Over beurs, studie, punten en tijd

Voor 1986 waren studenten voor hun inkomen afhankelijk van hun ouders. Die kregen voor een studerend kind extra kinderbijslag of fiscale tegemoetkomingen....

In 1986 werd de basisbeurs ingevoerd, een vast bedrag voor iedere student. De basisbeurs moest de student onafhankelijk maken van zijn ouders en de regelingen voor studiefinanciering eenvoudig maken. De basisbeurs werd beschikbaar gesteld voor de duur van zes jaar.

In het najaar van 1991 werd het recht op een basisbeurs beperkt tot vijf jaar, de cursusduur plus een jaar extra.

Vanaf het studiejaar 1993-'94 werd de regeling strenger en werd de beurs rechtstreeks gekoppeld aan prestaties. Studenten kregen een tempobeurs, die na een studiejaar alsnog werd omgezet in een lening als de studievoortgang onvoldoende was geweest. Onvoldoende was in eerste instantie: minder dan een kwart van de studiepunten halen. Vanaf 1995 werd de norm verhoogd tot de helft.

Sinds september 1996 is het recht op een beurs beperkt tot vier jaar. In eerste instantie is deze prestatiebeurs een lening. Pas als aan de gestelde voortgangsnormen is voldaan wordt die lening geheel of gedeeltelijk omgezet in een beurs. In het eerste jaar moeten studenten tenminste de helft van het aantal studiepunten halen.

Het basisbedrag van de beurs is voor thuiswonende studenten 125 gulden per maand, voor een student op kamers 425 gulden per maand, onafhankelijk van het inkomen van de ouders. Daarbovenop kunnen studenten een aanvullende beurs krijgen als hun ouders een laag inkomen hebben. De maximale aanvullende beurs voor thuiswonende studenten bedraagt 372 gulden, wie op kamers woont kan 407 gulden krijgen. In totaal is de beurs dan 497 (thuiswonend) of 832 (uitwonend) gulden.

Daarnaast krijgen studenten een kaart voor het openbaar vervoer. Die werd ingevoerd in 1990. Sinds 1994 moeten studenten kiezen tussen een week- en een weekeindekaart.

Het College Toekomst Studiefinanciering, ingesteld door minister van Onderwijs Ritzen, houdt het stelsel momenteel tegen het licht. Deze maand komt het college met zijn bevindingen, maar duidelijk is al wel dat het huidige stelsel doorzichtiger moet worden. Een van de richtingen waarin het college denkt, zei voorzitter L. Hermans deze zomer, is het inspelen op de toenemende individualiteit - een stelsel aangepast aan de student en aan de instelling waar hij studeert.

Meer over