Orgie van nullen

Het nieuwste Roemeense bankbiljet is er een van vijfhonderdduizend lei – het is minder dan dertien euro waard. Hyperinflatie in Roemenië: 'Wat nou 2500 lei!', briest een bedelaar....

Door Olaf Tempelman

De pin-automaat spuwt biljetten. Zo dik is de stapel dat deze met kracht uit het apparaat moet worden gerukt. Eén, twee, los! Vijf miljoen Roemeense lei: het is net iets meer dan 100 euro. Het allernieuwste bankbiljet is er een van 500.000. Maar dat was deze keer op. De machine heeft honderd biljetten van 50.000 lei uitgespuwd.

De telefoonrekening bedraagt 4.237.320 lei. Net als het kijk-en luistergeld, het kabelgeld en de elektriciteitsrekening moet dit bedrag contant in de stad worden betaald. Een nogal chagrijnige vrouw van middelbare leeftijd zit achter glas te roken. Verveeld observeert zij het uittelritueel. Die rotbiljetten van 50.000 lei hebben verdomme de hele portemonnee uitgescheurd. In het telefoonkantoor is het bloedheet. Te heet om vierentachtig biljetten van 50.000 lei plus drie van 10.000 lei plus drie van 2000 lei plus een munt van 1000 lei plus een munt van 500 lei (de muntjes van 100 en 20 zijn goeddeels uit het geldverkeer verdwenen) trefzeker uit de portemonnee te trekken.

'Schiet eens op!', wordt vanachter uit de rij geschreeuwd. De niet zo vriendelijke loketvrouw telt de hele stapel nog eens na: 'Dit zijn er maar drieëntachtig! Nog 50.000 erbij', roept zij vanachter het glas.

Diezelfde avond in een van Boekarests befaamde openlucht-restaurants: het grote gezelschap aan de aangrenzende tafel heeft veel plezier. Misschien dat dit komt doordat de gemiddelde leeftijd van de heren wat hoger ligt dan die van de dames. Op een flesje wijn bezuinigen de heren geenszins. Zoveel Cabernets wreken zich echter als even na middernacht een uit vele nullen bestaande rekening wordt opgediend.

De vrouwen giechelen. De mannen zijn helemaal de kluts kwijt. De alcohol heeft het telvermogen zodanig aangetast dat niemand meer in staat is uit vele 10-, 50-, 100-en 500-duizendbiljetten het juiste miljoenenbedrag te vormen. Spontaan worden portemonnees omgekeerd. Na een halfuur telchaos blijft een toren papiergeld op tafel achter. De dodelijk vermoeide ober veegt de stapel bij elkaar zonder ook maar een telpoging te wagen.

'Wat nou 2500 lei!', briest een bedelaar. 'Daar kan ik niet eens van naar de plee.' In 1990 had hij er een auto van kunnen kopen.

Diep in de Roemeense Apusenibergen liggen enkele dorpjes die zo moeilijk per auto bereikbaar zijn dat de post er nog per paard wordt bezorgd. Deze paardpostbode brengt ook de pensioenen mee, in enveloppen met contant geld. Het verhaal gaat dat een van de oude dorpsbewoners in coma raakte in de tijd dat zijn pensioen nog 200 lei bedroeg. Meer dan een decennium later kwam hij weer bij. De paardpostbode overhandigde hem een envelop met daarin liefst 2 miljoen lei. De man schijnt terstond opnieuw zijn bewustzijn te hebben verloren.

Misschien dat de opmerking dat je tegenwoordig met een pak papier van een miljoen minder kunt dan destijds met een briefje van honderd, ontnuchterend had gewerkt. Honderd lei! Anno 2003 is dat een muntje dat minder dan een kwart eurocent waard is. Het doet hoogstens nog dienst als zogenaamd 'treinraam-muntstuk'. De meeste Roemeense treinen hebben ramen die je van bovenaf opentrekt maar dan langzaam weer dichtschieten. In de zomer is dat een crime. Honderd lei ertussen en de frisse lucht blijft de coupé binnenstromen.

Direct na de val van het communisme was honderd lei een briefje waarmee je het hele land kon doorreizen. Je kon er minstens tien keer in luxe restaurants een viergangen-maaltijd voor verorberen. En met een beetje geluk tikte je er in een dorp zo een paar paarden en misschien ook nog wel een koe voor op de kop. Het was de tijd dat de leu (meervoud: lei) zijn naam nog eer aandeed: zij was toen nog een leeuw van een munt.

Deze leeuw was echter wel decennialang met allerhande communistische staatsinjecties sterk en potent gehouden. Vanaf 1990 werd de leeuw blootgesteld aan de harde wetten van de markteconomie. In combinatie met een lange reeks prijsliberaliseringen, het schrappen van protectionistische maatregelen én financieel wanbeheer door de politieke klasse leidde dat tot een monsterinflatie die pas in 2001 werd geremd. Begin 1990 waren de gulden en de leu bijna inwisselbaar. Als de gulden nog zou bestaan, zou je er nu zo'n 15.000 lei voor krijgen.

Roemenië was hiermee in de oude communistische wereld allerminst uniek. Geldontwaarding trof bijna alle voormalige planeconomieën. Echter: in Polen of Bulgarije werden de vier, vijf of zes nullen op de zloty-en levbiljetten op een gegeven moment maar weggestreept. Een brood van 3000 zloty kostte ineens weer 3 zloty. In Servië verdween de aan een miljoeneninflatie ten prooi gevallen dinar in 1993 zelfs een tijdje geheel als betaalmiddel.

Inflatierecords in de geschiedenis staan op naam van Duitsland (32.400 procent in oktober 1923), Griekenland (855 miljoen procent in november 1944) en Hongarije (4,19 triljoen procent in april 1946). Vergeleken daarbij deed de Roemeense leu het kalmpjes aan. Wat de munt evenwel uniek maakt, is dat zij zich in meer dan een decennium van hyperinflatie als betaalmiddel wist te handhaven zonder dat er nullen werden geschrapt.

Met elke nul die erbij kwam nam het vertrouwen in de munt evenwel verder af. Reeds in de zomer van 1990 gingen veel Roemenen ertoe over hun reserves meteen om te wisselen in dollars of marken. Ondertussen moesten officiële betalingen wel contant in lei worden verricht. Het verzamelen van de juiste hoeveelheid leeuwen vergde een enorme inspanning. Wisselkantoren hadden nooit meer dan 200 à 300 dollar in lei op voorraad. Iemand die 1000 dollar wilde wisselen moest letterlijk stad en land af. Roemeense vrienden die in 1991 voor 2000 dollar een appartement kochten deden er een week over vier met 100 lei-biljetten gevulde plastic tassen bij elkaar te schrapen.

Banken probeerden de koers van de munt met allerlei ingrepen nog enigszins op peil te houden. Het gevolg was dat het zwart wisselen een hoge vlucht nam. Op straat kon je voor je dollars een drie keer zo dikke stapel lei krijgen als bij een bank. Vaak liepen die wisselavonturen verkeerd af. Een gigantische stapel biljetten bleek soms alleen aan de boven-en onderkant voorzien van 'echte' leeuwen.

Postbodes die staatssalarissen en pensioenen aan huis bezorgden klaagden meer en meer over de belachelijk zware vracht biljetten die zij met zich mee moesten dragen: zij waren niet opgeleid tot gewichtheffers. De gewone Roemeen klaagde vooral in de zomermaanden. In de winter boden dikke jassen voor de vele biljetten nog wel wat wegstopmogelijkheden. Maar in T-shirt en korte broek was het meeslepen van zoveel leeuwen eigenlijk ondoenlijk. Vooral jongeren die vakantie vierden aan de Zwarte Zee vonden het weinig 'cool'met een plastic zak met biljetten over het strand te lopen.

Om aan deze klachten tegemoet te komen werd in 1991 een nieuw biljet geïntroduceerd dat liefst 500 lei waard was. Een jaar later volgde het 1000 lei-biljet. Weer later kwamen dat van 5000, 10.000, 50.000 en 100.000. De eenentwintigste eeuw werd ingeluid met de introductie van de half miljoen. Dat is nu tussen de twaalf en dertien euro waard.

In de ballade Het kan nooit meer gisteren zijn bezingt Vader Abraham wat hij vroeger met één kwartje allemaal niet kon. Roemeense troubadours zouden in principe op ieder bankbiljet een klaagzang kunnen loslaten. O lila 50.000 lei, wat was je vorige maand nog veel waard. In zijn satirische weekblad Asperina Saracului (Het aspirientje van de arme) heeft de Roemeense ouddissident Mircea Dinescu een vaste rubriek: Wat kun je nog doen met 10.000 lei? In het laatste nummer verplaatst Dinescu zich in een student die een medestudente met een geschenkenbudget van 10.000 lei voor zich moet zien te winnen. 'Probeer na acht uur 's avonds een bos bloemen op de kop te tikken. De oude vrouwen die in het centrum bloemen verkopen zijn dan moe en chagrijnig en geven voor 5000 lei wel een verdorde bos weg. Om enige variatie in het romantische geschenkenpalet aan te brengen koop je bij de banketbakker voor 2000 lei één chocoladebonbon – bloemen en chocola horen immers bij elkaar. Om de verlepte bloemen dan weer presenteerbaar te maken ga je voor 3000 lei naar een openbaar toilet en houd de bos daar onder de kraan.'

Het aspirientje van de arme wordt verkocht voor 9800 lei. Die prijs is een satire in zichzelf. Muntjes van honderd lei zijn niet meer te vinden. Het teruggeven van het juiste wisselgeld bij zoveel monsterbedragen is een oprukkend probleem. Zo vaak komt het voor dat supermarkten bij bedragen als 195.370 lei of 493.860 lei geen gepast geld hebben, dat teruggeven in natura steeds populairder wordt. Je krijgt luciferdoosjes, suikerzakjes, kauwgumpjes en pepermuntrollen. Naar verluidt zijn er op deze manier ook al condooms over de toonbank gegaan. Een supermarkt in Alba Iulia gaf consequent luciferdoosjes met pornografische afbeeldingen terug. Daarmee was het eerste 'natura-schandaal' een feit.

Roemenen hebben dankzij hun improvisatievermogen al veel overleefd.

Ook aan een leven temidden van miljoenen leeuwen hebben zij zich aangepast. In een land waar ook bedelaars en arme bejaarden thans miljonair zijn, heet de kwis Who wants to be a millionaire? tegenwoordig: 'Wie wil er miljardair worden?' Veel pin-automaten zijn inmiddels voorzien van een 'x000-knop'. Die x000-of x0000-indicatie doemt ook vaak op in financieel-economische rubrieken in kranten, waar de triljoen een heel normaal bedrag is. Desondanks waan je je door de orgie van nullen soms midden in een astronomisch essay waarin de omvang van sterrenstelsels worden beschreven.

Plannen om volgend jaar eindelijk wat nullen te gaan schrappen, lijken vooralsnog vast te zitten. 2007 Is het beoogde toetredingsjaar voor Roemenië tot de Europese Unie. Iedereen hoopt heimelijk dat een snelle introductie van de euro aan de lijdensweg een eind zal maken. De leeuw kan dan vervroegd met pensioen – eventueel met een gouden handdruk, want die is even later toch niets meer waard.

Meer over