Otis Redding schalt uit de autoradio

George Pelecanos is een man met een missie. De tijd dat hij er vooral op uit leek om de hipste vogel in misdaadland te worden, is voorbij....

In Pelecanos' laatste drie romans - de trilogie Right as Rain, Hell to Pay en Soul Circus - konden we al kennismaken met hoofdpersoon Derek Strange, een 50-jarige, zwarte ex-politieman die met zijn blanke partner Terry Quinn een privorlogje voerde tegen de drug- en wapendealers die de stad steeds verder in hun greep dreigen te krijgen. Een held dus, deze Strange, maar hij is geen figuur die is weggelopen uit een sprookjesboek. Daarvoor heeft hij te veel onaangename trekjes.

In 1959, het jaar waarin Harde revolutie begint, is Strange 13 jaar. Hij is een jongetje zoals alle andere. Hij houdt van honkbal en wilde 'dat hij een paar koppen groter was'. Toch heeft Derek ondanks zijn geringe lengte niet zoveel te vrezen, want de omgeving waarin hij opgroeit is nog bij lange na niet zo bedreigend als we uit Pelecanos eigentijdse romans gewend zijn. Niet dat het een paradijsje is, maar de door Grieken, Ieren, zwarten en joden bevolkte buurt doet tenminste nog bij momenten vriendelijk aan.

Niettemin zijn er een paar momenten waarop Derek op het verkeerde pad dreigt te raken. Dat dit niet gebeurt, heeft hij te danken aan de stabiele familie waarin hij opgroeit, maakt Pelecanos - soms iets te nadrukkelijk - duidelijk. Vader Darius Strange verdient een eerlijke boterham in de broodjeszaak van Mike Georgelakos, de vader van Dereks vriendje Billy, en zijn moeder komt aan de kost als schoonmaakster.

Samen vormen ze de rolmodellen die veel andere jongens (vrouwen en meisjes komen bij Pelecanos nauwelijks aan bod) moeten missen. Gevolg: als Derek door zijn vriendjes wordt aangezet tot zijn eerste winkeldiefstal, twijfelt hij zo lang dat hij wordt betrapt. De eigenaar laat hem vervolgens na een forse reprimande gaan. Dit blijkt het beslissende moment in Dereks jeugd, die vanaf nu zeker weet dat hij politieagent wil worden. Met zijn oudere broer Dennis lijkt het minder goed te gaan aflopen. Hij heeft verkeerde vrienden en neemt steeds radicalere zwartnationalistische standpunten in.

Na zeventig bladzijden maakt het boek dan een sprong, en zitten we plotseling in 1968. James Brown, Otis Redding en Wilson Pickett schallen uit de autoradio's, blank Washington houdt zich bezig met anti-Vietnamprotesten en het zwarte volksdeel is in de ban van de lezingen van Martin Luther King. Strange is intussen een jonge politieman en heeft het moeilijk. Niet alleen met zijn overwegend blanke collega's, maar ook met de zwarten op straat, die hem als een verrader zien. Dennis heeft in Vietnam gediend en is veranderd. Zijn politieke ambities zijn gedoofd, en hij dreigt nu een doorsnee crimineel te worden. Dreigt, want net als Derek krijgt hij op het laatste moment gewetensnood. Als dank voor het verklikken van een overval wordt hij door zijn vrienden vermoord.

Parallel aan deze gebeurtenissen is er nog een derde verhaallijn: drie blanke jongeren uit de wijk waar de familie Strange woont, zijn opgegroeid voor galg en rad, en rijden op een avond zonder reden een zwarte jongen dood. Politieman Frank Vaughn, een oude bekende in het oeuvre van Pelecanos, is vastbesloten het drietal op te sporen.

Terwijl Strange en Vaughn op de groepjes moordenaars jagen, groeit ook de sociale onrust in de stad naar een climax. Na de moord op Martin Luther King barst de hel los, en volgt het soort breed uitwaaierende slotakkoord waarop Pelecanos zo langzamerhand het patent heeft. Maar dit keer overtreft hij zichzelf: de paginalange beschrijvingen van de muitende menigte die de stad op z'n kop zet, zijn van een intensiteit die je onder misdaadschrijvers niet vaak tegenkomt.

Temidden van de brandende puinhopen krijgt Stranges persoonlijkheid definitief vorm. Hij realiseert zich eens en voor altijd dat zijn huidskleur en beroep niet onverenigbaar zijn, en hij leert zijn duistere kantjes kennen als hij de moordenaar van zijn broer te pakken krijgt. Wel probeert hij nog diens zoontje te redden, maar die poging is vergeefs. Het ventje zal later opgroeien tot een beruchte crimineel, zoals Pelecanos-volgers weten.

Het is het soort onprettige 'waarheid' dat boodschapper Pelecanos zijn lezers graag onder de neus wrijft. Net zoals hij graag benadrukt dat, in tegenstelling tot wat goedwillende blanken willen geloven, de meeste zwarten helemaal geen behoefte hebben aan toenadering tussen de rassen. Toch is Pelecanos geen pessimist. Hij blijft hoopvol, zonder de realiteit daarbij uit het oog te verliezen.

Net als zijn hoofdpersoon lijkt de schrijver zichzelf met Harde revolutie definitief te hebben gevonden. Het boek is op elk gebied - stijl, compositie, complexiteit van de personages - beter dan zijn voorgangers, en getuigt van beheersing en volwassenheid. Je vraagt je af tot wat voor moois dat nog gaat leiden.

Meer over