Orakel Kounellis kopje onder in pathetiek

Wortelloos. Snobistisch. Onzuiver, plat en verdwaald. In 1985 kreeg de beeldende kunst er flink van langs. Joseph Beuys, Enzo Cucchi, Anselm Kiefer en Jannis Kounellis stelden in het op schrift gestelde Ein Gespräch dat de Europese beeldende kunst het spoor bijster was....

Merel Bem

Dat kon zo niet langer, waarschuwde vooral Kounellis (Piraeus, 1936). De Grieks-Italiaanse kunstenaar, die in 1967 met Italiaanse collega's samengebracht werd in de expositie Arte Povera, pleitte al jaren voor een eerherstel van de Europese kunstenaar. Arte Povera was uitgegroeid tot een volwassen school van gelijkgezinden, onder wie Mario Merz, Giovanni Anselmo, Giuseppe Penone en Giulio Paolini, die de rijke (kunst)historische traditie als het grootste goed van Europa zagen.

Nog steeds speelt die 'vergeten' geschiedenis een belangrijke rol in het werk van Jannis Kounellis, die zichzelf ooit een 'partizaan van Homerus' noemde. In het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in Gent is nu een overzichtstentoonstelling met oud en nieuw werk van de kunstenaar te zien. Nog altijd gebruikt hij zijn overbekende 'povere' materialen: juten zakken, steenkool, koffie, gasbranders, verweerd hout, paardendekens, speciaal gewalst staal, olielampjes. Zijn tentoonstellingen zijn totaalervaringen; je kunt ze bekijken, ruiken én horen.

De man van het grote gebaar, dát is Kounellis. Hij was het die in 1969 in de Romeinse Galleria L'Attico geen kunst maar twaalf briesende, stampende en poepende paarden tentoonstelde. Dat was het begin van een theatraal oeuvre waarin alle werken, zowel operadecors (voor Wagners Lohengrin ) als museumstukken, in tijd en ruimte een geheel vormen.

De tentoonstelling in Gent past in dit oeuvre. Kounellis' nieuwste werk sluit naadloos aan bij zijn oudere, in de hoogtijdagen van Arte Povera gemaakte, installaties. Ze zijn groots, theatraal, dramatisch, soms ook onbegrijpelijk en cryptisch. Niet voor niets stond de kunstenaar onder vrienden bekend als het 'Orakel van Delphi'.

Een van de zalen van het museum is ingericht als 'ziekenzaal'. Op elf veldbedden liggen gehavende stukken staal, toegedekt met grauwe dekens. De installatie is ongrijpbaar, in zichzelf gekeerd. Waar verwijst dit werk naar, wat betekent het? Kounellis zwijgt als het graf. Het bordje aan de muur vermeldt slechts Senza titolo, 2000, net zoals alle andere bordjes in de tentoonstelling.

Een ander kunstwerk bestaat uit een metalen constructie aan de muur waarachter een aantal zwarte jassen is gepropt. Er steekt een vioolkoffer uit. De associatie met oorlog, de deportatie van de joden dringt zich op. Maar ook hier weer dezelfde onbereikbaarheid. De kunstenaar strooit met verwijzingen en hints.

Langzaam begint het te knagen. Maakt nieuwsgierigheid plaats voor irritatie. Het beeld van een half vergane houten boot in een waterbassin mag dan misschien van grote theatrale waarde zijn, meer nog is het pathetisch. Ook de eentonige wand waartegen prachtige kleurige vlinders gespeld zijn, en de aquaria met goudvissen en verroeste kettingen, zijn niet gespeend van voor de hand liggende romantiek.

Hoe kan dit? Waar is de kracht van Kounellis gebleven? Hoe komt het dat zelfs zijn oude en mooie werken - de beroemde metalen bloem die gas uit haar hart blaast, het zwartgeblakerde, door vuur aangevreten metalen plaatje aan de muur - in Gent niet overtuigen? Is het werk uit de tijd, de kunstenaar te oud?

Misschien. Het zou een verklaring kunnen zijn voor de pathetiek. Maar het ligt in het SMAK vooral aan de indeling. De zalen zijn volgepropt, je struikelt bijna over de lukraak geplante zakken met kolen. Nooit gedacht dat het bescheiden karakter van Arte Povera, met natuurlijke materialen die zich als vanzelf voegen naar de ruimte, zo'n overkill zouden kunnen veroorzaken. Kounellis, die altijd heeft gewaarschuwd voor zielloosheid in de kunst, is uiteindelijk precies in die val getrapt.

Meer over