Ouders, ooms, tantes, broers, zussen, neven, nichten

In Family Tree werkt fotograaf Ringel Goslinga aan een complete stamboom van zijn bloedverwanten – maar ook de tandarts doet mee....

Van alle portretten in Family Tree van Ringel Goslinga maakt die op het omslag het nieuwsgierigst. Wat je daarop ziet? Niets. Een zwart vlak, met niks erin. Een nooit gemaakte foto? De belofte van een foto? Een zelfportret van de fotograaf? Het wordt niet meteen duidelijk, maar het zwart is intrigerend genoeg om het boek open te slaan.

Binnenin veel witte pagina’s. En daar tussendoor heldere zwart-wit portretten. Dit is de familie van Ringel Goslinga (1969). En onder familie verstaat de fotograaf niet alleen directe bloedverwanten, maar ook de weidse vertakkingen van zijn gescheiden ouders, hun vrienden, zijn eigen vrienden en collega’s, en bijvoorbeeld zijn tandarts. Wat die mensen gemeen hebben, is dat ze allemaal op zeker moment belangrijk zijn (geweest) in het leven van de fotograaf.

Goslinga exposeerde Family Tree (begonnen in 2003 en nog steeds uitdijend) eerder bij Serieuze Zaken Studioos en in Foam in Amsterdam. Op de een of andere manier liet het project toen minder indruk achter dan dat het nu doet, in boekvorm. Misschien vanwege de intimiteit van het onderwerp: Goslinga’s eigen omgeving.

De fotografische stamboom van de invloedrijke familie Vriesendorp die hij vorig jaar volgens hetzelfde principe samenstelde in het Simon van Gijn Museum in Dordrecht werkte wel weer goed. De afstandelijkheid (door de relatief kleine portretten en de hoeveelheid ervan) riep een prettige wetenschappelijkheid op.

Met het boek op schoot is de intimiteit van Family Tree beter te ervaren. Evenals de vreemdheid ervan. Vreemd omdat je beseft dat de portretten van Goslinga’s ouders, broers, zussen, neven en nichten door de fotograaf anders worden ‘gelezen’ dan door jou, vanwege zijn band met die mensen. En vreemd omdat hij iedereen precies dezelfde behandeling heeft gegeven.

Er zijn wel verschillen in houding – van sommigen werd alleen het gezicht gefotografeerd, anderen staan er van hoofd tot voeten op – maar de sfeer op elke foto is hetzelfde. Bijna niemand lacht, het is ernstigheid troef. Misschien nog niet zo ernstig als op de foto’s van Koos Breukel (van wie Goslinga ooit de assistent was), maar het scheelt niet veel. Nummers verwijzen naar een overzichtje achterin, waarin heel sec vermeld staat wie wie is.

En dan komen langzaam de vragen, vragen die wellicht ongepast maar ook onvermijdelijk zijn. Als Goslinga zijn accountant op dezelfde manier presenteert als zijn eigen vader – hoe belangrijk is zijn vader dan voor hem? Betekent zijn huidige vriendin evenveel als zijn vroegere scheikundeleraar? Waarom staat een bezoeker van een tentoonstelling er op dezelfde manier tussen als zijn oma?

Antwoord op de vragen krijg je niet. Goslinga laat niets los over waarom deze mensen voor hem belangrijk zijn, alleen dat het zo is. Een verduidelijkend tekstje bij elke foto zou het project belachelijk maken, en veel minder mooi.

Er zijn nog twee zwarte vlakken in het boek. Die staan voor mensen die niet gefotografeerd wilden worden, een tante van moeders kant, een oom van vaders kant. De ‘foto’ op het boekomslag blijft onbesproken.

Het zal Ringel Goslinga zelf zijn: een fotograaf die een eigen portret maakte met beelden van zijn naasten, maar zelf niet zichtbaar werd. Nóg niet. Misschien dat een volgend boekomslag heel voorzichtig zijn contouren toont. Tot die tijd houdt de fotograaf het spannend.

Meer over