Oskars leerzame aftocht

Oskar Lafontaine heeft zijn politieke isolement, uitmondend in zijn plotselinge vertrek, grotendeels aan zichzelf te wijten. De kritiek op zijn persoon dreigt echter ook het zicht te benemen op de relevantie van veel van zijn opvattingen, meent Paul Kalma....

HET VERTREK van Oskar Lafontaine uit het Duitse kabinet is in economische en financiële kringen met gejuich ontvangen. De beursindex van van Frankfurt schoot omhoog en de euro steeg eindelijk weer eens in waarde.

Op een bijeenkomst van het Bundesverband der Deutschen Industrie (BDI) werd het aftreden van de Duitse minister van Financiën als een overwinning gevierd. Jürgen Schrempp, topman van Daimler-Chrysler, prees bondskanselier Schröder voor zijn hulp bij 'de terugkeer van Oskar Lafontaine naar Saarland'.

Waarna hij dezelfde Schröder opvallend hard aanviel. 'Met Cashmere, Chanel en Chablis', betoogde Schrempp, onder verwijzing naar de levensstijl van de kanselier, 'kan men Duitsland niet regeren.' Driehonderd ondernemers en managers, zo bericht Der Spiegel deze week, gaven Schrempp een staande ovatie. De overwinning, kortom, smaakte naar meer.

Bij zoveel gejubel in ondernemersland is men geneigd om Lafontaine stevig aan de borst te drukken; hem als slachtoffer te beschouwen van de felle campagne die er de afgelopen maanden - nationaal en internationaal - tegen hem gevoerd is. Zo'n reactie is echter even clichématig als het vijandbeeld dat van 'rode Oskar', 'de laatste socialist', 'de gevaarlijkste man van Europa' is opgetrokken.

Bovendien behoort Lafontaine tot het type politici (machtsbelust, onberekenbaar) waarmee men maar beter niet al te intiem kan verkeren.

Wie aldus afstand bewaart, ontdekt dat het spectaculaire terugtreden van Lafontaine (als lid van het kabinet, maar ook als voorzitter van de SPD) op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden: als de zelfdestructie van een geslepen politicus; als een symptoom van de terugtocht van de politiek in een marktmaatschappij; maar ook als een conflict dat de overeenkomsten tussen Lafontaine en Schröder, bijvoorbeeld inzake moreel geladen thema's als immigratiepolitiek, aan het oog dreigt te onttrekken.

Lafontaine heeft het politieke isolement dat hem als minister in het kabinet van Gerhard Schröder al snel ten deel viel (en waaruit hij vervolgens zulke vergaande consequenties trok) grotendeels aan zichzelf te wijten.

Of het nu ging om renteverlaging door de Europese Centrale Bank; om loonsverhogingen als middel om groei en werkgelegenheid te stimuleren; of om stabilisering van de internationale wisselkoersen: steeds wekte hij de indruk eerder uit te zijn op het halen van zijn veronderstelde linkse gelijk dan op steun, of op z'n minst begrip of respect, voor zijn controversiële standpunten.

Standpunten bovendien, die maar zeer gedeeltelijk betrekking hadden op het beleid waarvoor hij direct verantwoordelijk was.

Het was - zeker voor een doorgewinterd machtspoliticus als Lafontaine - een raadselachtige opstelling. Hij speelde er zijn vele vijanden - in en buiten het kabinet - mee in de kaart en heeft de kring van potentiële medestanders en bondgenoten drastisch en onnodig beperkt.

Ook internationaal was dat het geval. De aanvankelijke samenwerking met zijn Franse collega Strauss-Kahn, bij wie Lafontaine steun voor zijn kritiek op het gangbare 'monetaristische' beleid in de Europese Unie had kunnen vinden, ging steeds stroever verlopen - onder meer vanwege zijn bruuske aanvallen op de ECB.

Tegengewerkt door zijn eigen bondskanselier en - naar verluidt - bevangen door twijfel over effectiviteit en draagvlak van zijn eigen belastingvoorstellen, gaf Lafontaine er begin maart de brui aan. Als in een opwelling en zonder de publieke verantwoording die men van een politicus op een dergelijk post mag verwachten.'

Daarmee is echter nog lang niet alles over Lafontaine gezegd. Zijn merkwaardige, bijna wereldvreemde optreden van de afgelopen maanden zou bijna het zicht benemen op de relevantie van veel van zijn politieke opvattingen.

De Saarlander was een politicus met een duidelijk programma en een sterk geloof in de scheppende kracht van politiek. Hij combineerde een traditioneel sociaal-democratisch gelijkheidsethos met het streven naar meer ontspannen arbeidsbestel.

Hij heeft de 'ecologische modernisering' van de economie altijd hoog in het vaandel gevoerd. En hij is steeds meer nadruk gaan leggen op een krachtig conjunctuurbeleid en op versterking van de Europese Unie. Dat laatste om de beleidsconcurrentie tussen de lidstaten te beperken, maar vooral ook om het internationaal georganiseerde kapitalisme tegenspel te geven.

De vraag die dan ook opkomt bij Lafontaine's vertrek luidt: door welk politiek programma - ook al is het anders gericht en getoonzet - laat de Duitse sociaal-democratie zich nu voortaan leiden? Een antwoord op die vraag is voorlopig niet voorhanden.

Schröder, die met het vertrek van Lafontaine eindelijk 'de handen vrij heeft', is een uiterst pragmatisch politicus. Aan de macht gekomen op een zeer algemeen programma ('deblokkering' van de Duitse samenleving) laat hij zich inspireren door hervormingen van arbeidsmarkt en sociale zekerheid elders in Europa (Nederland, Engeland). Maar hij wekt ook vaak de indruk, vooral op consolidatie van de eigen machtspositie uit te zijn.

Günter Hofmann, redacteur van Die Zeit, voorspelt tegen die achtergrond dat het vertrek van Lafontaine niet alleen op een verzwakking van de 'linkse' politiek, maar van de politiek als zodanig zal uitdraaien. Anderen zullen voortaan moeten zorgen 'voor het temperament en de politieke wil; voor het lange termijn-denken in een regering, waarvan zelfs de beste ministers zeggen dat ze geen duidelijk centrum heeft'.

'Wie regeert de republiek?', vraagt Hofmann zich af. Zijn antwoord luidt: als we niet uitkijken de economie; respectievelijk de economische belangengroepen die op de Bondskanselarij aan het langste eind trekken (Die Zeit, 18 maart 1999).

Het zijn vragen die alleen maar klemmender worden, wanneer de onvermijdelijke correctie op de hoog opgelopen beurskoersen in Amerika en (in minder mate) in Europa heeft plaatsgevonden, en de Westerse economieën in aanzienlijk moeilijker vaarwater belanden. Is wedden op een 'goede verstandhouding' met het bedrijfsleven, zoals Blair, Kok en Schröder nu voornamelijk doen, dan nog voldoende?

Vertrekt met Lafontaine niet een sociaal-democraat die, als één van de weinigen in Europa, verder keek dan de economische conjunctuur van het moment?

De verschillen tussen de politiek van Schröder en die van Lafontaine, die bij het afscheid van de laatste zo'n sterk accent krijgen, moeten ons overigens niet blind maken voor de overeenkomsten tussen beide politici. Niet alleen in wat ze voorstaan, maar vooral ook in wat bij hen buiten beschouwing blijft - en wat hen dus onvoorspelbaar maakt.

Zowel Schröder als Lafontaine zet zwaar in op een modernisering van de sociaal-economische verhoudingen; de een met een intuïtieve voorkeur voor aanpassing aan een veranderde economische realiteit, de ander met een groot vertrouwen in de plooibaarheid van die economie.

Vraagstukken die de kwaliteit van het bestaan in niet-economische zin betreffen, krijgen veel minder aandacht. Dat geldt bijvoorbeeld voor het milieu. Voor Schröder ligt ecologische politiek, als hij er al aan denkt, uitsluitend in het verlengde van een versnelling van de technologische ontwikkeling.

Lafontaine ruimt een meer zelfstandige plaats voor het milieu in, maar geeft, als het er op aankomt, toch voorrang aan een ongeclausuleerde stimulering van de economie - onder druk van een hoge werkloosheid en sombere economische vooruitzichten. Natuur en milieu als dragers van zelfstandige, niet-economische waarden, blijven bij beiden zwaar onderbelicht - net als de nieuwe problemen die door de sterk toegenomen 'maakbaarheid' van de natuur worden opgeroepen.

Ook ethisch geladen kwesties als de gevoeligheid voor de sterk ongelijke welvaartsverdeling in de wereld, de prijs die men voor de vermindering van die verschillen bereid is te betalen, en de toegankelijkheid van rijke landen voor vluchtelingen en economische migranten komen in beide moderniseringsvarianten nauwelijks tot hun recht.

Dat is riskant, omdat het de betrokken politici met lege handen laat staan bij een eventuele opmars van rechts-populistische sentimenten - al dan niet aangejaagd door verslechterde economische omstandigheden.

Denkbeeldig is zo'n verschuiving in het maatschappelijk klimaat allerminst. In Duitsland nam de CDU ongekend scherp stelling tegen het voorstel van de rood-groene coalitie voor een dubbel staatsburgerschap voor allochtonen, en werd daarvoor bij de verkiezingen in Hessen meteen met het premierschap van de deelstaat beloond.

Het kabinet paste die plannen vervolgens aan - in een tempo dat voor de toekomst weinig goeds doet vermoeden. Van Lafontaine tenslotte is bekend dat hij er, als het hem electoraal uitkwam, geen moeite mee had om Duitsland voor 'vol' te verklaren.

Deze problematiek raakt alle Westeuropese landen en alle sociaal-democratische partijen - 'vernieuwd' of niet. Tony Blair pleit in Engeland voor de 'inclusive society' (die per definitie ook mensen uitsluit) en voert een immigratiebeleid dat niet is te onderscheiden van dat van de Conservatieven. In Oostenrijk durft de ÖSP, uit angst voor Jörg Haider, al niet meer voor het lokaal kiesrecht voor allochtonen te pleiten. En in Nederland voerde de PvdA vorige maand, om de VVD voor te zijn, als eerste een strenger asielbeleid als campagnethema op.

De sociaal-democratie ziet zich aan het eind van deze eeuw opnieuw voor de oude vraag gesteld, hoe zich tegenover de liberale economie op te stellen - en waar de grens te trekken. Inmiddels dient zich een tweede, minstens zo dringende vraag aan: hoe zich tot het opkomend populisme te verhouden - en hoe het effectief te bestrijden.

Het afscheid van Oskar Lafontaine is, gemeten aan die vragen, een verlies - maar zeker niet in alle opzichten.

Meer over