Oppositie is landsbelang

Democratie is georganiseerd wantrouwen. Vandaar dat een geduchte oppostie ook landsbelang is, want politiek en regeren moeten scherp gehouden worden en interessant zijn voor de kiezers....

JAN JOOST LINDNER

GEEN regering kan lang veilig zijn zonder een geduchte oppositie', zei de Britse staatsman Benjamin Disraeli. Het is maar een beetje een paradox. Als een kabinet onvoldoende tegenspel en correctie krijgt, gaat de scherpte eraf en krijgen alle onruststokers en eigenheimers de ruimte. Ook in een land met coalitieregeringen.

Het CDA, en vooral leider Heerma, moet het opponeren, laat staan 'geducht', nog leren en dat blijkt niet eenvoudig. Christen-democraten hebben het, met uitzondering van wat CHU'ers tijdens het kabinet-Den Uyl, nooit aan de hand gehad. De laatste echte confessionele oppositieleider was Jan Schouten (AR) tussen '46 en '52.

'Macht bestaat niet in hard of dikwijls slaan, maar raak slaan', schreef Honoré de Balzac. Vooral de oppositie moet gedoseerd worden. Met als hoofdregel dat de oppositieleider zich niet moet melden als er verdeeldheid in het regeringskamp is. Want dat leidt er meestal toe dat de coalitie weer bijeenkruipt. Er moet vooral dreiging uitgaan van de oppositie. Er staat een lel klaar, maar die is nog niet uitgepakt.

Democratie is georganiseerd wantrouwen (ook als zodanig ontstaan). De oppositie controleert het kabinet en de bureaucratie met minder voorgebakken lankmoedigheid dan regeringsparlementariërs. De antithese, de belichaming van een alternatief, is onmisbaar voor een gezonde democratie. Een geduchte oppositie is ook landsbelang, want politiek en regeren moeten scherp gehouden geworden en interessant zijn voor de kiezers. Daarom zijn de afspiegelingscolleges van veel raden en staten democratisch nogal ongezond.

De christen-democratie heeft nooit veel opgehad met de oppositie. Rond 1910 ergerde de katholieke leider mgr Nolens zich groen en geel aan roerige socialisten: 'Gehak, gezanik, obstructie, afdwalingen en kroegtaal'. Zo verlieten de SDAP'ers eens onder het protesterend zingen van De Internationale de vergaderzaal. Zij lieten onnodig twintig maal hoofdelijke stemmingen houden. Schaper filibusterde (onbeperkt spreken om de vergadering te traineren) negen uur lang en ging toen tevreden biljarten.

KVP-leider Romme, bepaald geen maxi-democraat, hield na de oorlog van de 'brede basis', ook om de PvdA beter in de touwen te houden. Een nationaal kabinet wilde hij wel - wat nooit lukte - of slechts een kleine 'serieuze' oppositie van alleen AR of VVD. Dat was in Nederland geen bezwaar, zo legde hij uit in de brochure Katholieke Politiek ('53).

Romme's (en Drees') tegenspelers hadden betrekkelijk kleine eigen fracties, maar zij waren wel markante karakters: Jan Schouten (ARP) van '46 tot '52 en Pieter Oud (VVD) daarna tot '59. Helmut Schmidt zei onlangs (over Duitsland) dat de politici van kort na de oorlog veel meer hadden meegemaakt en geharder en sterker waren dan de huidige 'middelmatige' leiders. Ook in Nederland waren het 'regenten'. Sterk, meestal ongezeglijk en soms bekrompen. Ze hoefden niemand naar de mond te praten, want de tijden waren autoritair en hun positie werd in het verzuilde bestel (met veel kiezerstrouw) minder gauw bedreigd.

Jan Schouten had slechts lagere school (en werkte daarna in een bloemenzaak) maar toen hij vlak na de oorlog uit het concentratiekamp Mauthausen terugkwam, was hij de charismatische gereformeerde leider, waartegen ook de jongeren van de verzetskrant Trouw hoog opkeken. 'Hij had iets van een Oud-Testamentische profeet', schreef het kamerlid J.A. van Bennekom, en menigeen herinnerde zich Schoutens 'felle, grote ogen'. Ooit eindigde hij een donderpreek over het gereformeerde koershouden met: 'Naar uw tenten, O Israël'.

Jelle Zijlstra (later zijn opvolger) kwam als minister eens te laat op een zomerse partijbijeenkomst en hoorde de leider al buiten. 'Daar klinkt de bazuin', zei Zijlstra tegen zijn chauffeur. AR-senator A. Anema: 'Een van de meest sublieme produkten van de Gereformeerde jongelingsverenigingen, maar dat duidt ook zijn beperking aan.'

Schouten moest niets hebben van het 'uitleveren' van Indië aan de revolutionairen van Sukarno. Hij hield (goed beargumenteerde) tirades tegen het trage herstel van de democratie in Nederland en tegen de naoorlogse bemoeizucht van PvdA- èn KVP-ministers met het bedrijfsleven. Wat dat laatste betreft stond de AR in die jaren van schaarste en wederopbouw vrijwel alleen.

De AR opponeerde echt, zij het bijna altijd keurig. Volgens Van Bennekom kregen de jongeren pas geleidelijk door dat zij met Schouten wel in erg conservatief vaarwater bleven. Pijnlijk was de aanvaring tussen de anti-revolutionaire oud-minister van Financiën J.A. de Wilde en diens opvolger Lieftinck over de afroming van vermogens in '46. De Wilde betoogde dat de Duitse NSDAP ook zo nivellerend was begonnen en sprak van 'een systeem-Schacht'. Lieftinck, zelden te schokken, zei kwaad dat hij op deze voet niet met de oppositie wilde discussiëren.

Overigens is vaak vastgesteld dat Lieftincks Keynesiaanse beleid bepaald niet socialistischer was dan dat van Engeland of de VS. Pas in de jaren vijftig zouden de tegenstellingen op dit punt scherper worden tussen sociaal-democraten en confessionelen. Inmiddels was in '52 een gematigder ARP in de regering gekomen, met Zijlstra op Economische Zaken, en de VVD in de oppositie. In '56 ging Schouten met een veel eerbetoon , maar ook heimelijke zuchten van opluchting, uit de Kamer. Hij kon het niet laten om zich nog lang met zijn opvolgers te bemoeien.

Met de liberaal Pieter J. Oud kregen Drees en Romme (bij groeiend onderling wantrouwen) een erudieter en electoraal behendiger opponent. Hij wist als oud-minister van Financiën bij Colijn en als burgemeester van Rotterdam, wat regeren en besturen was. Oud zat al sinds 1913 in het parlement voor de Vrijzinnig-Democratische Bond en had in 1938, weinig liberaal, zijn leider Marchant gewipt toen die katholiek werd. In de periode '48-'52 - de VVD mocht marginaal meeregeren - werd Ouds co-leider Dirk Stikker geloosd na lelijke conflicten.

Oud was een onaardige en autoritaire man met een hoog trillerig stemgeluid, wat door de radio van die tijd nog erger klonk. Hij had weinig geduld met de minder begaafden (bijna iedereen), ook in eigen kring. Jelle Zijlstra: 'Ik geloof dat hij een betrekkelijk eenzaam mens is geweest.' Oud was zijn eigen wetenschappelijk bureau, maar ook zijn eigen partijvoorzitter. Bestuursleden mochten af en toe eens langskomen voor instructies, bij voorkeur op zaterdagmorgen. Een zei ooit verontwaardigd dat hij niet kwam om ja en amen te zeggen. 'Nee meneer', zei Oud, 'Amen houdt maar op. Ja is genoeg'.

Ook als oppositieleider was Oud vrijzinnig-democraat die principiëel de confessionelen bestreed (waarbij de vrijheid tot cremeren speelde). Op sociaal-economisch gebied keerde hij zich meestal tegen de PvdA, wat in de steeds welvarender jaren vijftig breder aanhang kreeg. De partijen stonden nog dicht bij elkaar. In '56 heeft Drees geprobeerd een vijfpartijenkabinet te maken, zodat hij met de VVD meer tegenwicht tegen de 'rechtse confessionelen' kon bieden. Kennelijk was Drees het over de misbaarheid van een oppositie vergaand eens met Romme.

Het kwam er niet van. Tot en met '59 trok de VVD-leider juist alle anti-socialistische registers open, terwijl KVP en PvdA steeds verder op een breuk afstevenden. Oud, menigmaal ruw beschimpt door PvdA-fractieleider Burger, bekroonde zijn verkiezingscampagne ('59) met de uitspraak dat hij in geen geval met de PvdA zou regeren. Het was vooral een electorale truc, maar wel de eerste polarisatie. Geleidelijk aan zou de VVD zich daarna in de conservatieve hoek, rechts van de confessionelen, nestelen. Overigens won Oud in '59 zes zetels (op een Kamer van 100), waarna zijn partij mocht meeregeren in het kabinet-De Quay.

Oppositieleider werd Jaap Burger - Drees verliet de directe politiek na de breuk met de KVP eind '58 - maar vanaf de eerste dag had hij zijn eigen zware oppositie in de fractie. De oud-ministers en de intellectuelen in de fractie, onder wie De Kadt en de jonge Den Uyl, vonden hem geen aantrekkelijk leider. Er was oud zeer, want Burger had de oppositie bepaald harder nagestreefd dan de ministers. Op regeren beluste PvdA'ers vreesden een lange oppositie onder Burgers leiding, temeer daar hij telkens hoge eisen stelde aan een eventueel meedoen.

'Zijn stijl van oppositievoeren was te lawaaiierig-negatief', aldus P.F. Maas. Ruim twintig jaar later leverde Burger op dit punt enige zelfkritiek. 'Als het ware bij instinct bekritiseer je als oppositiepartij heftig de maatregelen van de regering. Toch moet je daar naar mijn mening reusachtig mee oppassen' (!). Hij achtte het beter 'niet frontaal aan te vallen', maar vooral het 'alternatief uit te dragen'.

Burgers bonkige duidelijkheid werd wel door arbeiders gewaardeerd, maar minder door de middengroepen. Ex-minister Vondeling en anderen voelden beter aan dat er ontzuiling in de lucht hing. Ook verweten zij Burger gebrek aan openheid en afkeer van de media. Deze zei later: 'Ik was nooit zo pers-minded. Ik máák de politiek, maar moet ik ze nou ook nog uitdragen en etaleren? Ik vond van niet.'

Vondelings pogingen om Burger meteen al te wippen, mislukten. Zijn fractieminderheid bleef twee jaar stoken en mopperen, terwijl de PvdA slechte Staten- en raadsverkiezingen maakte. In '61 blunderde Burger enkele malen, vooral inzake Nieuw-Guinea, waarbij hij minister Cals zonder bewijzen verdacht maakte (de 'Calse Burgeroorlog'). Aanvallen in Het Parool en in Socialisme en Democratie (auteur De Kadt, redactiesecretaris Den Uyl) lierden het conflict nog meer op, tot een breuk begin '62.

Anne Vondeling groeide in de volgende periode ('63-'65) uit tot een zeer effectieve oppositieleider tegen het zwakke, verdeelde en soms ridicule kabinet-Marijnen. Hij was speelser en intelligenter dan de onheilszwangere Burger. Hij debatteerde slim en leuk - uiterst belangrijk - en deed het goed op de tv en in de kranten. Een open en vrolijke man, meer vrijzinnig-democraat dan socialist.

Zijn hoogtepunt kwam na de interne kabinetsbreuk over het omroepbestel. Het kabinet was meer gesneefd door moedeloosheid (ook over sociaal-economische conflicten) dan dat er een helder conflict was. Bovendien vonden de regeringsfracties te veel uitleg schadelijk voor de komende lijmpoging (die overigens zou mislukken).

Dus zat demissionair premier Marijnen op 1 maart 1965 voor de tv-camera's - maar achter de regeringstafel - een debat lang stommetje te spelen, terwijl Vondeling hem in alle toonaarden tot enige helderheid trachtte te bewegen. Anders kon hij toch geen advies aan het staatshoofd verstrekken? Het was een 'levendige vertoning' aldus Maas, die erop wees dat de confessionelen zo'n raadselachtige kabinetscrises later nooit meer aangedurfd hebben.

In het kabinet-Cals was Vondeling (op Financiën) een stuk minder populair, vooral nadat hij de gedachte omhelsde belasting op schoenreparaties te heffen. De Ontzuiler bleek van herideologisering (Provo, Nieuw Links) niets te moeten hebben en toch niet erg veelzijdig te zijn. Al gauw werd Joop den Uyl aangewezen als komende partijleider.

De ontevredenheid van de PvdA over het kabinet-Cals en vooral over Vondeling, was groot, en als KVP-leider Norbert Schmelzer de club niet had heengestuurd in zijn beruchte Nacht (oktober '66) had de PvdA zoiets wel gedaan. Of de AR. In alle partijen woedde een strijd om de leiding, nu de generatie van de Grote Regenten (ook Burger, Oud en Romme) al enkele jaren hooguit wat op de achtergrond rommelde.

In de VVD werd Ouds opvolger Edzo Toxopeus oppositieleider. Later is hij geprezen om zijn onderkoeldheid. De slimme advocaat uit Breda hoefde (en was ook zo verstandig om) weinig te doen. Want de hele regeringscoalitie ruziede elkaar de tent uit, ook vaak binnenpartijdig. Bovendien was er veel oppositie op straat, met name rond het rokerige Huwelijk van Prinses Beatrix in Amsterdam, waarvoor minister Smallenbroek de 'strategie' op de achterkant van een sigarendoosje had gekrabbeld.

In een roerig maatschappelijk klimaat trad het behoudende kabinet-De Jong op, waarvan de premier wel 'begrip' had voor de opstandige jeugd, maar geen beleid dat bij de cultuurschok van die tijd hoorde. De Jong had ook te maken met het tegenspel van AR-leider Biesheuvel, die niet alleen zelf mislukt was als kabinetsleider, maar ook een luide linkervleugel in zijn fractie moest paaien.

Dat gaf veel 'schoten voor de boeg' en ander spektakel. Maar bloed vloeide er nooit, want Biesheuvel wilde de fusie met KVP en CHU te graag en kreeg van Schmelzer de belofte premier te worden ná De Jong. Die dan ook in 1971 lichtelijk onheus aan de kant werd gezet.

Oppositieleider Joop den Uyl - hij zou het langer zijn dan wie ook - had in de periode-De Jong ('67-'71) het maatschappelijk klimaat mee. Zijn jaarlijkse donderpreken bij de Algemene Beschouwingen hoorden meer bij die tijd dan het bangelijke gescharrel van het kabinet en de geregisseerde parlementaire toneelstukjes van KVP-leider Schmelzer.

Den Uyl scoorde, maar ook hij had de grootste moeite zijn partij in toom te houden, een kwaal van veel oppositieleiders. De strijd met Nieuw Links was zwaar, maar een congresmotie van de kleine afdeling Doniawerstal ('69) waarin om een scherpere oppositie werd gevraagd, wekte eerder lachlust. Veel serieuzer werd de anti-KVP-resolutie van 1971 genomen, die harde polisarisatie aankondigde en een periode van forser oppositievoeren.

VVD-leider Wiegel en Den Uyl deden veel minder aan soebatten met de christen-democraten. Die werden tussen hen fijngeknepen in een tijd die om lef en duidelijkheid vroeg. Beiden polariseerden met bombarie tegen elkaar - in zalen en parlement - en haalden ieder hun deel van de buit in het midden weg. De KVP raakte in drie verkiezingen de helft van haar aanhang kwijt.

Den Uyls eerste oppositieperiode (tot en met het weggeblunderde kabinet-Biesheuvel) was zijn beste, en hij was in '72 onbedreigd leider en kandidaat-premier. Maar de toenmalige PvdA-fractieleider Ed van Thijn vond Hans Wiegel in de kabinetsperiode-Den Uyl ('73-'77) 'de beste oppositieleider sinds 1945'. Wiegel deed het volgens Van Thijn nogal Engels 'in de traditie van turn out the rascals'. Hard, populistisch, humorvol en genadeloos op de de confessionele achterban gespeeld.

Wiegel was een goed debater, die door geestelijke luiheid wel eens in inhoudelijke problemen kwam. Maar dat was uitsluitend voor de kenners waarneembaar. Van Thijn erkende later dat hij aanvankelijk 'Wiegel-angst' had. Die kon hem met een puur onlogische, doch smadelijke vraag, volkomen van streek maken. Van Thijn ging oefenen met Marcel van Dam ('veel erger dan Wiegel') en toen was het over.

De ploeg-Den Uyl was een prachtkabinet om oppositie tegen te voeren. Het bevatte uitzonderlijke figuren als Boersma en Vredeling, en was niet bang om de vele meningsverschillen openlijk uit te vechten. AR en KVP werden keer op keer door Den Uyl en de PvdA-fractie vernederd. Volgens Van Aardenne kon Wiegel 'heel goed stoken bij de katholieke rechtervleugel'. Lubbers: 'Hij kon prachtig overdrijven.'

Een groot gemak was dat de jonge VVD-leider weinig last had van intellectuele twijfel. Hij wist wel dat hij niet tè ver mocht gaan, dit met het oog op toekomstige regeerverhoudingen. Er is wel gezegd dat de PvdA er vaak in slaagde de confessionelen dieper (en dus politiek meer structureel) te vernederen, wat onder meer de latere vete Den Uyl-Van Agt en de PvdA-mislukking van '77 opleverde.

Toch had ook Wiegel last van dissidenten. Echte liberalen, onder wie ex-leider Geertsema en het kamerlid Vonhoff, leverden interne kritiek, mede omdat de VVD onder Hans, Haya (Van Someren) en Harm (Van Riel) krachtig conservatief werd. VVD-partijvoorzitter Haya sprak de dissidenten toe en Wiegel schreef een brochure waarin hij wat inbond. Later: 'Het was een rottijd.' Maar ook een tijd van triomf, waarin de jonge politicus zijn naam vestigde.

Den Uyl werd een verbitterd oppositieleider vanaf eind '77. De soms wat simpele humor van Wiegel maakte plaats voor loodzwaar moralisme, gemixt met rancune (wegens de formatie). Waar de Pvda zelf in verwarring was, kon Den Uyl moeilijk een aantrekkelijk alternatief voorspiegelen. Nog het meeste succes (bij ruim de helft van Nederland) boekte hij in de oplaaiende strijd tegen de kruisraketten.

Dat jaar werd de PvdA-leider slechts vice-premier in een tragikomisch kabinet met Van Agt, dat eigenlijk in permanente crisis verkeerde en na driekwart jaar onbetreurd uiteenspatte. Oppositieleider Wiegel hoefde alleen maar achterover te leunen en te lachen. Overigens was hij zijn vertrek uit de politiek al aan het regelen en hij had helemaal geen zin zijn goede makker van de vorige periode, Dries van Agt, te attaqueren.

Eind '82 was Den Uyl weer oppositieleider, nadat hij het advies van zijn subtop om op te stappen, had genegeerd. Het kabinet-Lubbers I saneerde hard en uitdagend en stond vrij sterk, terwijl Den Uyl steeds problemen had rond zijn opvolging: de kroonprinserij. Die hij overigens zelf door zijn aarzelen verergerde. In '84 verzuimde hij pal achter Van Kemenade te gaan staan.

Bij vlagen was Den Uyls oppositie nog sterk - hij bleef een goed debater en parlementariër - maar hij was toch in zijn nadagen, en inhoudelijk viel hij nogal eens terug op zeer oude (planeconomische) recepten. Aan het eind van de periode leek zijn leiderschap te lang geduurd te hebben. Toch liet hij zich weer lijsttrekker maken (met Wim Kok op de duo) wat leidde tot de 'overwinningsnederlaag' van '86. Lubbers won veel meer dan Den Uyl, die na de formatie terugtrad ten gunste van Kok. Den Uyl had al even veel moeite met tijdig weggaan als eerder Oud, Schouten en Winston Churchill.

De nieuwe PvdA-leider was bepaald geen geboren opposant, maar Lubbers II en zijn steeds eigenwijzere fractieleiders De Vries en Voorhoeve, hadden ook niet veel oppositie nodig. Kok besteedde veel tijd aan cohesie in de eigen subtop. Hij bereidde, met zachte hand en weinig geprononceerde standpunten het meeregeren voor, want de coalitie CDA/VVD had klaarblijkelijk zijn beste dagen gehad.

Bolkestein werd in '90 oppositieleider tegen het kabinet-Lubbers/Kok, nadat het VVD-bestuur Voorhoeve op weinig elegante wijze tot terugtreden had bewogen. De eerste Algemene Beschouwingen van de nieuwe leider werden een sof. Hij moest het spits debatteren nog leren en deed dat daarna verrassend snel. Spoedig vond hij de toon en had hij de (pseudo-) helderheid te pakken van zijn politieke opmars, voortgezet in de huidige paarse periode. Wel kreeg hij - toen al - veel kritiek omdat hij immigranten weinig subtiel aanpakte.

Bolkestein wist (als Wiegel en beter dan Den Uyl) wanneer hij zich niet met conflicten in de coalitie moest bemoeien. Een oppositieleider die op andere momenten een goed deel van het debat naar zich toetrekt, doet het meestal goed. Bovendien was naast het kabinet-Lubbers III (dat zijn deelnemende partijen 32 zetels zou kosten) ieder leiderschap aantrekkelijk.

En nu moet het CDA, vooral in de persoon van Enneüs Heerma, echt gaan opponeren na een jaar wonden likken en zwalken. De machtigste leus van de oppositie is altijd: 'Het is tijd voor verandering', schreef Margaret Thatcher in The Downing Street Years. Zij had die leus zelf effectief kunnen gebruiken in '79, maar die in '83 'ontfutselt' aan Labour. Want toen wilden juist de regerende Tories verandering (een Nieuw-Rechtse revolutie) en hun oppositie niet.

Het CDA lijkt nu evenmin een alternatief te kunnen presenteren. Dat zou ook niet meevallen, gezien de centrumachtige kleurloosheid van het kabinet. Tenzij het CDA voor een helder rechtse oppositie vanuit vooral cultureel conservatisme zou kiezen. Zo'n keus - toch kras voor een centrum-rechtse beweging - zou Bolkestein wind uit de zeilen nemen. Mits een talentvolle, mediamieke debater zo'n koerswisseling kan en wil uitdragen.

Het is allerminst Heerma's stijl. Diens koers zal centrumachtig en nog een beetje sociaal blijven, en dus niet al te zeer contrasteren met het kabinet. Heerma is een integer en bekwaam bestuurder gebleken, maar hij mist tot nu toe de debaterskunst, de ironie en mediabegaafdheid, maar ook de staatsmannelijke uitstraling die een oppositieleider nodig heeft. Het is sterk de vraag of Heerma voor juist deze baan wel deugt. Maar die vraag kan voor de hele afgeplatte en bleke CDA-top gelden.

Uitgerekend tijdens een minder geslaagde oppositieperiode krijgen interne troebelen hun ruimste kans. Er is minder discipline en radicale vleugels gaan wat harder wapperen. 'De oppositie is een zeer slechte school voor het regeren', aldus de Franse schrijver Anatole France. Het CDA bewijst tot nu toe dat het lang regeren een minstens zo slechte school voor het opponeren is.

Meer over