Over lijken

Niet alleen wetenschappers hebben een fascinatie voor het dode lichaam, ook kunstenaars. Anatomie door de ogen van Rembrandt én Damien Hirst.

DOOR WIETEKE VAN ZEIL

Beeldende kunst

DE ANATOMISCHE LES: VAN REMBRANDT TOT DAMIEN HIRST. T/M 5/1 IN GEMEENTEMUSEUM DEN HAAG. GEMEENTEMUSEUM.NL

Toen Pim Fortuyn dood op de koude grond lag in Hilversum, in mei 2002, stond dat de volgende dag op vrijwel elke voorpagina. Het verschilde hooguit per titel in hoeverre op de foto was ingezoomd. Fortuyns mond lag open, zoals wel vaker bij overledenen. Maar bij Fortuyn leek het vreemd genoeg op dat wat we van hem kenden nadat hij iets had gezegd dat de boel opschudde. Als hij klaar was met praten, bleef die mond altijd wat hangen, een beetje triomfantelijk, in afwachting van wat hij had losgemaakt. Zo'n levend gebaar bij zo'n verse dood; het was voor velen ondraaglijk te zien. De foto leidde tot commotie en honderden abonnementopzeggingen. De urgentie van het nieuws kreeg voorrang boven de vereiste afstand die men volgens velen van een levenloos lichaam dient te nemen. En het blijft een onderwerp; vorig jaar toen de Libische dictator Khadafi dood of nog half dood op de voorpagina's stond, eerder dit jaar met de Syrische dode kinderen. Geconfronteerd met de dood, strijden ontzag en nieuwsgierigheid met elkaar.

Het Gemeentemuseum Den Haag had de gelegenheid dit tot onderwerp te maken van een tentoonstelling, per toeval: het museum heeft voor twee jaar een deel van de collectie van het Mauritshuis in bruikleen, waaronder Rembrandts beroemde Anatomische Les van dr. Tulp, het groepsportret waarmee de kunstenaar in Amsterdam in 1632 naam maakte, en waarop een lijk door de chirurgijn wordt opengesneden. Het Gemeentemuseum zelf heeft kunst uit de moderne en hedendaagse tijd die er thematisch bij aansluit. Toen het Amsterdam Museum, dat de meeste anatomische lessen die er in de Gouden Eeuw zijn geschilderd herbergt, ook doorkwam met onder meer Rembrandts Anatomische Les van dr. Deyman (die veel rauwere versie van een sectie, het lijk met opengesneden schedel, uit 1656) lag de weg open om de 'verboden' fascinatie met dood en lichaam in een tentoonstelling te gieten.

Voor die fascinatie was altijd legitimatie nodig, zeker in Rembrandts tijd. Een 'toestemming' om aan de schepping van God te mogen komen. Ze mochten wel snijden, de artsen, maar uiteraard alleen om meer begrip van het hogere te krijgen. Daarom wijst een van de chirurgijns bij dr. Tulp subtiel op het lijk, dat we maar weten: memento mori, gedenk te sterven. Daarom ook is het lijk voor de zekerheid van een ter dood veroordeelde crimineel - als toegevoegde straf na de dood, zodat zijn ziel geen kans op rust krijgt. Aan elke openbare anatomische les ging bovendien een moralistische verhandeling vooraf, die het betreden van het dode lichaam moest rechtvaardigen. Als een ritueel.

Dat rituele karakter ligt in vrijwel alle kunstwerken in de tentoonstelling besloten, tot aan het werk van Paul Thek, Damien Hirst en Berlinde de Bruyckere, en is de grootste onderlinge verbinding. Waar dood is, is onbegrip, en waar onbegrip is, ligt verering op de loer. De tentoonstelling is even wetenschappelijk als religieus, in de breedste betekenis. Alsof er bij het onderzoeken van het Grote Onbekende altijd iets bezworen moet worden. Een installatie van Paul Thek uit 1965, met een wasafdruk van een arm zonder huid in een doos van geel plexiglas staat als een modern reliek in de zaal, naast een openliggend lijk van aardse materialen als brons, marmer, hout en hars van Matthew Day Jackson - als op de sectietafel. Een openliggende vrouw - uit haar buik komen ingewanden - uit Atelier Van Lieshouts mega-installatie Cradle to Cradle (2009) is goed geplaatst naast een minimalistisch werk uit 1962 van Lucio Fontana: één snee in een doek, als symbool van het doordringen van de huid, de zoektocht naar de raderen achter het zichtbare. Berlinde de Bruyckeres lichaam van was en epoxy - vervormd en toch precies tot op de lijnen in het eelt van de voet - krijgt nieuwe betekenis nu het bij een kinderhoofdje op sterk water is opgesteld, uit het atelier van de 17de-eeuwse wetenschapper Frederik Ruysch.

Iedereen die de scheiding tussen wetenschap en geloof vanzelfsprekend acht, wordt hier geconfronteerd met de verwevenheid van de twee. Het onbekende maakt de weg vrij voor angst en verbeelding, en de kunstenaars van alle tijden weten hier in hun onbegrensdheid haarfijn de vinger op te leggen. Het komt neer op de vraag wie wij zijn, en wat ons tot mens maakt, zoals conservator Laura Stamps in de catalogus schrijft.

Dit tentoonstellingsconcept is niet nieuw - de mix van oude en nieuwe kunst noch de fascinatie met de grenzen van lichaam en geest. Je zou het na decennia kunst en filosofie rondom dit thema zelfs een beetje laat kunnen vinden. Maar het Gemeentemuseum heeft het moment gegrepen om met de 17de-eeuwse groepsportretten de moderne en hedendaagse kunst diepte te geven. De doordachte plaatsing van de werken heeft bovendien voorkomen dat het een encyclopedisch overzicht werd. En zoals ook bij elke anatomische les, staat het hoogtepunt in het centrum: het kunstwerk The Primacy of Matter over Thought, een eerbetoon aan het Theatrum Anatomicum dat Folkert de Jong in opdracht van het museum maakte. De grote installatie verdiende een ruimere zaal, om met meer afstand te kunnen worden bekeken, maar voegt wel precies dat toe wat het onderwerp nodig heeft: een reflectie op onze eigen geschiedenis, op de zoektocht naar onszelf. In al zijn carnavaleske pracht roept de installatie het gevoel op dat wij, de mens, met die anatomische lessen aan iets begonnen zijn dat onomkeerbaar was, zoals Eva toen zij de vrucht plukte van de Boom van de Kennis. Het laat zien dat de angst voor de afgrond - geestelijk en lichamelijk - nog steeds hyperaanwezig is, en wij zelf de verantwoordelijkheid dragen. Folkert de Jong vat die combinatie van ontzag en nieuwsgierigheid samen in een poëtisch werk waarin de bezoeker letterlijk centraal staat, gemaakt van materiaal dat nog kwetsbaarder en vergankelijker is dan wij zijn.

Marsepein

Op de foto een kinderhoofdje op sterk water uit het atelier van de 17de eeuwse wetenschapper Frederik Ruysch, die een destijds wereldberoemde collectie preparaten aanlegde. De collectie inspireerde de onlangs overleden schrijfster Rascha Peper tot de roman Vingers van marsepein (Nieuw Amsterdam, 2008).

Foto: Museum Bleulandinum.

undefined

Meer over