Orkest knettert angstaanjagend

Beroemd is de spotprent waarop Hector Berlioz een orkest een kanon laat afschieten. Dit beeld van de componist die het symfonieorkest tot ongekende afmetingen uitbreidde, gaat zeker op voor zijn 'légende dramatique' La Damnation de Faust (1846)....

In de Brusselse Muntschouwburg, waar muziekdirecteur Antonio Pappano na tien jaar dienst afscheid neemt met een nieuwe productie van dit stuk (hij volgt Bernard Haitink op bij de Royal Opera in Covent Garden), klonk dinsdagavond weer eens de uitbarsting die zijn weerga in de geschiedenis nauwelijks kent. Zelden hoor je een orkest zo angstaanjagend kletteren en razen.

Het gaat op dat moment dan ook om de hellevaart van Docteur Faust, die na een uur existentiële twijfel en een uur aan het handje bij de duivelse Méphistophélès eindelijk zijn vet krijgt. De uitbundigheid die Berlioz' muziek hier typeert, doet vermoeden dat het hem eigenlijk vooral om die climax te doen was.

De kern van de Brusselse regie van de ervaren Zwitser Ronald Aeschlimann, die ook de decors, kostuums en belichting ontwierp, is de versmelting van het personage Faust met de componist Berlioz. De jonge Duitse tenor Jonas Kaufmann draagt daartoe het traditionele rokkostuum van de klassieke musicus, een weelderige negentiende-eeuwse strik en dito kapsel, en poseert bij begin en eind van de voorstelling voor de eerste en laatste bladzijde van de originele partituur. Met zijn grote componeerpotlood ondertekent Faust uiteindelijk het verkoopcontract van zijn ziel.

De distantie waarmee Faust (als Berlioz) zijn eigen verhaal beschouwt, wordt behalve door de geometrische lijsten en schuine speelvlakken van Aeschlimann gestimuleerd door Méphistophélès (José van Dam), die hem de wereld toont als een prentenboek en zijn verliefdheid op Marguérite (Susan Graham) als het najagen van een schim. Een sterk concept uit één brein, dat in zijn strakke abstractie soms wel vloekt met de grillige spochtigheid van Berlioz' muziek.

Die kleurenrijkdom van de partituur bleef bij de solisten een beetje bleek, met uitzondering misschien van de Brusselse meester Van Dam, wiens onderkoelde optreden zijn rol recht deed. Susan Graham vertolkte haar partij voorbeeldig, maar gaf haar heldere timbre weinig dramatisch reliëf, wat ook gold voor haar onhandige acteren. Ook Jonas Kaufmann stond ondanks zijn niet al te stevige tenorgeluid toch zijn mannetje.

Koor en orkest werden door dirigent Pappano, bepaald niet afstandelijk in zijn warme aanpak van de partituur, naar grote hoogten geleid. Dat de blazers af en toe niet thuis gaven en dat het orkestgeluid soms merkwaardig dof uit de bak oprees, deed daar weinig aan af. Woensdag, zonder visuele ondersteuning in het Amsterdamse Concertgebouw, wordt het een ander, maar misschien wel even opwindend verhaal.

Meer over