Oranjes hebben te lang op de Dam geslapen

Nu het oude stadhuis op de Dam 350 jaar bestaat, vindt Ulli d'Oliveira dat het door de Oranjes moet worden teruggegeven aan de Amsterdamse burgerij....

Ulli d'Oliveira

Op 30 juni is door de koningin in het oude stadhuis op de Dam een tentoonstelling geopend die tegelijkertijd twee data moet vangen: het 25-jarig ambtsjubileum van koningin Beatrix en het 350-jarig bestaan van het stadhuis.

Een paar dagen daarvoor was er al een symposium gehouden in de aula van de Amsterdamse Universiteit, hoofdzakelijk met medewerking van de schrijvers van een herinneringscatalogus bij de tentoonstelling. Dit boek, getiteld Stadhuis van Oranje, is niet toevallig in allerlei schakeringen oranje uitgevoerd. De uitgave is op poten gezet door de Stichting Koninklijk Paleis, waarvan de burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, de voorzitter is.

De politieke strekking is duidelijk: het aanhalen van de banden tussen het Stadhuis en de Oranjes, en tussen de gemeente en de Oranjes. Het boek, dat veel beeldmateriaal, een aantal mooie opstellen, en een dvd met korte filmpjes, gemaakt door studenten aan de UvA bevat, en dat helaas wordt ontsierd door nogal wat drukfouten, is een politiek statement van jewelste. Stadhuis van Oranje is een usurpatie in de gedaante van een eigendomsverklaring waarbij anderhalve eeuw geschiedenis wordt weggemoffeld.

Het stadhuis is niet van de Oranjes. Zeventig jaar geleden werd het door de gemeente, met algemene stemmen van de gemeenteraad die niet sentimenteel wilde doen, voor tien miljoen gulden aan het rijk verkocht, nadat eerst de moeilijke puzzel was opgelost hoe het precies lag met dat eigendomsrecht. Dralen had de gemeente al vijf miljoen gekost. Het rijk, dat ook het onderhoud voor zijn rekening neemt, heeft de Oranjes een gebruiksrecht verleend, waarvan zij spaarzaam profiteren. Het is er niet prettig toeven.

Vrijwel alle aanduidingen van het Huis op de Dam zijn politiek geladen. Geert Mak noemde het in zijn gelijknamige boek programmatisch Het stadspaleis. Door de eeuwen heen is het een twistappel gebleven voor tegenstrijdige aspiraties: tussen stad en staat, tussen republiek en monarchie, tussen volk en regenten, met alle hybride functies, verbouwingen en aankledingen van dien.

In het slotessay van de bundel Stadhuis van Oranje doet Bram Kempers een nuttige voorzet om het debat over de toekomst van het gebouw te structureren. Hij onderscheidt de (oorspronkelijke) stedelijk-republikeinse functie, de vooral representatieve Oranjefunctie, en de culturele functies van het Huis op de Dam. Deze zijn deels verenigbaar en deels bijten zij elkaar. 'Een dilemma voor het regerend staatshoofd en haar opvolger is wel hoe deze situatie te laten voortbestaan zonder hernieuwd debat over de hoge kosten voor de gemeenschap en de beperkte toegankelijkheid van het gebouw voor het volk'. Inderdaad hoort het Huis op de Dam er alleen van buiten bij.

'Voor veel Amsterdammers, en misschien nog meer voor buitenlanders blijft het onbegrijpelijk dat de stedelijke overheid geen plechtigheden kan, mag, en zo lijkt het, wil organiseren in zijn eigen monument.' De oplossing waarmee Kempers komt, heet versterking van de museale functie: 'Musealisering biedt een mooie brug tussen handhaving van het monarchaal monopolie op dit monument en een terugkeer naar een meer openbare, publieke functie.'

En, kennelijk kijkend naar de Oranjes eindigt hij met de vraag: 'Wie maakt er een hoffelijk gebaar ter ere van dit grootse gebouw?' Een royaal gebaar is nog beter. Het wordt tijd dat de Oranjes uit het Huis op de Dam vertrekken. Dat bespaart ze veel logeerleed, die paar dagen per jaar dat ze er even zijn.

Sinds koning Lodewijk Napoleon is het een bar onderkomen voor de vorsten gebleken. Valckenaer, Bataafs adviseur van Lodewijk Napoleon, schilderde in 1807 het woonleed dat de koning te wachten stond in de somberste kleuren. Bouw liever een mooi woonpaleis in de Plantage was zijn klemmende advies.

Ruim een eeuw later herhaalde Lodewijk van Deyssel dit voorstel 'Biedt dus der Koningin een bij den aard van het bezoek passend verblijf aan in Amsterdam, - een verblijf passend bij het kort bezoek in de lente van het jaar - een om-tuinde villa in het fraaiste nieuwe deel van de stad.'

Hij richt zich daarbij tot de Amsterdammers als hij alle sluizen van zijn retoriek opent en uitroept: 'Gij zult uw Koningin de disgraciëuze waardschap niet bewijzen van haar ieder jaar te ontvangen in die groote ruimte van het hart der stad, waar anders geen leven in beweegt en de voeten der Amsterdamse stedelingen nimmer gaan, en waarvan juist het aangenomen wezen van Paleis herinnert aan dat vorstenhuis, dat u toch zoo geheel iets anders dan Oranje was.' (Verzamelde Werken, Nieuwe Reeks , Kunst en Kritiek, Eerste Bundel (1922, blz. 284 e.v.)

Nu is er in termen van historische continuïteit meer voor te zeggen zo'n verblijf te vestigen in wat voorheen al de plaats was waar Oranjes en andere vorsten hun intrek namen: het Prinsenhof, dat omgekeerd eerst stadhuis is geworden, en nu een heus en net hotel, de Grand.

Daar moet toch een Oranjevleugel in te construeren zijn voor die enkele keer dat de Oranjes in Amsterdam willen overnachten. Ook het Pintohuis, dat zijn huidige functie als Openbare Bibliotheek lijkt kwijt te raken, en voorheen een patriciërshuis van Amsterdamse Portugese joden was, zou in aanmerking kunnen komen.

Zijn de Oranjes uit het Huis op de Dam vertrokken, dan blijven er nog maar twee functies over: de museaal-culturele en de Amsterdamse, gemeentelijk-representatieve. Die bijten elkaar niet, en geven het gebouw aan de burgers terug. De Burgerzaal terug aan de burgers!

Het zou nuttig zijn als de Gemeenteraad zich de kwestie weer zou aantrekken, en dat ook andere organisaties, zoals Amstelodamum, hierover gaan brainstormen. Het achtste wereldwonder gaat voor twee jaar dicht om de keuken te renoveren: er is dus tijd voor nadenken en actie.

Meer over