Oranjegekte lijkt vorm van inhaalnationalisme

Dat voetbal al lang geen gewoon, aardig spelletje meer is, is duidelijk. Maar de huidige Oranjegekte heeft niettemin veel raadselachtige kanten, betoogt Jan Schinkelshoek....

Wie hoort in het rijtje niet thuis? Michiel de Ruyter, Piet Hein, koning Willem III of Marco van Basten? Geen twijfel mogelijk: de vorst behoort niet tot de nationale helden.

Niet hij, maar zijn vader heeft bij Waterloo een prestatie op z’n naam gebracht waardoor de nationale gevoelens werden opgezwiept en het nationale zelfbewustzijn enkele graden steeg. Net als eerder de kaper van de zilvervloot Piet Hein (‘zijn naam is klein, zijn daden bennen groot’) en admiraal Michiel de Ruyter (‘den redder van ’t vervallen vaderlandt’).

En later Van Basten, natuurlijk. Wie weet niet meer hoe de nationale voetbaltrainer van nu twintig jaar geleden twee minuten voor tijd uitgerekend de Duitsers velde en vervolgens Oranje Europees kampioen maakte?

Roes

In Nederland is voetbal al lang geen gewoon, aardig spelletje meer. Het is een tak van sport die – zoals het Europees Kampioenschap weer eens laat zien – in staat is het land in een roes te brengen, Oranjegekte. Hoe snel zijn de laag gespannen verwachtingen niet omgeslagen in een complete, bijna uitzinnige euforie?

Zelfs wie de al te excentrieke, al te dwaze en al te commerciële kant van dat nationalistische exhibitionisme op de koop toeneemt, staat telkens weer versteld hoe Nederland zich laat gaan. Uitgerekend het land dat er prat op gaat zo nuchter, zo realistisch en zo gewoon in het leven te staan.

‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ – het ligt Nederlanders voor in de mond bestorven. Er is geen uitdrukking die vermoedelijk beter bij het Nederlandse zelfbeeld past. Maar zodra er gevoetbald wordt, lijkt het alsof andere mensen het land tijdelijk hebben overgenomen. Of, wat nog angstaanjagender is, gewone mensen zo ánders gaan doen*

De Oranjegekte blijft ook niet beperkt tot rituele hooligans. Het is een soort virus dat, zonder onderscheid des persoons, dwars door alle rangen en standen heen slachtoffers maakt.

En het lijkt wel of die gekte elk kampioenschap erger wordt. Het grijpt om zich heen. Vroeger was het alleen bij voetbal, tegenwoordig kan er geen hockey, tennis of zelfs volleybal worden gespeeld of het in Oranje gestoken nationalisme grijpt om zich heen.

Alleen schaken blijft hopeloos achter.

Wat het orangisme-nieuwe-stijl vaak zo onhebbelijk maakt, is het agressieve karakter. Op zijn oranjest – de term is van Herman Pleij, emeritus-hoogleraar letterkunde in Amsterdam – zijn we beter, weten we alles beter en doen we het beter dan de rest. En wie niet mee doet, hoort er niet bij, is verdacht en zou eigenlijk een lesje moeten leren.

‘Nederland is een fijn land om te wonen’, schreef de voormalige correspondent van de Belgische krant De Standaard, Steven de Foer, na het EK 2000, ‘maar om de twee jaar is het niet te harden. Niet voor de buitenlander en ook niet voor het kleine deel van de Nederlandse bevolking dat niet van voetbal houdt. Het oranje waas dat een groot deel van Nederland voor de ogen krijgt bij ieder wereld- of Europees kampioenschap, brengt tijdelijk al wat hatelijk is boven in dit anders zo minzame volk.’

Hij schreef een snierend stukje over dit ‘holekidee-nationalisme’ (‘Ik háát het, ik háát Oranje. Haal me hier weg. Heeelp!’) en werd bijna het land uitgejouwd.

Zelfcensuur

Nederland ging er lange tijd prat op het minst nationalistische land van Europa te zijn. Dat was vermoedelijk een politiek-correcte vorm van zelfcensuur, ingegeven door het na de Tweede Wereldoorlog wel zeer in diskrediet geraakte nationalisme van het verkeerde soort. Nationale eigenwaarde was een tikkie verdacht. Op z’n best iets voor de Verenigde Staten.

Met het grootste gemak was Nederland bereid zich in Europa te verliezen. Bijna tot aan de eeuwwisseling speelde ‘Den Haag’ met overgave het spelletje hoe het land zo snel mogelijk kon worden opgeheven.

‘Weg met ons’: de vaderlandse geschiedenis werd op school verwaarloosd en je moerstaal moest het afleggen tegen steenkolen Engels. Vondel? Wie? Waar andere landen zich uitleefden in protserige standbeelden, brallerige parades en imponerende nationale monumenten, moest Nederland het hebben van Madurodam, het meest populaire uitstapje voor gezinnen en scholen. Het Oranjehuis – koningin Juliana voorop – ging voor in wat wel eens de nederigheidscultus is genoemd: ‘Doe maar gewoon*’

Maar sinds een jaar of wat is Nederland bezig aan een soort inhaal-nationalisme.

Misschien is het een reactie op de nationale uitverkoop van de laatste jaren. Misschien is het land – te midden van europeanisering, internationalisering en globalisering – op zoek naar houvast.

Spiritualiteit

Misschien speelt de spirituele leegte van het Nederland-zonder-God op. Misschien ontleen je je identiteit aan dit soort oefeningen in gemeenschappelijkheid. Misschien is de drift om te laten zien dat we bij elkaar horen, dat we de beste zijn en dat we er bij horen wel onbedwingbaar. Misschien stroomt het bloed gewoon waar het niet gaan kan.

Het is niet toevallig dat het nieuwe nationalisme zich meester heeft gemaakt van het voetbal. Is er een andere volkssport waar een klein land nog volop meetelt, waar verloren gegane nationale grootheid royaal kan worden gecompenseerd, waar nieuwe ‘Gouden Eeuwen’ nog bereikbaar zijn, waar de multiculturele integratie zichtbaar successen oplevert, waar – pseudoreligieus – ellende, verlossing en dankbaarheid in een gemeenschappelijke ‘dienst’ kunnen worden beleefd, waar je wordt ondergedompeld in een bijna bedwelmende gemeenschappelijkheid en waar – door en door Nederlands – ‘gewone’ jongens zo’n belangrijke rol kunnen spelen?

De kwartfinale staat op het punt van beginnen.

Nederland-Rusland.

Zet de televisie aan! Hup Holland hup, laat de leeuw niet in z’n hempie staan*

Jan Schinkelshoek is lid van de Tweede Kamer voor het CDA en schaker. Hij staat op de derde plaats in de christen-democratische voetbalpool.

Meer over