Oude sociaal-liberale liedjes

Wie was aan het eind van de 19de eeuw de liberale Abraham Kuyper, de liberale Hermanus Schaepman, de liberale Ferdinand Domela Nieuwenhuis, of de liberale Pieter Jelles Troelstra?...

Raar misschien, mar die bestond niet.

En zo raar is dat natuurlijk ook weer niet. Protestanten, katholieken en socialisten waren in die tijd aan de hand van charismatische profeten net begonnen aan de lange mars naar politieke, maatschappelijke en culturele gelijkberechtiging. De liberalen evenwel hadden hun Grote Roerganger al veertig jaar achter de rug.

Figuren als Kappeijne van de Coppello, Pierson, Treub, Tak van Poortvliet, Goeman Borgesius, Cort van der Linden of Heemskerk waren de een wat vrijzinniger of radicaler dan de ander eerbiedwaardige liberale mannen, maar het waren geen voormannen, geen Thorbeckes meer.

Sterker nog: de jonge Samuel van Houten beschouwde omstreeks 1870 het gedachtegoed van de oude Thorbecke als een sleets merk, om 't eens in de woorden te zeggen van een 'linkse' liberaal uit 2004. De oprichting van de Liberale Unie bekrachtigde als het ware de breuk met de aartsvader: Thorbecke was er immers altijd principieel tegen geweest om het liberale denken te laten verstenen in een liberale partij.

De partijvorming leidde bovendien binnen de kortste keren tot partijvleugels en partijsplitsingen. Nog vde 19de eeuw om was, hadden de 'Oudliberalen' zich al ter rechter zijde van de Unie afgescheiden, en een paar jaar later volgde aan de linkerkant de uittreding van de 'Vrijzinnig Democraten'.

Wat we vandaag de dag Melanie Schultz en Mark Rutte tegen Henk Kamp en Geert Wilders horen zingen is in veel opzichten een oud liberaal liedjeToen, net als nu, was sociaal-liberaal het toverwoord.

Aan het eind van de eeuw was het klassieke liberale laissez faire-adagium met betrekking tot de economie in feite failliet: de overheid kon in het aangezicht van een steeds omvangrijker en relatief steeds armere arbeidersklasse niet meer doen of haar neus bloedde. En het liberale establishment zou wel gek zijn geweest als het niet op enigerlei moment in de 'sociale quaestie' het leerstuk van de staatsonthouding had verlaten, en eieren voor z'n geld had gekozen.

Er is geen twijfel aan of typisch 19de eeuwse mannen als Goeman Borgesius of Pierson waren oprecht geschokt door de voorbeelden van verpaupering waarmee ze geconfronteerd werden. Hendrik Goeman Borgesius was een prominent lid van de beroemde parlementaire 'arbeidersenqu' uit 1887, die de meest ergerlijke vormen van uitbuiting aan het licht bracht, van de door de populaire volksschrijver Justus van Maurik gedreven sigarenmakerij in Amsterdam tot aan de Maastrichtse aardewerkfabriek van de beruchte ondernemer Regout.

Maar verder dan een beschaafd soort 'kathedersocialisme' zou de sociale bevlogenheid van Goeman nooit reiken, en we mogen best geloven dat zijn pleidooien voor sociale wetgeving (die hij later als minister voor een deel ook zou waarmaken) mede een zaak van welbegrepen liberaal eigenbelang is geweest. Zoals Mark Ruttes actuele pleidooi voor een sociaal-liberale VVD mede is ingegeven door de al dan niet rationele becijfering dat er aan de linkerflank van de partij nog een miljoen kiezers is te halen.

De vraag is intussen of je Goeman Borgesius vanwege zijn sociaal-liberale (wel)daden ook maar meteen de 'vader van de verzorgingsstaat' mag noemen.

Dat doet de historicus Bert Wartena in een boek dat op een biografie lijkt, maar vrijwel alle kenmerken van dat genre mist, en in laatste instantie ook meer weg heeft van een levensschets, ampel gelardeerd met dagbladartikelen, Kameruitspraken en andere publieke boodschappen, waaronder ook wetsteksten.

Zou het dan een politieke biografie mogen heten?

Dat eigenlijk ook niet, omdat er sprake is van maar heel weinig politieke 'omgeving', terwijl die in Goemans actieve jaren hij kwam al in 1877 in de Kamer, en stierf veertig jaar later vrijwel in het harnas toch ongemeen levendig moet zijn geweest: nieuwe partijen, scherpe tegenstellingen, een steeds verder versnipperd liberalisme tegenover een (door Goeman en de zijnen heftig misprezen) confessionele machtsvorming, plus een aantal issues naast de sociale troebelen, de kwestie van het kiesrecht en de telkens weer oplaaiende conflicten over het bijzonder onderwijs die je met recht hete hangijzers mocht noemen.

Maar bij Wartena vliegen de stukken er niet af hij is zelfs niet in de verleiding gekomen om de groeiende rol van de (parlementaire) pers te betrekken bij de geschiedenis van een man die toch op z'n 24ste al hoofdredacteur was van het toen nog prille Vaderland!

Een net boek over een zeer nette, maar niet luidkeels tot de verbeelding sprekende man.

Maar was hij nou een vader van het sociale gebouw dat inmiddels door Balkenende, Zalm en De Geus in de renovatiesteigers is gezet en waarvan we nog maar moeten afwachten hoe het ooit vanachter het groene dekgaas weer tevoorschijn zal komen?

In feite wordt die vraag meer en helderder beantwoord door Dirk Jan Wolffram,wiens studie over de ontluikende sociale politiek in de periode tussen 1870 en 1918 deel uitmaakt van het brede, en tot dusver zeer succesvolle onderzoeksprogramma 'De natiestaat politiek in Nederland sinds 1815'.

Wolffram gunt Goeman Borgesius alle eer, maar hij is niet erg geneigd om het begin van elementaire wetgeving (op het gebied van woningbouw, invaliditeit en ouderdomspensioen) toe te schrijven aan man. In zijn boek wordt ervan uitgegaan dat het 'sociaalliberalisme' als geheel het klimaat heeft geschapen waarin met het dogma van de principi staatsonthouding kon worden gebroken. En bovendien benadrukt hij de rol van het particulier initiatief (de medisch-hygische wetenschap met name) en van de lagere overheden in wat je de 'solidariserende' ontwikkeling kunt noemen.

Tussen z'n soms wat stroeve regels door suggereert hij dat mannen als Goeman Borgesius door het opkomend socialisme evenzeer zijn gei¿nspireerd als 'opgejaagd' en wat hij misschien ook wil suggereren (maar dan moet je heel goed lezen), is nog iets anders. Werd de behoefte, of de noodzaak, om de staat als 'sociale partner' te laten intervenin in het economisch proces, niet ook ingegeven door de angst voor een maatschappelijke tweedeling die de net voltooide 'natiestaat' zich voor geen goud kon of wilde permitteren?

'De boel bij mekaar houden': veel illusies en veel bezweringen die we van de vroege 21ste eeuw kennen, kwam je aan het eind van de 19de al volop tegen.

Meer over