Over en... uit

Nog twee dagen en dan moet de werkplek rookvrij zijn. Vermoedelijk zullen honderdduizenden proberen om op 1 januari de 'laatste sigaret' te roken....

De huiskamer van het rijtjeshuis was afgeladen met ooms, tantes en buren. Ze zaten in een grote kring rond de tafeltjes die overal vandaan waren gesleept. Over de tafeltjes lagen kleedjes en op de kleedjes stonden glazen en flessen (jenever, bier, citroenbrandewijn), asbakken en potjes en glaasjes met sigaretten: Belinda, Tivoli, Peter Stuyvesant voor de vrouwen, Caballero voor de mannen. Daarnaast lagen pakjes shag, blauwe pakjes Drum vooral, maar ook groene pakjes Twin en rode pakjes Unic shag.

Sommige mannen hadden bruine etuis waarin ze hun pakjes shag stopten om de tabak vers te houden. Al in pyjama, met de slaap in de ogen, keken de kinderen in een mist van rook naar de volwassenen, twintigers en dertigers, jonge vaders en moeders, de mannen werkten in de fabriek, bij de post of als vrachtwagenchauffeur, de vrouwen zorgden thuis voor de kinderen. De mannen hadden grijze broeken aan met fleurige overhemden, de vrouwen droegen strakke jurkjes, met blote benen, hun haar was opgestoken in een knotje.

Hoe ze rookten! De vrouwen inhaleerden kort, legden hun hoofd in de nek en bliezen de rook koket in de richting van de lamp aan het plafond. De mannen zaten daarentegen licht voorovergebogen, ze inhaleerden diep en knepen daarbij hun ogen dicht. Het uitblazen ging nonchalant, langzaam, rond hun hoofden vormden zich gestaag groeiende rookwolken.

De volgende ochtend geurde het huis nog opwindend na, naar tabak, drank en schoonmaakmiddel. En 's avonds hing er nog altijd de waas van de misschien wel duizend sigaretten die tijdens het feest waren gerookt. Er werd geen woord aan vuil gemaakt.

Dat was 1967. Niets was vanzelfsprekender dan roken, niet alleen voor mannen (tachtig procent rookte!), maar in toenemende mate ook voor vrouwen. Er waren mensen die nicotineloos door het leven gingen, maar dat moeten zonderlinge types zijn geweest. Dat te veel roken keelpijn en hoestbuien tot gevolg hadden was bekend, maar het idee dat roken - laat staan meeroken - echte ziektes kon veroorzaken, dat had nog geen plek in het collectieve bewustzijn.

In navolging van de betere kringen, waar het normaal was om gasten 'een rokertje' te offreren, was het voor de zich emanciperende arbeidersklasse niet meer dan fatsoenlijk om ruim te voorzien in sigaretten, voor het geval de gasten dat zelf niet konden en om te tonen dat ze zich een dergelijke luxe konden permitteren. Rolmodellen en beelden waren in de jaren zestig ruimschoots voorhanden: de stoere screen smoker Humprey Bogart (hij stierf op zijn 57-ste aan kanker) en smoking queen Lauren Bacall als zijn tegenspeelster, de intellectueel Jean Paul Sartre, de rebel James Dean, sekssymbool James Bond met postcoïtaal rokertje, melancholieke jazzmusici in rokerige cafés en destructieve, rokende gitaarspelers als Keith Richard. 1967, het bleek achteraf het rokerigste jaar uit de naoorlogse Nederlandse geschiedenis te zijn.

Tien jaar later al waren de glaasjes met sigaretten op tafel vervangen door Melba toast, camembert, brie en franse notenkaas, nieuwe symbolen van welstand. Het begrip welvaartsziekten - cholestorol, kanker - had zijn intrede gedaan, het rapport van de club van Rome had een verband gelegd tussen milieu en menselijk gedrag. En roken, zo werd nu algemeen aangenomen, moest wel slecht zijn voor de gezondheid, ja, het kon zelfs longkanker veroorzaken, al waren er nog altijd mensen die durfden te beweren dat het bewijs daarvoor niet onomstotelijk was.

In de Verenigde Staten, in Groot-Brittannië, maar ook in Nederland kwamen in de jaren zeventig voorzichtig de eerste anti-rookcampagnes op gang, er kwamen rookvrije plaatsen in vliegtuigen en bioscopen, de sigarettenindustrie ging akkoord met het vermelden van teer en nicotinegehaltes op de pakjes, reclame voor tabak werd op televisie verboden.

In Nederland werd in 1974 de Stichting Volksgezondheid en Roken opgericht (Stivoro), door onder meer het Astmafonds en de Hartstichting. Er volgden anti-rookcampagnes, gericht op jongeren. De inspanningen en de onheilstijdingen misten hun uitwerking niet. In 1980 rookte nog maar de helft van alle mannen en rond de 35 procent van de vrouwen.

Desondanks: roken was nog altijd de norm in de jaren zeventig en in de eerste helft van de jaren tachtig. Het argument: 'Ik moet toch zelf weten of ik me dood rook', was ruim voldoende om niet-rokers op afstand te houden. Geen niet-roker die het in zijn hoofd haalde om te beweren dat hij last had van de rook, laat staan dat 'passief roken' schadelijk was. Hij of zij zou weggehoond worden, al verscheen al in 1978 het eerste artikel in het Britisch Medical Journal over de mogelijke gevaren van het 'meeroken'.

Op de middelbare school voerde de spraakmakende minderheid oeverloze principiële discussies met leraren om het roken in het klaslokaal toe te laten. De niet-rokers, die de meerderheid vormden, zagen met lede ogen aan hoe weer een lesuur verloren ging en hoe sommige leraren uiteindelijk overstag gingen. Ze protesteerden niet. Bij de voetbalclub, waar de rokers al snel afdaalden tot de lagere elftallen, werd het nog stoer gevonden om niet alleen voor en na de wedstrijd, maar ook in de pauze in de kleedkamer te roken. En op televisie verschenen vakbondsbestuurders van het type Paul Rosenmöller, in spijkerjasjes met een pakje Drum of Samson nonchalant in het jaszakje.

De werklozencultuur van de eerste helft van de jaren tachtig ging uitermate goed samen met het roken van shag. In studentenhuizen, die als vanzelf huizen werden met werkloze afgestudeerden, leken de Volkskrant, de koffiepot, Drum en Samson onafscheidelijk. Meer in het algemeen werd de gemotiveerde roker halverwege de jaren tachtig nog geen strobreed in de weg gelegd.

Pas eind jaren tachtig begonnen de verhoudingen te veranderen en toen gingen de ontwikkelingen ook snel. Terwijl rokers de spot dreven met de humorloze en vreugdeloze anti-rokers en nog wegwuivend spraken over 'gekke Amerikanen', vergaten ze dat de oorlog al volop bezig was. Onderzoek na onderzoek verscheen over de nadelige effecten van (mee)roken en tegenwerpingen ('Een levenslang TROS-lidmaatschap is ook ongezond, maar geen wetenschapper die dat nou eens diepgaand onderzoekt', schreef Marcel van Lieshout in de Volkskrant) konden het tij niet keren.

De anti-rooklobby beet zich vast in haar gelijk. Het leek soms wel of de fanatiekelingen onder hen eindelijk hun wraakgevoelens jegens de rokers met hun misplaatste superioriteitsgevoel ('Rokers zijn gezelliger, leuker.') de vrije loop lieten.

Iets dergelijks vermoedde de bejaarde hoofdpersoon in De Laatste Roker (1990) van W. F. Hermans, die op het politiebureau belandt wegens het illegaal roken van een Gauloises-sigaret. De politie-inspectrice, nichtje van een 'tabaksbestrijder van het eerste uur', vertelt over de vernedering van haar oom: 'Twee beroemde journalisten zaten hem te interviewen op de TV en om de beurt bliezen ze rook in zijn gezicht. Goddank heeft dat tuig mooi aan het korste eind getrokken.'

Hermans, verstokt Gauloises-roker, gaf in De Laatste Roker overigens blijk van een vooruitziende blik. 'Weet u waarom tabak verboden is', zegt de hoofdpersoon, als de inspectrice hem een snuifje cocaïne aanbiedt. 'Omdat de dokters kanker niet kunnen genezen en de politici toch een overwinning wilden behalen, toen ze de cocaïne- en heroïnehandelaars niet tot andere gedachten konden brengen. Rokers waren ordelievende mensen, gewend de wetten te gehoorzamen. De tabaksbestrijding was een koud kunstje.' Hermans rookverslaving werd hem overigens wel fataal: hij stierf aan longemfyseem.

Wat verstokte rokers ook al niet hielp was het overlijden, in 1992 en in 1995, van twee voormalige Marlboro-mannen aan longkanker. De genadeklap kwam toen de anti-rokers de schadelijkheid van het 'passief roken' tot speerpunt maakten in hun campagnes, uiteraard op basis van onderzoeken waaruit die schadelijkheid bleek.

Hoe aanvechtbaar en relatief die onderzoeken wellicht ook waren en zijn, de roker zat nu opgezadeld met de verdenking dat hij verantwoordelijk was voor de dood van anderen. Dus voelde de roker zich schuldig. Hij rookte vanaf begin jaren negentig op feestjes gewillig op het balkon, hij zat eindeloze etentjes uit zonder te roken, hij rookte niet in vliegtuigen, liet zich in overvolle rookcoupes stoppen, rookte niet op zijn werkplek en in openbare gebouwen, rookte niet in de auto als er anderen bij waren en hij vond nu zelf ook dat zijn kleren stonken en dat ruimtes erg rokerig konden zijn als er werd gerookt.

Het bleek allemaal niet genoeg te zijn. Hoe minder er gerookt werd, hoe groter de overlast, zo leek het wel. Dus kwam er een Tabakswet die het roken per februari 2004 flink duurder maakt en die niet-rokers vanaf 1 januari een rookvrije werkplek moet garanderen. Dat laatste komt bij veel bedrijven en kantoren in de praktijk neer op een rookverbod voor werknemers.

Het past in een tijd waarin het overheersende idee is dat de mens geneigd is niet te deugen en anderen tot last te zijn, waarin behoefte bestaat aan duidelijkheid, aan controle, aan het aanhalen van teugels. Op de website van Stivoro staan dezer dagen stimulerende en opgetogen slogans die vooruitlopen op de verplichte rookvrij werkplek, per 1 januari. Leuzen als: 'Op 31 december rookt Nederland de laatste sigaret', en 'Op 1 januari maakt Nederland het uit met de sigaret'.

Het is van een EO-achtige blijheid die bij verstokte rokers destructieve gedachten kan oproepen, maar de verwachting is dat 150 duizend werknemers inderdaad op 31 december proberen 'de laatste sigaret' te roken.

Je kunt je als roker, of als liberaal, opwinden over de absurde trekjes van het anti-rookbeleid (een rookverbod op treinperrons), je kunt je afvragen wat de volgende stap is en welke andere vrijheden vervolgens in het geding zijn. Je kunt zelfs uitzoeken of er niet een juridisch af te dwingen recht bestaat op een rookvolle werkplek. Maar je kunt ook kiezen voor de rationele en weinig rebelse optie: de maatregel gebruiken als hulpmiddel bij de zoveelste stoppoging.

Het alternatief is namelijk weinig aanlokkelijk: een bushokje op de werkvloer, met plaats voor vijf rokers, oftewel vijf opzichtig falende mensen: de lamme, de blinde, de dwerg, de reus en de vrouw met de drie borsten. Het kan verkeren. De stoere, rebelse roker van weleer is een zonderling geworden, een zielige zonderling.

Meer over