Opschudding van bovenaf

Nederlanders doen mee aan een internationalisering van de vrees. We zijn bang voor de Amsterdamse mafioso, de Marokkaanse dief, de Poolse loodgieter, de Arabische antisemiet, de Chinese textielfabrikant, de autoriteit in Brussel, de hervormer in Den Haag en de neoliberale adviseur....

De essayist Bram de Swaan omschrijft het vaderlands humeur als sikkeneurigheid en roept op tot wellevendheid en humor. Dat is een welsprekende uiting van la grande peur des bien-pensants, aangelengd met minachting voor gewone mensen uit de linkse sociologie. Het past niet bij een geleerde die terecht beroemd werd met de these dat de verzorgingsstaat is gebouwd op de vrees van rijken voor hinderlijke armen en uitsluiting van vreemdelingen. De greep op de huidige woekering van negatieve gevoelens moet toch echt beginnen bij een poging tot algemene verklaring.

In de jaren negentig was er vrees voor politiek. De samenleving was ontspannen, het beleid zacht, en het heil kwam van de markt. In het huidige decennium is de vrees inzet van politiek geworden, ongeacht de kleur van de regering. De samenleving is gespannen, het beleid hard, en het heil de onzekere opbrengst van afscherming van de eigen kring.

Hoe zit dit? De Amerikaanse filosoof Corey Robin zoekt het antwoord in Fear – The History of a Political Idea in een fout in het moderne denken over politiek. In het klassieke begrip van Aristoteles en Augustinus is vrees een bewuste emotie en een redelijk antwoord op een harde werkelijkheid met door god en de natuur ingegeven beperkingen. In het moderne begrip is vrees onderbewust en ligt haar bron buiten moraal en politiek. Vrees wordt in de moderniteit bestreden met totale vernieuwing van de psyche en de staat.

De vermaarde historicus John Lukacs ziet een verwisseling van links en rechts en een verrechtsing van het midden, zo blijkt uit Democracy and Populism – Fear and Hatred. Links was altijd de stroming van haatdragende groepen met een opwaartse mobiliteit. Rechts was de partij van de bevreesde groepen die bezorgd waren om hun voorrechten. Vandaag is het radicaal rechts dat de haat preekt en radicaal links dat de vrees belichaamt.

De Engelse socioloog Frank Furedi gaat verder en beweert in Politics of Fear – Beyond Left and Right dat de links-rechtstegenstelling niet meer bestaat. Neoconservatieven hebben afscheid genomen van traditie en geleidelijkheid. Neoprogressieven geloven niet meer dat structurele verandering verbetering brengt. Hun kiezers in het midden – jong en oud – gaan zelfs het Museum-plein of de Champs Elysées op voor bevriezing van de toestand sinds 1945 van ongeëvenaarde vrijheid en voorspoed. Dit is ‘behoudzucht uit vrees’.

De Engelse filosoof David Runciman beschouwt Tony Blair als prototype van nieuwe politiek. Uit naam van een verantwoordingsethiek en een wereldwijd belang trekt de de gekozen televisiepoliticus ten strijde tegen de vrees zelf, schrijft Runciman in The Politics of Good Intentions – History, Fear and Hypocrisy in the New World Order. Hij vraagt zijn bevolking om alle denkbare risico’s te nemen in een beslissende strijd tegen islamistische terreur, die zal uitmonden in een wereldorde zonder vrees.

Robin (2004) schreef het beste boek. Hij herinnert aan de vermenging van klassiek en modern denken over risico’s bij Hobbes, de schrijver van Leviathan (1651). Voor Hobbes is de wederzijdse vrees tussen burgers nog het cement van de samenleving en de reden van bestaan van de overheid. Vrees voor echte vijanden en dreigingen is een houding die de mensen moet worden bijgebracht door ouders, priesters en leraren in het kader van hun overleving en de versterking van hun weerstandsvermogen. De tucht in een ‘samenleving van gelijken’ vloeit voort uit volkse vrees, en niet uit uitstervende nobele emoties als eergevoel en glorie. Wie een beschaving wenst met bloeiende kunsten en wetenschappen en een rustig leven voor de massa (De Swaans ‘boterham met tevredenheid’), die hoort volgens Hobbes de vrees te cultiveren door middel van een eenheidsstaat. Een rechtsstaat handhaaft de wetten zonder aanzien des persoons en onderdrukt contrarevolutionairen zonder genade.

Bij Montesquieu begint de instorting van dit Hobbesiaanse evenwicht. In De geest der wetten (1748), waarvan een nieuwe Nederlandse vertaling eind van dit jaar zal verschijnen, is de vrees een reflex van de geïsoleerde enkeling op het eigenzinnige schrikbewind van despoten. Montesquieu hield een befaamd pleidooi voor individualisme, privaat bezit, pluriformiteit, een verenigingsleven, en een scheiding en balans tussen wetgever, bestuurder en rechter. Hij dacht dat de goede grondwet de despoot voorgoed zou verdrijven, en daarmee ook de vrees voor een hel op aarde.

Maar wat gebeurt er wanneer democratie overwint en algemeen wordt aanvaard? Sommige intellectuelen vallen terug op een cultivering van angst. Ze zijn uitgekeken op hun eigen land nu de emancipatie van werknemers, vrouwen en minderheden is voltooid. Of ze zijn teleurgesteld in sociale rechtvaardigheid, hervorming van disfunctionele sociale zekerheid en regulering van grenzeloos aandeelhouderskapitalisme. In beide gevallen wordt volgens Robin alle energie gestoken in demonisering van buitenlandse tirannen als Milosevic, Saddam Hussein en Bin Laden.

Deze ‘liberalen uit vrees’ hebben te weinig oog voor de periodieke terugkeer van politieke bangmakerij van eigen makelij, zoals de schrik voor links na de Eerste Wereldoorlog, de communistenjacht van McCarthy in de jaren vijftig en draconisch antiterrorisme in onze tijd. Evenmin zien ze dat het Amerikaanse ondernemerschap een baaierd van vrees schept op de werkvloer, in arbeids- en rassenverhoudingen, en uiteindelijk ook in verhoudingen binnen gezinnen en steden. Voor Robin is de Amerikaanse plutocratie een republiek van de angst geworden. Lukacs ziet een tempoverschil met Europa. In de VS werden populisme en neoconservatisme regeringsbeleid. Europa had lang zijn neoliberale technocratie, maar beleeft nu ook een nationalistische terugslag.

Furedi vraagt aandacht voor bangmakerij als beleidsmethode. Het valt hem op dat politici die aan de macht komen, zonder uitzondering de samenleving instabieler maken en de overheid grootscheeps hervormen. Ze doen dat met het argument dat er geen alternatief is voor concurrentie, met een beroep op de nieuwe kwetsbaarheid van de gemeenschap. Politiek ontleent haar zin aan de hand van sterke beelden van crisis en de remedies daartegen. Furedi verklaart deze opschudding van bovenaf uit een uitholling van partijpolitieke programma’s en begrippen. De band tussen elite en achterban is verbroken. De elite vlucht in vage leuzen (governance, empowerment), en de bevolking maakt zich zorgen om het verlies van zekerheden en zelfbestuur.

Furedi behandelt het beleid van Clinton en Blair voor misdadigers, werklozen, verscheurde gezinnen en verloederde stadsbuurten. Hij ontwaart een nieuw dirigisme waarbij burgers als kinderen worden beschouwd.

Runciman beperkt zich tot het buitenlandse beleid van Bush en Blair, met Berlusconi de bekendste voorbeelden van nieuw leiderschap tegenover vrees: ‘moraliserend, meedogenloos, uit eigenbelang, vroom, visionair, partijdig en diepgaand in beslag genomen door de eigen persoonlijkheid’. Zijn stelling luidt dat de door camera’s omringde politici zonder worteling in traditionele organisaties hun wantrouwende samenleving enkel nog kunnen besturen door virtueel leiderschap, overdrijving van problemen, en verpersoonlijking en moralisering van politieke keuzes. Runciman concludeert dat democraten moeten stoppen met demonisering van vrees en haar in het heetst van verkiezingscampagnes moeten bespreken. Maar een uitdrukkelijk verlangen naar sterke partijen, parlementen en fora voor openbare meningsvorming brengt de goede Europeaan geen stap dichter bij geloofwaardig optimisme (voorbij Blair) en een uitweg uit de impasse van democratisch pessimisme (voorbij Chirac).

Jos de Beus

Meer over