Ouders moeten leren opvoeden

DE TWINTIGSTE eeuw zou 'de eeuw van het kind' moeten worden, maar het is de vraag of dat wel helemaal is gelukt....

Hij doet dat op een heel eigen en bijzondere manier. Zijn boek is overvol. Willems heeft een encyclopedische geleerdheid. Hij kan het niet laten op details in te gaan in lange voetnoten, die zich soms over pagina's uitstrekken. Daarnaast citeert hij zeer uitvoerig tal van bronnen, geschriften en documenten. Maar wie bij zoveel geleerdheid en drang naar volledigheid afstandelijk redeneren verwacht, vergist zich. Juist een enorme betrokkenheid bij het lot van mishandelde kinderen heeft hem tot deze schrijflust aangezet.

Willems begint met een beschouwing over de rechten van de mens, om na een lange voorgeschiedenis uit te komen bij het kind. Kinderen hebben ook rechten en omdat ze zwakker zijn, hebben ze dezelfde rechten als alle andere mensen, maar meer recht op bescherming. En een van de kernrechten van het kind is het recht op minimale persoonswording, zoals Willems het noemt. Wordt dat geschonden, dan is er sprake van mishandeling en heeft de overheid een taak.

Hij baseert zich daarbij op de pedagoge Doret de Ruyter. Die stelde in haar proefschrift uit 1993 dat de staat gerechtigd was in te grijpen, als dat recht van het kind werd geschonden. Wat men ook onder minimale persoonswording zou kunnen verstaan, één ding staat vast: die komt in elk geval in gevaar door lichamelijke, psychische en emotionele mishandeling en verwaarlozing, en uiteraard door seksueel misbruik.

Nu heeft Nederland in 1995 het verdrag inzake de rechten van het kind ondertekend. Dat was zes jaar tevoren, in 1989, unaniem door de Verenigde Naties aanvaard. Daarmee heeft de Nederlandse overheid zich verplicht de minimale persoonswording van elk kind te behoeden. In beginsel hebben ouders de eerste verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Maar ontbreekt het hun aan voldoende pedagogisch besef, dan zou de overheid moeten ingrijpen.

Nu gebeurt dat ook wel: dat is immers de taak van wat vroeger Kinder- en tegenwoordig Jeugdbescherming heet. Als het echt misloopt, en de ontwikkeling van het kind ernstig in gevaar komt, kunnen ouders van hun taak ontheven worden.

In minder ernstige gevallen kan de kinderrechter een maatregel van ondertoezichtstelling uitspreken. Willems vindt dat in de meeste gevallen de Jeugdbescherming veel te laat is. Heel vaak is dan het leed immers al geschied en komt hulp niet op tijd.

Er lijkt een bijna onontkoombaar noodlot-scenario te bestaan; ouders die hun kinderen mishandelen, zijn heel vaak zelf in hun jeugd slachtoffer geweest. Daarnaast kunnen tal van andere zaken maken dat ouders pedagogisch ernstig tekortschieten, zoals armoede, verslaving, psychiatrische problemen.

Daarom ontvouwt Willems in het laatste deel van zijn boek een plan. Uitgaande van het recht van kinderen op meer dan minimale persoonswording stelt hij een vergaand stelsel voor om kindermishandeling te voorkomen - een sociaal-pedagogisch vangnet, dat door de overheid wordt georganiseerd. Dat vangnet zou in principe voor alle gezinnen zijn.

Drie punten zouden in het bijzonder aandacht moeten krijgen: vroegtijdige opvoedingsondersteuning, op vrijwillige basis maar als dat niet werkt met een opklimmende graad van verplichting; vervolgens opvoedingsonderwijs, niet alleen op scholen maar ook in de vorm van oudercursussen; en ten slotte de instelling van ouderschapssubsidie of opvoedingsgeld, dat dan in de plaats zou komen van het huidige stelsel van kinderbijslag.

Dat opvoedingsgeld zou een aantal voordelen hebben. Het zou niet alleen meer status verlenen aan het opvoeden van kinderen en moeders uit de bijstand kunnen houden, maar ook zou het gebruikt kunnen worden om mensen zover te krijgen dat ze de consultatiebureaus voor opvoeding ook daadwerkelijk bezoeken.

Kindermishandeling is er in vele soorten, en in de bijlage wordt een overzicht gegeven van alle mogelijke manieren waarop kinderen gekwetst, gekrenkt en mishandeld kunnen worden. Als het mogelijk zou zijn om daar iets aan te doen, zou dat veel leed besparen; ook voor de toekomst, wanneer die kinderen op hun beurt ouders worden.

Er is in Nederland geen samenhangend gezinsbeleid, geen minister of zelfs maar staatssecretaris, en voor kinderen is in de politiek weinig belangstelling - behalve als ze de aandacht trekken door overlast te veroorzaken. Het zou daarom helemaal niet zo gek zijn een samenhangend gezinsbeleid te voeren. Van consultatiebureaus voor zuigelingen denkt niemand dat de overheid zich op oneigenlijke wijze mengt in de privacy van het gezin. Waarom dan ook geen consultatiebureaus voor opvoeding?

Willems laat in zijn boek weinig twijfel bestaan aan zijn afkeer van de bezorgdheid van kinderbeschermers, die privacybelangen van ouders laten prevaleren boven de belangen van kinderen. De algemene terughoudenheid om kindermishandeling aan te melden, bij het grote publiek maar ook onder professionals, zou hij graag bestrijden door een meldingsplicht.

Dat is allemaal nog wel te begrijpen, maar hoe reëel is het zoveel te verwachten van een sociaal-pedagogisch stelsel van preventie, zoals hij bepleit? Een algemeen bevolkingsonderzoek zou waarschijnlijk vele tienduizenden gezinnen als risicogroep identificeren - en dan? Hoe groot zou de kans zijn dat er effectief, op maat, gehandeld zou kunnen worden door pedagogische professionals? Of zou dat een risico zijn dat genomen moet worden, omdat het alternatief - het aan hun lot overlaten van mishandelde kinderen - erger is?

Op de vraag wie de opvoeders zal moeten opvoeden - en hoe dat dan zou moeten - blijft Willems uiteindelijk het antwoord schuldig. En toch: hij heeft een indrukwekkend boek gepubliceerd. Niet eerder is zoveel materiaal op het gebied van de rechten van kinderen voor Nederland bijeengehaald. Laat de discussie over die rechten maar beginnen.

Meer over