met ‘mijn ras’ bedoelde ze waarschijnlijk het ras van haar honden.

Overigens werd niet alleen de standaard van de Irish Softcoated Wheaten Terriers bedreigd door fouten en veranderingen. Overal scheen je te kunnen aanlopen tegen, bijvoorbeeld, de wat grote Dwergschnauzer met de Terriër-look, de wat vlakkere, elegantere Shih Tzu met zijn lange hals; de steeds grotere en imposantere Weimaraner. ‘In zulke gevallen blijven alleen de echte idealisten over om aan rasverbetering te doen en hoeveel van deze mensen hebben we binnen een ras?’

Wij, mensen, leven in een wereld van normen, zegt Lennard J. Davis, we proberen om het hardst normaal te zijn of de normaliteit juist te vermijden. We plaatsen ons gewicht, ons cholesterolgehalte en onze sex drive ergens op de lijn tussen subnormaal en bovengemiddeld, we laten onze kinderen doormeten; er is geen terrein van het leven waarop we de norm, de standaard, of het gemiddelde, niet hebben vastgesteld.

Davis, hoogleraar Engels en gehandicaptenstudies in Chicago, heeft het fenomeen beschreven in zijn essay Constructing Normalcy, The Bell Curve, the Novel, and the Invention of the Disabled Body in the Nineteenth Century. Hij beschrijft daar het opmerkelijke feit dat het woord normaal – voor zover dat iets betekent als ‘in overeenstemming met de standaard en niet afwijkend van het gebruikelijke type’ – pas rond 1840 opdook in het Engels en andere Europese talen.

De opkomst van de statistiek was niet vreemd aan dit ontstaan van de normaliteit. En met de opkomst van de statistiek kreeg ook de eugenetica een impuls: halverwege de 19de eeuw vormden statistiek en eugenetica een haast vanzelfsprekend tweespan. Begrijpelijk, zegt Davis, want er is een inhoudelijk verband tussen statistische berekeningen rond de mens en de hoop mensen zo te verbeteren dat afwijkingen van de norm verdwijnen. De Franse statisticus Antoine Quetelet propageerde halverwege de negentiende eeuw dan ook de normale mens als ideaal.

De Quetelet Index – de verhouding tussen onze lengte en ons gewicht - beheerst ons leven nog steeds. Het is waar, in de mensenwereld wordt de norm niet zo openlijk geadverteerd als in de hondenwereld, waar we worden opgeroepen ‘discipelen van de standaard’ te zijn, maar ook de menselijke standaard disciplineert. Opstellers van het nieuw te introduceren elektronisch kinddossier moeten daarom allereerst maar eens worden verplicht Davis te lezen. En na te denken over statistiek en normaliteit. Opdat afwijkers, na al het meten en wegen, de consultatiebureaus even tevreden verlaten als een Dwergschnauzer met een Terriër-look.

Meer over