Over kwestie-Crezee hangt patina van het verleden

Plichtmatig bladerend in de tijdens de vakantie opgekweekte krantenstapel viel mij een bericht op over een vakbroeder die gedurende mijn afwezigheid in moeilijkheden was geraakt....

In de jaren zestig en in de eerste helft van de jaren zeventig waren zulke affaires schering en inslag, is mij bijgebleven. Het kan zijn dat mijn herinnering mij een beetje bedriegt, maar dat komt dan doordat een conflict als dit zo perfect past bij de toenmalige tijdgeest. Het patina van het verleden geeft zo'n kwestie-Crezee dan ook iets vertederends; net vijftigers die in de ban zijn van een poppenkast ('Kijk uit, Jan Klaassen, achter je!'). Alleen is dit bloedige ernst, en kan Crezee straks naar de sociale dienst als het allemaal blijft tegenzitten.

Wat dit geval voor mij nog iets wranger maakt dan het van zichzelf al is, is de wetenschap dat Korteweg in de jaren zestig ook journalist is geweest, bij Het Parool. Of hij destijds zelf ooit moeilijkheden met het gezag heeft gehad, weet ik niet, maar in elk geval heeft hij toen om zich heen kunnen waarnemen hoe vaak verslaggevers door hun bazen werden gemuilkorfd als ze iets in de openbaarheid wilden brengen dat het establishment onwelgevallig was. De hele Nederlandse perswereld wist dat de beroemde schandaaltjesrubriek 'Bij ons in Holland' op de achterpagina van Vrij Nederland werd gevoed door journalisten die van hogerhand waren gecensureerd. Misschien voelde Korteweg ook in zijn journalistentijd al geen enkele solidariteit met zijn gefnuikte vakgenoten. Dat verklaart dan het gemak waarmee hij zich nu opstelt als een beledigde leverworst uit de jaren zestig. Maar ook als hij die lotsverbondenheid wel heeft gevoeld is die overduidelijk geërodeerd onder het gewicht van zijn huidige positie.

Wie dit stukje tot hier heeft gevolgd, merkt dat ik als vanzelfsprekend uitga van Kortewegs ongelijk, ofschoon ik het artikel in kwestie niet heb gelezen. Inderdaad vind ik het in beginsel onjuist iemands vrijheid van meningsuiting te ondergraven door haar of hem het brood uit de mond te stoten, zelfs als de publicatie niet door de beugel kan. Er zijn andere middelen om het eigen gelijk te halen: ingezonden stukken, de Raad voor de Journalistiek, de rechter, een brochure ('Nee tegen Crezee!'). Niettemin sluit ik ontslag van een hoofdredacteur onder wiens verantwoordelijkheid een werkelijk ontoelaatbare bewering is gedaan, niet uit. In dit geval ben ik ervan overtuigd dat Crezee geen blaam treft. Anders zou de commissie van toezicht op het blad, of hoe dat orgaan bij de Hogeschool van Amsterdam ook mag heten, de hoofdredacteur niet in bescherming hebben genomen. Bovendien las ik dat de rest van de redactie en de aan het blad meewerkende freelancers uit protest tegen het ontslag van Crezee zijn opgestapt. Dat doe je niet als je eigenlijk vindt dat je collega ook wel een beetje heeft geblunderd of te ver is gegaan. Zoiets, voorzitter Korteweg, heet nu solidariteit.

Waarom deze affaire mij pas echt onbehaaglijk stemt, is de stilte die op de paar berichtjes over het lot van Crezee en zijn redactie is gevolgd. Dat is wel een groot verschil met de jaren zestig toen een zaak van deze omvang vrijwel dagelijks voor rumoer zou hebben gezorgd. Studenten en docenten zouden protestacties op touw hebben gezet; er zou iets ludieks zijn gedaan, hoe wansmakelijk ook. Maar tegenwoordig dossen alleen leraren en ambtenaren die meer loon eisen, zich ludiek uit. En de studenten? Korteweg pleegde zijn coup net in vakantietijd, maar het zou mij niet verbazen als ook na de introductieweek de studenten aan de Hogeschool van Amsterdam het uitrollen van spandoeken achterwege laten. Over de verbondenheid van studenten met het blad van hun onderwijsinstelling moeten we niet al te veel illusies koesteren, zeker nu bij hen het lezen in het algemeen in diskrediet aan het raken is. Een universitair docent bedrijfskunde vertelde mij dat zijn studenten zo bezeten waren geraakt van snel rijk worden dat zelfs de zin van studieboeken hun ontging. 'Ze willen alleen nog beurstips van mij.' Dat is wat extreem uitgedrukt, maar anderzijds hoor ik dat zelfs studenten aan de School voor de Journalistiek ook minder en minder kranten lezen.

De stilte na dit kleine drama rond een hogeschoolblad typeert de tijdgeest. Bestuurscolleges van universiteiten en hogescholen zien in toenemende mate - het is een jaar geleden in deze krant al gesignaleerd - de bladen die door hun instelling worden uitgegeven, als voertuig voor pr-geleuter. Ze willen af van redacties die de interne gebeurtenissen volgen, uitspitten en becommentariëren. Kritiek werkt maar contraproductief, vinden ze, want dat lokt geen studenten, en stoot opdrachtgevers voor onderzoek, de aanbeden 'derde geldstroom', maar af. In plaats daarvan willen de bestuurders een soort regelmatig verschijnende, op fraai papier gedrukte, veelkleurige brochures waarin de successen van hun instituut worden bejubeld.

Korteweg krijgt niet alleen zijn zin omdat hij de baas is en Crezee zijn ondergeschikte, maar vooral omdat hij de tijdgeest mee heeft en Crezee in vergelijking daarmee is verouderd. In de wereld van universiteiten en hogescholen heeft een Crezee als journalist vermoedelijk geen toekomst meer. Het is meer dan symbolisch dat hij blijkens een berichtje bij zijn voormalige blad wordt opgevolgd door 'iemand uit de computerwereld'. Mijn advies aan Crezee luidt dan ook: begin een eigen blad. Een gratis blad voor beleggers dat in stapels wordt neergelegd in collegezalen.

Meer over