OVER SPLINTERS EN BALKEN

HARM van Riel was een kleurrijke politicus van het conservatieve soort dat we tegenwoordig niet vaak meer tegenkomen. De VVD-senator bezat een nogal reactionaire inslag en demonstreerde een voorliefde voor provocerende uitspraken waarmee hij links Nederland keer op keer op de kast joeg....

Van Riel is dan ook een dankbaar object voor publicisten die aannemelijk proberen te maken dat de VVD nooit helemaal zuiver op de liberale graat is geweest. Zo constateert Marnix de Bruyne in het jongste nummer van het tijdschrift Zuidelijk Afrika dat de eigenzinnige Drentse sigarenroker zich nogal betrekkelijk mild opstelde tegenover Pretoria. Van Riel zou ook zijn bezorgdheid hebben uitgesproken over het feit dat 'de Republiek Zuid-Afrika blank Rhodesië door eigen nood gedwongen, voor de Bantoe op het offerblok legt'.

De Bruyne wil met zulke citaten een stelling verdedigen. Namelijk dat niet alleen de door Bolkestein gehekelde ex-communisten verantwoording moeten afleggen over een onverwerkt verleden, maar dat de Nederlandse liberalen eveneens zonden op te biechten hebben. Waren zij immers niet 'vergoelijkers van het apartheidsbewind'? Nee, dat waren ze niet of nauwelijks, ook al valt er vanzelfsprekend kritiek uit te oefenen op de wijze waarop de VVD de apartheid meende te moeten bestrijden. Toen zich in de loop van de jaren zestig langzaam een discussie ontwikkelde over Zuid-Afrika, maakten de liberalen omstandig duidelijk hoe verwerpelijk zij de principiële rassendiscriminatie in dat land vonden.

Zelfs Van Riel, de polemische heer van stand die als Realpolitiker het strategisch en economisch belang van Zuid-Afrika besefte, liet weten geen sympathie te koesteren voor het bewind aldaar. Wel voelde hij huiver om harde maatregelen te nemen en deze huiver is de VVD-opstelling tot in de jaren negentig blijven kenmerken.

Sancties werden door de VVD consequent afgewezen. Zij zouden de eigen belangen schaden en in Zuid-Afrika alleen maar contra-productief werken. Een economisch embargo versterkte de positie van de 'verkrampten', isoleerde de groepen die liberalisering nastreefden en trof de laagstbetaalde zwarte bevolkingsgroepen onevenredig hard.

De voorkeur verdiende volgens de VVD een serieuze dialoog. In een kritisch gesprek moest Pretoria gewezen worden op de verwerpelijkheid van de apartheid en tegelijkertijd worden aangemoedigd hervormingen uit te voeren om volwaardig staatsburgerschap en volkomen gelijkwaardigheid voor een ieder te verwezenlijken.

Die dialoog impliceerde intensieve contacten op allerlei niveaus. De VVD zag niets in het opzeggen van het cultureel verdrag met Zuid-Afrika, omdat culturele uitwisseling juist een mogelijkheid bood het eigen gedachtegoed te verspreiden. Constructieve betrokkenheid werkte beter dan een botte isolatiepolitiek, zo dachten de liberalen.

De voorkeur voor een dialoog betekende niet dat kritiek op mensenrechtenschendingen achterwege moest blijven. In 1983 bijvoorbeeld riep buitenlandwoordvoerder Weisglas de Nederlandse regering op protest aan te tekenen tegen de praktijken van de moorddadige Zuid-Afrikaanse politie.

Van 'vergoelijkers van het apartheidsbewind' kan men dan ook moeilijk spreken. Wel kan men zich afvragen of de VVD niet te hoge verwachtingen koesterde met betrekking tot de heilzame werking van de dialoog met Pretoria. Tevens kan gewezen worden op een zekere discrepantie in de liberale benadering van Zuid-Afrika enerzijds en communistische landen anderzijds.

Soms was er duidelijk sprake van het meten met twee maten. Zo pleitte de VVD in 1979 voor deelname van Zuid-Afrika aan de Paralympics, de Olympische Spelen voor gehandicapten. Het standpunt van de Tweede-Kamerfractie, die, in de woorden van het partijblad, 'in de discussies dapper werd aangevoerd door een onverzettelijke Frits Bolkestein', was dat sport verbroederde en isolering tot verstarring leidde. Die argumenten werden echter niet gehoord in 1980, toen de liberalen zich een voorstander toonden van een boycot van de Spelen in Moskou naar aanleiding van het ingrijpen van de Sovjet-Unie in Afghanistan. Toen werd een sportieve boycot ineens een waardevol middel geacht om een onaangenaam regime tot een andere koers te bewegen en een onderdrukt volk de westerse gevoelens van verontwaardiging te laten blijken.

Het aanzwengelen door Bolkestein van een discussie over wie goed en fout was in de Koude Oorlog, heeft tot irritaties geleid. Begrijpelijk is daarom de 'kijk naar je eigen'-reactie van de voormalige fellow travellers, de wens om vroegere dwalingen van de groepering van de liberale grootinquisiteur aan de orde te stellen.

Toch zijn dat zonden van een andere orde. Enige selectiviteit in het mensenrechtenbeleid en een wat (te) voorzichtige opstelling ten aanzien van het apartheidsregime vallen niet te vergelijken met enthousiaste sympathiebetuigen aan het adres van communistische massamoordenaars. Gelukkig heeft de splinter in het eigen oog liberalen dan ook niet belet de aandacht te vestigen op de balk in progressieve ogen.

Meer over