Oranje Boven

Voormalig prinses Irene spreekt met bomen en zet daarmee een koninklijke traditie voort. Ook haar voorouders onderhielden bijzondere banden met het bovenaardse, evenals vertegenwoordigers van andere monarchieën....

MARTIN SOMMER

Er was eens een prinsesje dat voor het eerst in het openbaar moest optreden. Handschoentjes aan, hoedje op, grijs jasje over een wijde rok. De kamerheren knipmesten, de camera's snorden, het volk zwaaide. Het prinsesje stierf duizend doden uit angst iets verkeerd te doen. Toen gebeurde het. 'Midden op die open plek staat een boom. Voor mijn gevoel is die boom de enige die ziet wie ik ben. Ik hoor hem zeggen: ''Kom onder mij zitten, je mag spelen, er zijn hier kameraadjes voor je, die ook van spelen houden''.'

Het is 1953 en prinses Irene, 13, ontdekt haar bijzondere gave. 'Van dat moment af heb ik een wezenlijk contact gehad met bomen.' En het bleef niet bij bomen want in haar boek Dialoog met de natuur. Een weg naar een nieuw evenwicht, maakt Irene gewag van een ook overigens rijk geestelijk leven. Al in de Canadese ballingschap was ze onder de indruk van de sprookjes die hofdame Taloutje voorlas. 'De sprookjes van Grimm komen door haar tot leven. Is zij de fee en ben ik het prinsesje...? Hoe moet je uit een sprookje loskomen? Wie maakt het sprookje?'

Na haar Spaanse jaren met gemaal Karel Hugo - 'een schrale tijd op de kale boomloze vlaktes van Castilië' - moet de gescheiden ex-prinses zich hervinden. Ze tobt wat af. Over zichzelf, over de waarde van de mens, over het goede leven, over religie. 'Bestaat er een God? Hoe moet ik me die voorstellen? Is er een hiërarchie? Daar hou ik niet van.'

De dolende prinses stelt zich open voor het bovenzintuiglijke. Ze komt in aanraking met Elsie, die haar koffer opengooit waaruit een tafeltje komt dat kan dansen. Elsie gaat op zoek naar de 'gids' van Irene; de tafel laat weten dat die gids Zoroaster heet. Maar de prinses 'griezelt' van spoken en spiritisme en bezoekt Mary, die haar de energiecentra, de chakra's leert begrijpen. 'Want vanuit de chakra's kon ze de levens die ik achter mij scheen te hebben lezen.' Mary vertelde dat de prinses vele levens achter zich had, 'waarin ik van priesteres tot afschuwelijke machtswellusteling en, o zeker ook, - wellustelinge, in het lichaam dus als man of vrouw, was geweest'.

Na Mary komt Martha die haar leert dat slechts een enkeling die in open contact met de natuur staat, zal overleven, als een spaarzame schepeling aan boord van de ark van Noach. Irene houdt wederom niet van elitair denken en wendt zich af. Uiteindelijk overwint ze zichzelf, haar eenzaamheid, haar gevecht met de negativiteit, in samenspraak met de libelle, de rode beuk, de zon en de dolfijnen. En ze leeft nog lang en gelukkig.

Het boek van Irene is nu drie weken oud en de eerste druk vloog binnen drie dagen de schappen uit. Een nieuwe Hermans of Mulisch zou niet beter verkopen dan de prinses, liet de boekhandel weten. Het staat in de Top-10 en Ankh Hermes, uitgever van esoterica, heeft sinds Von Dänikens Waren de goden kosmonauten niet meer zo'n kassucces geboekt. De kantoorgrappen over gesprekken met Flipper zijn niet van de lucht.

Maar Dialoog met de natuur krijgt bepaald niet de aandacht van een nieuwe Hermans of Mulisch. Er was een interview in Vrij Nederland dank zij de warme relatie tussen de schrijfster en de hoofdredacteur. Er waren wat besmuikte stukjes in de overige dag- en weekbladpers. New Age-flauwekul. Irene in de ban van Oibibio. Overigens de stilte van een bos op een doordeweekse dag.

Tegelijk bereikt ons het sabelgekletter van de overkant van Het Kanaal. Ook Nederland bleef op voor het televisie-interview met prinses Di. Uiteraard staan de ontboezemingen van Irene in geen verhouding tot het vuurwerk dat Buckingham Palace aflevert. Maar de ostentatieve stilte over opmerkelijk gedrag van ons eigen koningshuis is toch verdacht. Ten slotte hebben we op het punt van zwijgen, in het bijzonder in het geval van de relaties tussen Oranjehuis en het hogere, een naam op te houden.

Ter herinnering: tussen 1951 en 1956 had de zieneres Greet Hofmans een diepgaande invloed op koningin Juliana. Uit wanhoop over de oogziekte van haar dochtertje Marijke wendde de koningin zich tot Hofmans, die een levendig en vooral direct contact onderhield met God. Pas toen er vanwege Hofmans tussen koningin en prins Bernhard feitelijk sprake was van oorlog, zag de vaderlandse pers zich gedwongen zich met de perikelen aan het hof bezig te houden. En dan alleen nog in ontkennende zin. H.J.A. Hofland behandelde de Greet Hofmans-affaire in zijn onvolprezen boek Tegels lichten en wees erop dat de 'angst om niet diep genoeg te bukken' bij de pers nog steeds niet verdwenen is.

1995 is geen 1956. En Irene van Lippe-Biesterfeld is niet de koningin, hoort sinds haar huwelijk met Karel Hugo strikt genomen niet meer bij het koningshuis. Maar het contrast tussen de demonstratieve prudentie hier en de Britse honger naar details valt wel op. Wij hebben geen roddelpers. Wij roddelen wel maar schrijven het niet op, niet in de kranten en niet in de geschiedenisboeken. Van de vijftig machtigste historici die onlangs op een rijtje werden gezet, houden alleen de hooggeleerde Fasseur en Wesseling zich met het koningshuis bezig. En die laatste slechts in de rol van begeleider van prins Willem Alexanders doctoraalscriptie, om de koninklijke scriptie vervolgens achter slot en grendel te laten verdwijnen.

Het is nog steeds niet gepast om een bijzondere belangstelling te hebben voor het koninklijk huis. Wij hebben een koningin die heel gewoon is, en een paleis op de Dam dat niet eens een voordeur heeft. Onze nationale deugden zijn gelijkheidsstreven en tolerantie, met een minder mooi woord ook wel desinteresse genaamd. De gordijnen staan hier altijd open, omdat de passanten toch niet naar binnen kijken. Irene van Lippe-Biesterfeld mag net als iedere sterveling doen wat ze wil, zolang we er maar geen last van hebben.

Voor degene die desondanks nieuwsgierig is naar de eigenaardigheden van de ex-prinses, springen de overeenkomsten met bijvoorbeeld prins Charles in het oog. Waarbij de gedachtenwereld van Charles uiteraard veel beter is gedocumenteerd. Dat hij goede contacten onderhoudt met das en boom was al jaren bekend. Dat hij vegetariër is, tegenstander van de moord op dieren, aanhanger van zowel boeddisme, hindoeïsme, reïncarnatie als mystiek. Dat hij het liefst verblijft in zijn buitenste buiten, ver weg van uitlaatgassen en stedelijke drukte, in de Schotse hooglanden. Dat hij, zoals The Times het noemde 'has been hijacked by the loony green brigade', en vindt 'dat wij een verantwoordelijkheid hebben als individuen om een goede buur te zijn voor alle vormen van leven'. We hebben het kunnen lezen in de Britse pers.

Gegevens over de betrekkingen van het Nederlandse hof met het buitenaardse moeten daarentegen moeizaam bij elkaar gesprokkeld worden, tussen de regels van het 'gesmeerde flikflooien' van de pers (Hofland) door. Kritiek op het geestelijk leven van de Oranjes is nog steeds ongebruikelijk. Zo ongebruikelijk, dat een historicus uit zijn hoofd kan vertellen hoe prof. L.J. Rogier ter gelegenheid van het overlijden van prinses Wilhelmina in 1962 gewag had durven maken van 'dweperijen'. De appel valt inderdaad niet ver van de boom. De dooddoener 'New Age' voor de gedachtenwereld van Irene gaat alleen al daarom niet op, omdat ze haar eerste boomconsultatie in 1953 had.

De krachtige neiging van koningin Juliana tot het hogere is bekend. Juliana had zich altijd al bevattelijk getoond voor contacten die de mogelijkheden van de protestantse kerk te boven gingen. Voor de oorlog had zij wichelroedeloper Jacques. G. Mieremet ten paleize ontvangen om de prinsesselijke slaapkamertjes te laten onderzoeken op kwalijke aardstralen. Ook de populaire Marsmannetjeskenner Adamski kon rekenen op een audiëntie. De later in opspraak geraakte Greet Hofmans was mystica en theosofe en had voor de oorlog nog aan de voeten gezeten van de Indiase goeroe Krisjnamurti. De ingrediënten die haar voor de koningin aantrekkelijk maakten, waren moralisme, genezende werking in de dagelijkse praktijk, een directe lijn naar God en een soort 'tussen-de-oren-theorie van innerlijke kracht'.

Ook prinses Wilhelmina woonde de bijeenkomsten met Hofmans op Het Loo bij. Ze was een zeer vrome vrouw, in eerste aanleg steil protestant en anti-paaps. Later werd ze wat her en der 'fideïstisch' wordt genoemd; ze streefde naar een zo persoonlijk mogelijke relatie met Christus. Tegelijk geloofde deze koningin wel degelijk in spoken. Zo meende ze dat in Huis ten Bosch de geest rondwaarde van de ongelukkige koningin Sophie, de eerste echtgenote van haar vader Willem III, de koning die zo'n slechte naam had dat hij als 'koning Gorilla' de geschiedenis in ging.

Wilhelmina had veel te stellen met haar echtgenoot prins Hendrik, die een levendige belangstelling voor vrouwen paarde aan een diepgaand geestelijk leven. Hij bekende in de jaren twintig aan Wilhelmina, aldus Loe de Jong, 'dat hij naast Christus een andere meester had gevonden'. Hij ontmoette in Zwitserland de mysticus Bo Yin Ra, van oorsprong Schneiderfranken geheten, en weldra een beroemdheid in de wereld der mystiek. Bo Yin Ra, volgens de overlevering kaal en baardig, schreef dertig boeken, die alle in het Nederlands werden vertaald. Hij noemde zich de meester, beweerde astrale contacten te hebben met andere planeten, meende dat God in alles was, en verlangde van zijn volgelingen dat zij zich aansloten bij een geheim genootschap met de naam de Witte Loge. Koningin Wilhelmina wendde zich pas na de dood van Hendrik tot Bo Yin Ra, en had intussen haar eigen goeroe: Sadhu Sundar Singh, ook al een onorthodoxe mysticus uit het oosten, die ze zo bewonderde dat ze hem een verzetsmedaille wilde geven. Zowel prins Hendrik als Wilhelmina liet zich in het wit begraven, uit de opvatting dat 'de dood de ingang van het leven' is.

Wilhelmina was dol op bomen en op schilderen, net als Irene, die tijdens haar verblijf in Spanje als enige boom een door haar oma geschilderde kastanje had. Terugkerend thema in de geschriften over Wilhelmina vormt het gebladerte van Het Loo. Thijs Booy, particulier secretaris van de oude prinses op Het Loo, schreef na haar dood het boek Het is stil op Het Loo. Op de verstilde foto op het omslag zien we in de verte het paleis in de sneeuw. De voorgrond wordt gedomineerd door een knoestige, bladerloze boom. Niet toevallig. De oude koningin was voor haar particulier secretaris zelf een boom. 'Ze was zo sterk als een eik.' Een eik, diep geworteld in de vaderlandse historie, tot in de 80-jarige oorlog, die voor haar nog zeer levend was, diep geworteld in het land des geloofs. Maar Thijs Booy gaat verder. Er mocht geen boom gerooid worden zonder de toestemming van de oude prinses. De particulier secretaris had 'niemand gekend die zo'n relatie had met bomen als zij. Haar bomen waren haar vrienden. Zij was te Hollands-nuchter om een gesprek met ze te beginnen, maar de sfeer voor een gesprek was er wel. Een boom was een ''Du'' voor haar.'

Zowel Juliana als Wilhelmina kwam tot haar opvattingen in gespreksgroepen die vooral uit adel bestonden. Al ver voor de oorlog was de theosofie van Madame Blavatsky in die kring aangeslagen, gevolgd door Annie Besant en Krishnamurti. Koningin Wilhelmina was actief in de Oxford-beweging van Frank Buchman, die later de Morele Herbewapening zou worden. Want ook de adel bekreunde zich om het lijden van de mensheid. Men bekende zich uiteraard niet tot het socialisme, want dat zou zelfmoord betekend hebben. Maar de oprechtheid van de zorgen om het menselijk tekort waren er niet minder om. Noblesse oblige. Tegenwoordig zouden we het engagement noemen. 'Oranje kan nooit genoeg voor Nederland doen', had zelfs koning Willem III in een onbewaakt moment gezegd. Dochter Wilhelmina zei het hem na en wilde in 1940 sterven op de Grebbeberg.

De hoge opdracht die de Oranjes zichzelf hadden gesteld, is van Wilhelmina tot Irene eenvoudig aanwijsbaar. Na haar abdicatie in 1948 schreef Wilhelmina brochures die tot doel hadden de wereld te verbeteren, vooral door een christelijk innerlijk leven. De taal mag wat verouderd zijn, maar afgezien daarvan zouden hele passages in het boek van Irene niet misstaan. 'In onze tijd is een drang naar waarheid ontstaan en naar volkomen eerlijk zijn tegenover zichzelf en het leven. Hier is een diepe werkelijkheidszin, waaruit de overtuiging is voortgekomen dat het anders moet...'.

Het pacifisme in de Amerikaanse redevoeringen van Juliana deden Het Parool in een hoofdartikel verzuchten dat de redevoeringen herinneren aan 'geschriften van Nehru en Krishnamurti'. En zelfs de toch stevig in de bodem verankerde koninging Beatrix liet zich onlangs ontvallen dat 'voor ieder mens geldt dat echte vrijheid pas mogelijk is na innerlijke bevrijding... dan kan een mens zich vrij voelen omdat zijn kracht vanuit zijn eigen hart komt'. Het laatste hoofdstuk van Irenes boek bestaat uit oefeningen en voorbeelden. Ze schrijft: 'Mag je genieten zolang zich om de hoek drama's afspelen?'

Kortom, het koningshuis heeft nog altijd een bijzondere taak en boodschap, ondanks de Grondwet van 1848. Willem III heeft al zijn leven knarsetandend gekekeken naar de inperking van de koninklijke macht. Ook Wilhelmina had zich nog niet neergelegd bij de ministeriële verantwoordelijkheid voor haar daden. Ze regeerde nog door geboorte bij de gratie Gods, in de zekerheid ook van haar goddelijk recht door haar onderdanen te worden gediend. Met uiteraard de daarbij horende dure plicht van het 'te allen tijde paraat zijn'.

De genoemde historicus Rogier karakteriseerde het geloof van Wilhelmina als het 'dogmaloos en in wezen onkerkelijk priesterschap-van-de-leek'. Het is maar een klein stapje naar de voorchristelijke koning-priester waarvan we in de achttiende eeuw de laatste resten zien in Engeland en Frankrijk; tot die tijd legden de koningen daar de hand op om strumaleiders te genezen. Niet de kerk, maar de Glorious Revolution en de Franse Revolutie maakten aan dat gebruik een einde. In Nederland waren de stadhouders toen al gekortwiekt. Maar sinds we weten hoezeer de slag op het Merelveld in Kosovo (1389) nog leeft, kijken we niet op een eeuw meer of minder. Waarom zouden de bijzondere gaven van leden van het vorstenhuis niet op elkaar worden overgedragen? (Per slot heeft Irene als voorwoordschrijver ook Engelandvaarder Erik Hazelhoff Roelfzema van Wilhelmina overgenomen). Niet als een soort Jungiaanse archetypes, maar gewoon, als taaie tradities van generatie op generatie overgedragen, die wellicht een andere vorm aannemen maar van inhoud hetzelfde blijven?

De koninklijke boodschap aan de onderdanen is in veel gevallen een buitenboodschap. Prins Charles schrijft: 'We hebben de oude gevoelens van verwantschap met de natuur verloren die - nog niet zo lang geleden - instinctief waren.' Irene schrijft: 'In de natuur kent alles zijn waarde. Mensen zijn daarvan afgeraakt.'

Evenwicht in het innerlijke leven gaat samen met een evenwichtige omgang met de natuur. Charles heeft die arcadische gevoelens nog - adel en koningshuis bestaan van oudsher uit buitenmensen, met de bijbehorende voorrechten van de jacht en het planten van bepaalde bomen en bloemen. (Prins Hendrik hield uit protest tegen het inhouden van zijn zakgeld door Wilhelmina op met jagen, en liet zo weten: ik doe niet meer mee).

De historicus Simon Schama laat in zijn nieuwe boek Landscape & Memory zien dat een bos veel meer is dan een verzameling bomen. In het Duitse Wald spelen zich de sprookjes van Grimm af - waarbij de kleine prinses Irene zich afvroeg hoe je daar weer uit komt. Het Duitse bos is meestal donker, bedreigend en dichtbevolkt met beuken, dennen, knoestige eiken, elfen en kabouters. Hans en Grietje verdwalen er en komen heksen tegen. Maar het Wald is ook een vrijplaats, bijvoorbeeld voor Sneeuwwitje, het prinsesje dat - in elk geval in de tekenfilmversie van Walt Disney - praat met de bomen en de dieren. Zij ontsnapt in het bos aan haar boze schoonmoeder.

Het Greenwood uit de Engelse literatuur is vooral spiegelbeeld, een harmonieuze wereld waar heer en boer probleemloos samenleven. Het bos is het tegendeel van hof, stad en dorp, een paradijs dat hardnekkig voortleefde in poëzie en vrome verbeelding - terwijl in de realiteit van Engeland, Frankrijk en zeker Nederland de bossen al in de zeventiende eeuw voor een belangrijk deel gerooid waren om plaats te maken voor landbouwgrond.

Het bos van Robin Hood was een elegie van een wereld van vrijheid en rechtvaardigheid die nooit heeft bestaan, en 'waar de relatie tussen leider en onderdaan er een is van onbevlekte wederkerigheid'. Het bos is rechtvaardigheid, en dus trekt het Dunsinane Forest van Shakespeare op tegen de usurpator Macbeth. In het bos vinden we alles wat de werkelijke wereld niet biedt, en andersom: niet de vervreemding en de eenzaamheid waar die koningskinderen, Wilhelmina, Juliana, Charles en Irene zo onder leden. De rode beuk komt een beetje om Irene heen staan, omdat ze zich een beetje kwetsbaar voelt.

In trees more pity than in men we find, luidde een regel van het gedicht dat John Evelyn overnam in zijn boek Silva (1664). Het was niet alleen een geleerd werk over bosbouw, maar vooral een daad van penitentie en wroeging omdat grote stukken bos tegen de vlakte gingen.

Simon Schama eindigt zijn hoofdstuk over het sterven van het bos aldus: 'Dus hoeveel mythe is goed voor ons? En hoe kunnen we de dosering meten? Moeten we dat gedoe maar helemaal uit de weg gaan uit angst besmet te raken, of het meteen afwijzen als duistere en irrationele esoterica die alleen thuishoort in de marge van de 'werkelijke' geschiedenis? Of moeten we zorgen dat er altijd een cordon sanitair van beschermende ironie ligt, wanneer we dit soort zaken bespreken?'

Martin Sommer

Meer over