Oud zeer(3)

IK HOU niet van T-shirts (behalve misschien van die ene Amerikaanse die ik een jaar of vijftien geleden in New York bijna gekocht had, en waarop simpel gedrukt stond: One nuclear bomb can ruin your whole day), maar voor deze zwicht ik; in ieder geval in Jakarta wil ik desnoods...

Of zou ik voor aap lopen?

Pas nadat ik 'm gekocht heb en voorzichtigheidshalve nog drie dagen in de kast heb laten hangen, valt me op dat ik ze nergens op straat gedragen zie worden, laat staan door Europese toeristen die door hun lengte, hun vale kleur en hun lelijkheid toch al gauw de aandacht trekken.

Er is, bedenk ik ten slotte, toch alle reden om 'm als souvenir in m'n koffer mee naar huis te nemen, en in een nooit als zodanig bedoelde collectie (gestolen hotelasbakken, buttons met I like Ike, bierviltjes, jubileumpostzegels van de WK 1970) op zolder langzaam maar zeker te laten verkommeren - en ik neem in m'n gewoonste overhemd een taxi naar Jalan Proklamasi: de plek van de woning (maar de woning is er niet meer) waar Sukarno een halve eeuw geleden plaatsnam achter een door de Japanners geleverde microfoon en zei dat wij, het volk van Indonesië, hierbij de onafhankelijkheid van de Republiek uitriepen.

Er is in de stad net een seminar gehouden over de vraag of Japan nou wel of niet nog z'n verontschuldigingen moet aanbieden over wat het tussen 1942 en 1945 in de archipel heeft aangericht.

Wordt het eigenlijk geen tijd dat alle volkeren op aarde op een door de Verenigde Naties vast te stellen speciale verzoeningsdag aan alle andere volkeren op aarde excuses maken, niet alleen voor wat ze in enigerlei verleden hebben misdreven, maar voor de zekerheid ook vast voor wat ze mekaar in een mogelijke toekomst wellicht nog eens zullen aandoen?

Onder de Japanners, bleek op de studiedagen, leven grosso modo twee opvattingen. Historici zijn van mening dat er veel boete gedaan moet worden - maar politici en ambtenaren wijzen erop dat Japan een grote bijdrage aan de Indonesische onafhankelijkheid heeft geleverd door de training van jonge Indonesiërs, die na 1945 in ieder geval wisten hoe ze tegen de koloniale overheersers een geweer moesten vasthouden.

Daar heb je het gedonder weer.

Jakarta ziet er vrolijk uit. Zoals in landen met een kersttraditie elk jaar al van 1 december af de publieke kerstbomen in straten, op pleinen en in warenhuizen worden opgetuigd, zo zijn ze hier overal bezig vlaggen, wimpels, lampionnen en feestbomen op te hangen en neer te zetten: één zee van T-shirts als het ware, dus het zou ook onzin zijn om er ook nog eentje aan te trekken.

Mooi is anders, maar blijdschap is geloof ik nooit een esthetische categorie geweest. Het Proklamasi-platform - Sukarno en Hatta in steen tegen een vreugdemuur, en nog een losse obelisk waarop de proclamatietekst staat afgedrukt - is evenmin iets waarvan je zegt: dat streelt het oog.

Je ziet dat wel vaker in de geschiedenis: een volk bewerkstelligt z'n bevrijding en is daar zo tevreden mee, dat het zich niet meer druk maakt over de vraag of het heugelijke feit ook mooi herdacht moet worden.

Nog iets dat opvalt: de plek is doodstil. Niet alleen draagt niemand er een feestshirt, maar de vijf mannen in de portiersloge van het merdekagebouw die me nakijken terwijl ik een ogenblik - op de door monseigneur Muskens bedoelde wijze - plechtig stilsta bij de twee standbeelden, lijken iets verbaasds in hun blik te hebben, alsof ze zeggen willen: er is toch wel iets leukers te doen in Jakarta?

Meer over