Opnieuw leren gelukkig te zijn

DE BRAND IN VOLENDAM LEEK PRECIES OP DIE IN EEN FEESTZAAL IN GÖTEBORG (OKTOBER 1998). HULPVERLENERS UIT BEIDE PLAATSEN STAAN IN NAUW CONTACT MET ELKAAR....

tekst Ellen de Visser ; fotografie Lukas Gobel

Het allereerste wat Volendammer René Schilder (21) wilde weten toen hij op 30 januari bijkwam op de intensive care van het brandwondencentrum in Beverwijk: 'Wat was het reservegetal in de lotto?' Er zat 1300 gulden in de pot en in café De Hemel waren op oudejaarsavond rond negen uur de winnende getallen getrokken. Of nummer negentien daarbij zat, was hem niet duidelijk.

De brand die een paar uur later uitbrak, heeft gaten in zijn herinnering geslagen. René was barkeeper, hij schijnt de brandblusser te hebben gepakt en op de bar te zijn geklommen om bezoekers naar de nooduitgang te dirigeren. Eenmaal buiten, trok hij eerst de vellen van zijn handen. Een kennis duwde hem op zijn rug in de sneeuw. Op de brancard 'ging het licht uit'.

Twee dagen na zijn thuiskomst uit het ziekenhuis praat hij aan de hoge tafel in de huiskamer uiterlijk onbewogen over die fatale avond op de dijk. Over de verzengende hitte, het zuurstoftekort dat de bezoekers de adem benam, de plotselinge doodse stilte die viel.

Van zijn middel tot zijn kruin is hij bedekt met tweede- en derdegraads brandwonden. De huid van zijn benen is naar zijn gezicht, zijn handen en zijn armen getransplanteerd: 'Alleen mijn linkerkuit is nog ongeschonden.' Als hij geeuwt, trekt de huid van zijn gezicht wit op om daarna weer diep donkerrood te kleuren. De wonden op zijn schouders en zijn rug zijn nog open en worden iedere morgen door een verpleegkundige van de thuiszorg verbonden. De afgelopen twee maanden is hij 11 kilo afgevallen.

Maar verder, zegt hij, gaat het wel goed.

Timmerman in opleiding Jack Groot (16) vertelt al net zo laconiek over het moment waarop hij bewusteloos neerviel: 'Ik dacht heel even: wat moet mijn moeder nou zonder mij. En toen dacht ik: nou, dan ga ik maar.' Hij had met zijn vrienden een tafeltje achterin De Hemel gereserveerd, maar toen ze rond zeven uur aankwamen, zaten daar wat meisjes die hen wegstuurden naar de raamkant. Dat werd zijn redding: het vuur begon achter in het café, de meisjes van dat tafeltje zijn dood of ernstig verbrand. Iemand moet hem naar buiten hebben getrokken. Hij weet niet wie.

Zijn linkerbovenbeen zit onder de rode striemen: het vel zit op zijn nek, zijn oren en zijn handen. Onder de speciale handschoenen komen donkerrood gekleurde, licht gekromde vingers vandaan. Ze voelen aan als plastic.

De foto's uit het ziekenhuis zijn identiek aan die van René: een mummie tussen slangetjes en apparatuur. Een week lang lag hij in kritieke toestand in het Medisch Centrum Alkmaar. 'Als zijn luchtpijp onherstelbaar is verbrand, moeten we om de tafel', zeiden de artsen tegen zijn ouders.

Toen het beter ging, kwam de psycholoog langs. 'Maar die drong niet aan.' Een van zijn vrienden ging wel op gesprek. Grijnzend: 'Maar dat was vooral omdat hij dat vrouwtje wel leuk vond.' Zijn humor is niet geweken. En hij slaapt prima. 'Weet u', verklaart zijn moeder, 'Volendammers zijn zo ontzettend nuchter.'

Drie maanden na de vernietigende brand in café De Hemel zijn de meeste slachtoffers weer thuis in Volendam en ze willen het liefst dat iedereen weer gewoon doet. 'Ken je dit effies snel goed maken', zeggen ze tegen de verbijsterde artsen in de polikliniek in het dorp, wijzend op hun verbrande ledematen. 'Dan ken ik weer an het werk.'

Op het Don Bosco College, waar langzamerhand het ene na het andere slachtoffer terugkeert in de schoolbanken, is hoogstens sprake van wat extra onrust en baldadigheid, meer niet. Rector G. Dekkers: 'Er zijn twee tweede klassen die een leerling zijn kwijtgeraakt en die getraumatiseerd moeten zijn. Alleen, kinderen van die leeftijd hebben moeite hun gevoelens onder woorden te brengen.'

Maar gewoon zal het nooit meer helemaal worden, weet de jeugd van Goteborg. Op 29 oktober 1998, de avond van Halloween, brak in de Zweedse stad brand uit in een feestzaal. De omstandigheden waren grotendeels gelijk aan die in Volendam: te veel jongeren opeengepakt in een kleine ruimte op de eerste verdieping en nauwelijks vluchtwegen. Van de vierhonderd feestgangers stikten er 63, tweehonderd kwamen in ziekenhuizen in binnen- en buitenland terecht.

Tweeënhalf jaar later blijken veel toekomstdromen kapot en lijdt een groot aantal van de overlevenden nog altijd aan posttraumatische stress. De tekst op de plaquette naast de toegangsdeur vertelt het hele verhaal: Goteborg blev en stad i sorg: Goteborg werd een stad van verdriet.

Masoud Owji (19) raakte door de brand gruwelijk verminkt. Zijn gezicht is bedekt met littekens, zijn linkeronderarm is geamputeerd en van zijn rechterhand is alleen zijn duim over. Negen maanden lag hij in het ziekenhuis, hij zal nog jarenlang plastische chirurgie moeten ondergaan.

Mashire Jadama (17) was een begenadigd voetballer. De brand maakte een einde aan zijn gedroomde profcarrière. Hij hinkt, zijn linkerbeen is verbrand. Op vragen over de toekomst, schudt hij mistroostig het hoofd. 'Ik had alles op het voetbal willen zetten en nu moet ik plotseling op school mijn best doen om een vak te leren.'

Hij heeft concentratieproblemen, net als veel van zijn schoolgenoten op het Angeredsgymnasiet. 'Als ik een tekst lees, weet ik vijf minuten later niet meer wat er stond', zegt Dimitris Pavlou (19). 'Hoe vaak ik de leraar niet zeg dat ik er geen fuck van begrijp, dat hij het nog een keer moet uitleggen en nog een keer.' Mohamed Hashi (19) verloor bij de brand zijn broer en zijn neef en beseft dat de leerproblemen waarmee hij sindsdien kampt zijn droom om ooit 'succesvol zakenman' te worden in de weg staan.

Van de 124 leerlingen die bij de brand waren betrokken, heeft een kwart het nog altijd moeilijk, zegt vertrouwenspersoon Lasse Johans son. Dat heeft niet alleen met de ramp te maken, weet hij. Het Ange redsgymnasiet is een scholengemeenschap in het noordoosten van de stad, een district met veel allochtonen. Veel slachtoffers waren jonge immigranten, vluchtelingen die al voor de brand met een trauma kampten.

Met een aantal slachtoffers gaat het niet goed, erkent Lars Lilled, de hulpverleningscoordinator bij de gemeente Goteborg. 'Ze hebben zich een weg naar de overleving gevochten en betalen daarvoor nu een hoge prijs. Sommigen hebben psychische problemen en voelen zich vreselijk schuldig dat zij het hebben gered. Anderen hebben af schu welijke brandwonden - en dat op een leeftijd waarop uiterlijk zo belangrijk is.'

Om te achterhalen hoe de groep getraumatiseerde slachtoffers het beste kon worden opgevangen, toog een Zweedse delegatie vlak na de brand naar Dunblane, het Schotse plaatsje waar twee jaar eerder een gestoorde man vijftien kinderen en de juf van de eerste klas doodschoot. En zoals de lessen uit Schotland van pas kwamen in Goteborg, zo worden de Zweedse ervaringen nu doorgegeven aan Volendam. Lilled stond een week na de brand al met psycholoog Claes Lind op een voorlichtingsavond in hotel Spaander. Volendamse hulpverleners waren de afgelopen maanden regelmatig te gast bij hun Zweedse collega's.

In Goteborg werden in de eerste week na de brand meteen vijf centra opgezet met honderdtwintig professionele hulpverleners. Zij slaagden erin 70 procent van de slachtoffers en hun familie te helpen. Een grote groep gaat nog altijd minstens een paar keer per maand naar een therapeut. Die psychosociale hulp heeft tot nu toe 30 miljoen gulden gekost. Lilled verwacht uiteindelijk op het dubbele uit te komen. De staat betaalt.

Volendam zag weinig heil in het kopiëren van het Zweedse systeem. Volendammers willen immers helemaal geen hulp van buitenstaanders. Maar dat een netwerk à la Goteborg onontbeerlijk zou zijn, was in het dorp wel duidelijk. Zo ontstond een nieuwe opvangmethode, met supporters, dorpsgenoten die bereid zijn een slachtoffer te begeleiden.

De afgelopen maanden hebben hulpverleners voor tweehonderd supporters informatie-avonden georganiseerd. Binnenkort gaan ze onder leiding van professionele coaches aan de slag. Lilled: 'Over een paar jaar komt het volgende Europese land dat met een ramp wordt geconfronteerd het unieke Volendamse systeem bestuderen.'

Rector Dekkers van het Don Bosco College hoorde van de Zweedse slachtoffers hoe belangrijk de school is geweest in hun verwerkingsproces. Van de Volendamse scholengemeenschap waren 140 leerlingen bij de brand betrokken. Vijf zijn overleden, er liggen er nog achttien in het ziekenhuis. En wat doet een docent dan als tijdens de les onverwachts de vraag valt: 'Kun je wel gewoon zitten als je je rug hebt verbrand?' Zeg je dan: jongens, aandacht voor pagina 13, of leg je de les stil?

Het Angeredsgymnasiet, de meest getroffen school in Goteborg, gaf alle leerlingen een dagboek en maakte naast de ingang een herinneringsmuur waarop briefjes en foto's konden worden geplakt. Er werd een schoolpsycholoog aangesteld, die de eerste maanden meer dan 25 gesprekken per week voerde. Leerlingen mochten een jaar langer doen over hun programma, kregen bijscholing en de mogelijkheid tot herkansingen als ze proefwerken of tentamens verprutsten.

Het Volendamse Don Bosco heeft een stiltecentrum waar leerlingen een persoonlijke groet kunnen achterlaten. Voor de eindexamenkandidaten is in overleg met de onderwijsinspectie het programma aangepast. Ze hoeven minder boeken te lezen, kunnen de examens later maken en mogen waarschijnlijk hun schriftelijk verruilen voor mondelinge overhoringen. Dekkers organiseert regelmatig vergaderingen met alle docenten van een klas. 'Om elkaar te helpen bij de spelregels en te kijken wat voor gedrag we nog accepteren.'

Hij heeft een coordinator aangesteld die in overleg met de docenten voor iedere leerling een programma maakt. Aan het eind van dit schooljaar worden bij de rapportvergaderingen voor het eerst alle leerlingen besproken. En wordt de vraag meegenomen: hoe presteerden ze voor de ramp? De rector heeft bij het ministerie van Onderwijs een toekomstplan ingediend. Er is extra personeel nodig; docenten, decanen en mentoren draaien al maanden overuren. 'En de zware gevallen die straks nog terugkomen, hebben waarschijnlijk allemaal privébegeleiding nodig.'

Er komt een extra vertrouwenspersoon, met kennis over posttraumatische stress. En sommige klassen, vindt Dekkers, moeten worden verkleind, zodat de leerlingen meer aandacht krijgen. Het ministerie is ook naar Zweden geweest. Dekkers heeft al een voorschot binnen.

Een andere les uit Zweden: het pand in de oude staat open laten zolang slachtoffers en familie behoefte hebben erheen te gaan. In Dunblane ging de school al dicht toen sommige slachtoffers nog in het ziekenhuis lagen. De gemeente Goteborg heeft daar lering uit getrokken, zegt Lilled. De feestzaal is 'voor onbepaalde tijd' gehuurd. Ontelbare keren is hij familie en slachtoffers voorgegaan. 'Veel ouders hebben daar pas afscheid genomen.'

Afgelopen zomer belde hij de familie van alle 63 overledenen met de vraag of het pand kon worden leeggehaald. Nu herinnert alleen de door de hitte verbogen ijzeren trapleuning nog aan toen. In de hoge, kale ruimte probeert Lilled weer te geven wat zich er tweeënhalf jaar geleden moet hebben afgespeeld. Achterin het podium en de bar, in de hoek de nooduitgang waarachter de brand begon.

Een bezoeker rook vuur, maar iedereen dacht dat hij een geintje maakte. Een van de feestgangers voerde nog een toepasselijke rap op: I'm burning for you eternally. Totdat iemand de nooddeur opende en een enorme steekvlam de vloerbedekking in brand zette. De ramen zaten veel te hoog en waren gebarricadeerd met tralies. Binnen de kortste keren was de enige toegangsdeur versperd met tientallen gestikte jongeren.

26 feestgangers werden later dood teruggevonden in de garderobe, zittend tegen de muur. 'Het was net Pompeji', zegt Lilled. 'Hun silhouetten stonden op de zwartgeblakerde wanden.' Die wanden zijn bewaard gebleven. Ooit worden ze teruggeplaatst.

Hij is nog altijd vol van de emoties die hij er de afgelopen jaren met zo veel ouders heeft gedeeld. Ze hadden vooraf vaak navraag gedaan bij vrienden en gingen dan precies op de plek staan waar hun kind de laatste momenten had doorgebracht. Camera's mee, opa uit Colombia speciaal overgekomen. Een jongen haalde midden in de zaal een ver fomfaaid stukje papier uit zijn broekzak en las anderhalf jaar na de dood van zijn zus een afscheidsbrief aan haar voor.

Bij het geïmproviseerde monument dat vlakbij de rampplek is opgericht, vertelt hij het verhaal van de katholieke Yesmin en de islamitische Sehmuz. Elkaars grote liefde, maar een verboden liefde: ze mochten van hun ouders vanwege het geloof niet met elkaar omgaan. Op het feest waar ze hadden afgesproken, vonden ze samen de dood.

De dagen erna vonden hun ouders op de computer hun liefdesgedichten. 'Waarom moet dit geheim zijn?', schreef Yesmin. 'Hoe belangrijk is godsdienst als het om echte liefde gaat?' Na de begrafenis van Sehmuz bracht diens zus de ouders van Yesmin zijn laatste liefdesverklaring: 'Jouw ogen.' De families hielden contact en Yesmins vader, musicus, maakte van de liefdesgeschiedenis een cd.

Hun beider foto's staan naast elkaar op het blauwe, verweerde plateau dat voorlopig nog als gedenkplaats dient. Het is een desolate plaats. De feestzaal bevond zich op de eerste etage van een elektronicagroothandel, de doden worden herdacht aan de rand van de parkeerplaats, naast een fietspad en een drukke verkeersweg. Verregende kerststukjes, gore teddybeertjes. Onder de slachtoffers waren een paar populaire rappers; hun foto's moeten regelmatig worden vervangen omdat ze door fans worden ingepikt.

Maar bij dat krakkemikkige monument is al twee keer een prachtige herdenkingsceremonie gehouden, zegt Lilled. Het eerste jaar waren er 63 kaarsjes en bloemen over een lengte van 100 meter. Het tweede jaar werd een beschilderd doek onthuld met 63 vogels. Op het Angereds gymnasiet is vorig jaar een herinneringstuin geopend: 63 stenen in een vijver en planten die allemaal eind oktober bloeien.

Symboliek is belangrijk, weet Lilled inmiddels, ook dat is een belangrijke les. In Volendam zijn alle bloemen bewaard die tegenover café De Hemel zijn neergelegd. Als een monument wordt opgericht, zal de compost daar worden uitgestrooid.

Humor, optimisme en doorzettingsvermogen. Dat zijn de eigenschappen die de Volendamse slachtoffers de komende jaren nodig zullen hebben, zeggen hun lotgenoten uit Goteborg. 'Toen voor het eerst het verband van mijn benen ging, was ik bang', zegt Dimitris. 'Bang van mijn eigen benen. Ik heb vaak gedacht dat ik het niet zou redden. Ik moest opnieuw leren gelukkig te zijn.'

Masoud heeft zichzelf ondanks zijn verminkingen geaccepteerd, zegt hij. Hij heeft zijn rijbewijs gehaald, wil filmregisseur worden en is vice-voorzitter van boa, een comité dat slachtoffers en hun familie steun biedt. 'Ik heb geluk gehad', zegt hij, 'ik leef nog.' Zijn kijk op het leven is veranderd: 'Ik tel niet meer de dagen, maar de minuten, de seconden. Pakken wat je pakken kunt, dat is mijn motto.'

Nu pas komen ze toe aan de verwerking. Maria Sastre (17) treurt nog altijd om haar vriendje die haar uit het brandende pand haalde en dat met de dood moest bekopen. 'Het eerste jaar was zo zwaar', zegt ze. 'Ik sliep niet en had nachtmerries maar ik wilde er niet over praten. Als ik de deur al uit kwam, deed ik verkeerde dingen, zoals te veel drinken.'

Ze hielpen elkaar door de moeilijkste periode uit hun leven. Ouders, goedwillende psychologen, kennissen die niet bij de brand waren betrokken, het blijven buitenstaanders aan wie ze hun verhaal niet kwijt kunnen. Dimitris: 'Dan zegt zo'n psycholoog: ik begrijp je. Wat een onzin, natuurlijk begrijpt hij mij niet. Hij was er toch niet bij?'

Volendammer René Schilder heeft berekend dat hij zijn verhaal de afgelopen tijd al minstens tweehonderd keer heeft verteld. 'Als ik door het dorp fiets en ik stop, heb ik meteen vijf man om mijn nek. Ook al wil ik er soms liever niet over praten, elk gesprek komt uiteindelijk toch op de brand uit.' Dus dat supportersproject, zegt René, kunnen ze net zo goed meteen afschaffen. Goed bedoeld, vindt Jack Groot, maar ook hij zit niet te wachten op een dorpsgenoot die hem komt vragen hoe het ermee gaat.

Het wordt een rottig jaar, dat realiseren ze zich wel. Ze krijgen binnenkort een siliconenmasker dat littekenvorming tegengaat. Ze moeten naar de fysiotherapeut en ze zitten noodgedwongen thuis terwijl de meeste vrienden alweer naar school gaan of aan het werk zijn. 'De dokter heeft gezegd dat ik over een jaar weer naar de baas kan', zegt Jack. René wil meteen na het weekend terug naar de Nivo, de plaatselijke krant waar hij als opmaker werkt. 'Anders ga ik me maar vervelen.'

Psycholoog Claes Lind, die in Goteborg de nazorg regelt, herkent het Volendamse afweermechanisme. 'Gewoon blijven vragen of je iets voor ze kunt doen. Ooit gaan ze echt praten. Sommigen misschien pas als ze zelf kinderen hebben die zo oud zijn als zij nu. Er waren hier slachtoffers die mij zeiden: als ik ga praten, dan explodeer ik. Dus laat me nog maar even.'

Als er een ding is wat Volendam heeft geleerd van Goteborg, zegt rector Dekkers, dan is het dat de reactie pas jaren later kan komen. 'Ik zie dat veel leerlingen hun gevoel nu wegduwen. Hun onrust manifesteert zich eerder in tegendraads gedrag. Maar het is niet over na de grote vakantie. En onze school kan over twee jaar niet weer normaal gaan doen. Want dan krijgen we hier de broertjes en de zusjes van de slachtoffers, die nu nog op de basisschool zitten.'

Vrijdagmorgen vroeg staat de vader van Yesmin in de regen voor het monument langs de snelweg. Er liggen witte T-shirts met rode harten erop, lege bierblikjes, lucifers en sigaretten. Op het gras is van zwarte kleding een groot kruis gemaakt. Zwijgend ruimt hij alles op. Dan veegt hij de druppels van haar foto en zegt: 'Wat was ze mooi, hè.'

Jack is aan het begin van de week naar een bijeenkomst geweest met 'redders van het eerste uur'. Hij heeft er de brandweerman ontmoet die hem voor het café heeft natgespoten, hij heeft de jongen gesproken die hem met een vaart van 160 kilometer per uur naar het ziekenhuis in Purmerend heeft gebracht. Alleen komt hij er maar niet achter wie hem die nacht naar buiten heeft getild. 'En dat zou ik eigenlijk toch wel erg graag willen weten.'

In een van de Volendamse kerken is een herinneringsruimte ingericht: prikborden met kleurenfoto's en afscheidsbriefjes. Onbeholpen teksten: 'Hé topper, de mazzel.' René kijkt naar de foto's van de twee vrienden die hij verloor, gaat zitten en zegt: 'Wat moet ik nou voor ze opschrijven?' Als we buitenkomen, schijnt de zon over Volendam. Hij zegt: 'Nu had het eigenlijk moeten regenen.'

Meer over