Over onwerkelijk gesproken

Op de Galápagos-eilanden, sinds deze week officieel Bedreigd Erfgoed, ben je vooral te gast bij de dieren: bij de reuzenschildpad en de blauwpotige booby....

De bomen lijken betoverd, zo wit ze zijn, zoals ze daar staan in het roodbruine zand. Of is het dat elke kleur hier anders is, het groener dan groen van de struiken, het bruin van de nek van de pelikaan die zijn kleintje bewaakt, het diepe blauw waarin de zeeleeuw zwemt die een stuk flipper mist omdat een haai trek had.

De kleuren van de Galápagos, het léven op de Galápagos. Een naam die staat voor onovertroffen natuurschoon op afgelegen vulkanische eilanden.

Ben ik er echt? Ik zwem – langs de rotsen, daar waar het mag – bij een paar kleine zeeleeuwen, die het zelfs leuk lijken te vinden. En toch denk ik hier, en misschien alleen hier: ik zwem in hún water.

No hay lugar como Galápagos!, is de kreet die hoort bij de eilandengroep op 950 kilometer van de Ecuadoriaanse kust – er is geen plek als de Galápagos. En het is waar, weet je al snel na aankomst op het vliegveldje van het eiland Baltra, nadat je 100 dollar entreegeld hebt betaald aan het Nationale Park en naar de bus loopt: er staat een trots beeld van een leguaan te pronken in de felle zon, maar voor je neus steekt een echte de weg over. Wie er een aanrijdt, wacht een boete van 1000 dollar.

Lang gedacht dat er niet heel veel toeristen naar de Galápagos zouden gaan. Te duur. Of onmogelijk omdat het aantal toegangsbewijzen tot dit paradijs, sinds deze week volgens de Unesco officieel Bedreigd Werelderfgoed, beperkt zou zijn. Blijken er toch wekelijks 36 Boeings 737 te landen.

Al die toeristen willen zien wat Charles Darwin al in 1835 zag toen hij hier met de MS Beagle aanmeerde: de reuzenschildpadden die van eiland tot eiland verschillen, de dertien soorten vinken die volgens hem afstamden van één soort vink en aldus aan de basis fladderen van de evolutietheorie. Bovendien, tal van dier- en plantensoorten komen enkel en alleen hier voor. Populair is de blue-footed booby, een Jan van Gent met blauwe poten. Want leuk op T-shirts (I love boobies).

De Galápagos-eilanden – ruim 120, maar dan zijn alle rotsen in zee meegeteld – doe je in principe per boot. Een sloep brengt ons naar de San José; langzaam, want we willen geen groene zeeschildpadden overvaren.

Over onwerkelijk gesproken: aan boord van de San José, een motorschip van Peregrine Adventures voor 16 gasten en 10 bemanningsleden, is The Origin of Species lectuur voor op de koffietafel. Die staat in de lounge waar we ontbijten met roerei, lunchen met een palmhartsalade en dineren met, zeg, groentesoep, kip en limoenmousse. De chef van de lounge Jefferson luidt de bel als we met z’n allen aan tafel gaan. En als er buiten iets bijzonders is te zien. Een walvis of zo. Of duizenden dolfijnen. Geen bel voor de fregatvogels, die met ons meevliegen over de Stille Oceaan, of de bruine pelikanen, die meeliften op de reddingssloepen.

Wel weer een bel voor de briefing van Efren, de gids. Meer dan twintig jaar ervaring, opleiding in Quito, stage bij het Parque Nacional Galápagos, dat het beschermde gebied controleert, 97 procent van het grondgebied. Hij tekent voor de groep, voornamelijk Australiërs en Nieuw-Zeelanders, de route uit. Op woensdagochtend een wet landing met de rubberboot op het rode-zandstrand van het eiland Rábida, wat klinkt als een militaire invasie aan de kust, maar niet veel meer blijkt dan een aankomst met natte voeten. En de dry landing van donderdag is natuurlijk droog, maar pas op, ik stap op de lavavlakte van Sullivan Bay maar net naast een (lavakleurige) zeeleguaan die oogt als een versteend overblijfsel uit vroegere tijden.

Ik ben voorzichtig, iedereen lijkt voorzichtig. De omgeving dwingt het af. De stilte in het mangrovebos bij Caleta Tortuga Negra, waar de pelikaan net zo goed de toeschouwer is als wij langspeddelen, waar enkel de zweefduik van de blue-footed booby een plons veroorzaakt, maakt stil. En aan land blijf je als vanzelf binnen de witte paaltjes, de gele zijn voor de wetenschappers. Andere regels: niets wegnemen van de eilanden, nog geen steentje. Dieren raak je nooit aan, wat soms verleidelijk is, want of het nu een hagedis is of een lavareiger, de meeste komen dichtbij, kennen geen angst voor mensen.

Toch, het Nationale Park ondervindt steeds meer moeite dit unieke natuurgebied te beschermen. President Rafael Correa vaardigde twee maanden geleden een decreet uit dat aanstuurt op een beperking van het aantal toeristen, en nu vindt ook de Unesco het genoeg: de Galápagos zijn in gevaar. Er moet nu écht iets gebeuren.

Maar wat precies? Het aantal tourschepen is al jaren ongeveer gelijk (150), maar ze zijn voller en varen vaker. Kwamen er zes jaar geleden nog 75 duizend vakantiegangers, nu zijn het er ruim 120 duizend. In gelijke tred kwamen de Ecuadorianen die er een souvenirshop begonnen of werk vonden in een kombuis of keuken. De populatie verdrievoudigde in de laatste vijftien jaar: 30 duizend Galápageños zijn er nu. Erger nog: met hen kwamen ‘vreemde’ dieren als geiten, katten, honden en ratten, maar ook gevaren als virussen, malaria en parasieten die zich vestigen in vogelnesten.

Dan mag ik wel opgetogen zijn dat ik geen papier en lege waterflesjes zie liggen tussen de cactussen of op de rotsen waarop de Galápagos-pinguïn zijn vleugels wappert, de grootste problemen zie je niet in één oogopslag. Kleine landslangen kunnen niet leven op asfaltwegen en boerenakkers, haaien worden illegaal gevangen en belanden in de soep, katten en honden jagen op kleine leguanen, geiten eten de struiken waarvan de inheemse dieren afhankelijk zijn.

Eigenlijk nooit stilgestaan bij die hele bevolking. Stom natuurlijk, maar Galápagos was een onvoorstelbaar dieren- en plantenrijk. Wat ook klopt: geel-oranje krabben schuifelen lichtvoetig over de rotsen, bij de grotten van Puerto Egas doet een pelsrob zijn ogen even open en dommelt weer verder. En daar, naast het pad: de cactusvink, een van Darwins dertien vinken!

Maar het verhaal gaat verder. Vier van de dertien hoofdeilanden zijn bewoond, in Puerto Ayora, het grootste dorp van Santa Cruz, eet je Italiaans in een trattoria aan Avenida Charles Darwin, speel je een potje pool in bar Limón, ga je dansen in club La Panga. Aan Avenida Baltra zit de karaoke, matrozen gaan buiten het dorp naar Plata 4 1/4, want daar zorgen de meisjes goed voor ze.

De andere werkelijkheid: Galápagos is de rijkste provincie van Ecuador. De economie groeit er gemiddeld 14 procent per jaar.

Shirley, die onze hutten schoonmaakt, is blij dat de San José na drie dagen en nachten van soms stug doorvaren en soms wat dobberen een heel etmaal in de haven van Puerto Ayora ligt. Kan ze naar haar man, met de watertaxi. Afvalboten gaan in de vroege ochtend de tientallen schepen in de haven af. De koks slaan in op de vismarkt, waar pelikanen, fregatvogels, leguanen loeren op de resten. Een hond kwispelt er tussendoor.

Wij hebben op onze vierde en voorlaatste dag een droge landing op de steiger bij het Charles Darwin Research Station, thuisbasis van de Charles Darwin Foundation. Hier wordt, met private gelden, sinds 1959 onderzoek gedaan en voorlichting gegeven, maar hier worden ook diersoorten gered van uitsterven. Mannetjes- en vrouwtjesreuzenschildpadden worden bij elkaar gezet, kleintjes worden als ze groot genoeg zijn – 3 tot 5 jaar oud, minimaal 20 centimeter – teruggezet op het eiland waar ze horen.

Lonesome George, de beroemdste bewoner van het centrum, zit er al tientallen jaren: hij is de laatste reuzenschildpad van het eiland Pinta, en tussen hem en de vrouwtjes van Isabella (het grootste eiland, met 150 kilometer van noord naar zuid) wil het maar niet lukken. George, misschien in een midlifecrisis als zeventiger, is verlegen, zeggen de verzorgers. Helaas.

We moeten niet alléén maar treuren, vindt de directeur van de Charles Darwin Foundation, Graham Watkins, bij wie we tijdens de tour even aankloppen. Op het strand bij zijn centrum, geliefd hoekje voor surfers, blijkt hij de hoop zelve. Want hoewel ook hij de niet-inheemse diersoorten vreest (‘desinfecteer ze, laat ze niet in het wild rondlopen, oormerk ze’) en de illegale vangst van de zeekomkommer (‘die verkopen ze door aan het Verre Oosten’), is hij ervan overtuigd: ‘Ik denk dat we nog op tijd zijn.’ De geiten, bijvoorbeeld. Die zijn de afgelopen jaren grotendeels verdwenen (weggehaald of gedood), komen nu nog maar op drie eilanden voor. ‘En daar wordt aan gewerkt.’

Al is de druk van het toerisme groot. ‘Het toerisme is de motor van alles. Dat is de reden waarom mensen hier wonen. En als de bevolking groeit, stimuleert dat verdere economische groei, en dan wordt het gevaarlijk. Als mensen hier komen wonen, willen ze werk, willen ze water, willen ze elektriciteit, en ga zo maar door. Het is een vicieuze cirkel. Het toerisme moet duurzaam zijn, kwaliteit in plaats van kwantiteit. Het aantal toeristen moet worden beperkt, maar we kunnen niet zonder ze; zij brengen de miljoenen dollars binnen die worden gebruikt voor conservering.’

De druk van de Unesco zal helpen. ‘De Galápagos kunnen een voorbeeld voor de wereld zijn.’

De zegeningen zijn geteld: de tijd is voorbij dat Española bijna geen reuzenschildpadden meer had, dat de potvissen nauwelijks nog te vinden waren. Dat mensen pinguïns aaiden, met flamingo’s onder hun arm liepen.

De general store op het eiland Santiago is al jaren dicht, er staan enkel nog wat palen. De mensen zijn weg, de geiten zijn dood, de laatste huisjes zijn verlaten. Een stel mannen speelt op de heuvel een potje voetbal in het zand. Het zijn de bemanningen van de Letty, de Eric, de Anahi én de San José die voor de kust voor anker liggen – genoeg voor twee volledige teams.

Voor, achter en onder hen het blauw, het zwart, het bruin, het groen die ontegenzeggelijk van hier zijn. En het wit van de bomen die zij zelf Heilig noemen.

Meer over