Oude collectie smaakt als nieuw

SACHA BRONWASSER

Beeldende kunst

****

Er was eens... De collectie nu. Van Abbemuseum Eindhoven, meerjarige presentatie.

vanabbemuseum.nl

Het van Abbe legt bij deze nieuwe doorlopende tentoonstelling een verband tussen kunst en samenleving.

Oude wijn in nieuwe zakken - iemand nog? Nooit is dat als compliment bedoeld en wie ernaar streeft, is een oplichter. Toch is dat precies wat een museum moet doen als het zijn collectiepresentatie vernieuwt. Een collectie ís nu eenmaal grotendeels oude wijn, een kelder vol oude flessen zelfs, met alle voordelen en problemen van dien. Er zitten karakters in die mettertijd aan waarde hebben gewonnen, er is een deel verweesd of verzuurd en de nieuwe aanwinsten zijn een gok.

In het Van Abbemuseum opende begin deze maand de nieuwe opstelling Er was eens... De collectie nu, een presentatie die de komende jaren moet meegaan. En daar is vol overtuiging oude wijn in een gloednieuwe zakken geschonken. Wat heet, in fonkelende nieuwe glazen. Aan een avontuurlijk gedekte, deels geheel verbouwde tafel. Laat die wijn eens walsen en zie hoe het licht nu heel anders speelt op bijvoorbeeld de Fragmente einer Rede über die Kunst van Daniel Buren, een ensemble van achttien gestreepte schilderijen die Buren volgens zijn vaste recept tussen 1965 en 1981 maakte. Je kon ze altijd zien als conceptuele kunst, of als stoïcijnse schilderkunst die alle modes en opvattingen doorstond, of als geestdodende herhaling. Maar door de achttien doeken in de hoogte in het trappenhuis te hangen, etaleert het museum de decoratieve kant van het werk, dat in al zijn strengheid toch zo wendbaar en behaagziek is als de Bretonse streep in de mode.

Het werk krijgt ruimte en adem door een slimme ingreep van de inrichters, die door het hele gebouw heen goed op dreef zijn en met de grootste zorg en plezier de LandArt aan de voet van Dan Flavins lichtkunst hebben gelegd, de beroemde Marc Chagall fijn (en historisch verantwoord) gezelschap hebben gegeven, goede oplossingen hebben gevonden voor de altijd tijdrovende videokunst en voor een schat aan historische documenten die je kunt raadplegen als je wil. De hedendaagse zalen zijn een kleurrijke, kosmopolitische kashba en zelfs de neus wordt bediend met uit specerijen opgebouwde tegelvloer (Laurent Mareschal). Wat een plezier.

Dat zintuiglijke plezier en die esthetiek zijn opmerkelijk (en staan daarom in deze recensie bovenaan) omdat de insteek van de tentoonstelling eigenlijk heel anders, vooral intellectueel is, namelijk: kunst plaatsen in 'een dynamisch beeld van een wereld die voortdurend in verandering is'.

Zo kennen we het Van Abbe. Het museum is onder directeur Charles Esche de afgelopen negen jaar een sterk activistische koers gaan varen - waarbij het vermogen van kunst om een deuk in een pakje wereldboter te slaan nog wel eens werd overschat. Een schilderij van Picasso met enorm veel gedoe en dito beveiligingskosten naar de Westbank brengen - wat leverde dat nu op, behalve een stoer verhaal en mooie foto's?

Het lukt niet altijd even goed, maar de overtuiging is solide. Het was te verwachten dat het Van Abbe bij deze nieuwe presentatie zou kiezen voor het verband tussen kunst en samenleving. Een verband dat je bijvoorbeeld in het Stedelijk Museum Amsterdam, waar de collectie doorgaans aan de hand van kunstenaars wordt verteld, niet snel zult aantreffen.

Hier wel. In chronologische volgorde, vanuit de kelder naar de nok, loopt de expositie door de voornamelijk Westeuropese geschiedenis waarbij het vooral op stoom komt na de Tweede Wereldoorlog. Voor elke periode is een insteek bedacht en/of een belangrijk evenement (zoals een historisch belangwekkende tentoonstelling) opgeroepen. De jaren 1965-1985 vat het museum op als de tijd van de tegenculturen en de do it you self spirit van de hippies en de punkers is niet alleen in de zalen te zien (de stad wordt bediend met een terugblik op Eindhovense kunstenaarsinitiatieven), maar ook in een speciaal ingericht archief waarin bezoekers zelf allerlei minder kwetsbare werken uit kunnen kiezen. De vele documentaire fragmenten (van Heddy Honigman tot bedrijfsfilms) houden de lijn met de wereld buiten de kunst open. Om publiek nieuwsgierig te houden zijn er wisselende elementen in de nieuwe collectiepresentatie..

Nee, niet álles lukt. Soms lopen de wandteksten nog stroef. De wisseling van koers van het museum (wapperend per directeur) komt nauwelijks aan bod. En het huidige Van Abbe bemoeit zich graag met 'de positionering van de toeschouwer', die daardoor aanvankelijk verstrikt raakt in de mogelijkheden. Moet hij nu met een door kinderen ingesproken iPod-rondleiding de zaal in, met een door choreografen ontworpen tasje en een bewegingsinstructie, met een soundscape op het hoofd?

Dat is helemaal niet nodig, de opstelling (en een kleine gids) lokt en leidt vanzelf met lering en vermaak en het groeiende besef dat zelfs de meest 'autonome' kunst iets zegt over zijn tijd. Niks oud. In Er was eens... smaakt het bijna allemaal nieuw.

undefined

Meer over