Opkomst en triomf van het christendom

EEN EXPERIMENT in religieuze geschiedschrijving; zo typeert Keith Hopkins zelf zijn boek over heidenen, joden en christenen in het Romeinse rijk....

De studie begint als een sciencefiction-roman. In het eerste hoofdstuk stuurt Hopkins twee moderne reizigers, een man en een vrouw, met behulp van een tijdmachine naar het Pompeji van vlak voor de uitbarsting van de Vesuvius (in het jaar 79). De tijdreizigers kijken hun ogen uit. Overal tempels, altaren, godenbeelden. Zelfs in een groot openbaar toilet met plaats voor twintig personen is een godin op de muur geschilderd.

Het was de opdracht van de reizigers om via participerende observatie zoveel mogelijk informatie in te winnen over heidense religieuze praktijken. Zij kwijten zich keurig van die taak. Al doende krijgen zij (en de lezers met hen) bovendien een goede indruk van het dagelijks leven in een antieke stad. Zo bezoeken zij de plaatselijke thermen, kopen slaven op de slavenmarkt en zien in een kamer van een herberg het opschrift: 'C. Valerius Venustus, soldaat van de eerste cohorte van de keizerlijke lijfwacht. Ik heb hier fantastisch geneukt.'

Auteurs van moderne geschiedenisboeken zwijgen meestal over seks. Zo niet Keith Hopkins. Hij is van mening dat een lezer die zich wil verdiepen in het leven van de bewoners van het Romeinse keizerrijk, moet beseffen dat her en der (en open en bloot) erotische afbeeldingen en erotische teksten te zien waren. Hopkins laat er zijn tijdreizigers dan ook voortdurend mee geconfronteerd worden.

Maar hun aandacht moest natuurlijk ook uitgaan naar andere zaken: ze wonen een offerplechtigheid bij, zien priesters van de godin Isis in processie voorbijtrekken, registreren de bij een bruiloft behorende rituelen. En dat alles met oog voor details.

Het ontgaat hun bijvoorbeeld niet dat de offerplechtigheid waarbij een stier werd geslacht, voor de arme inwoners van Pompeji een van de zeldzame gelegenheden was waarbij een stukje vlees kon worden gegeten. En wanneer het vlees op was, kreeg men gebakjes en koekjes in de vorm van de keizer, de keizer die na zijn dood, en soms zelfs tijdens zijn leven, als een god werd vereerd.

Dat van die koekjes is anachronistisch. Hopkins erkent het zelf. De door archeologen gevonden bakvormen van zulke koekjes zijn niet vóór de tweede eeuw geattesteerd. De auteur van Een wereld vol goden smokkelt wel vaker om zijn verhaal levendig en spannend te maken. Maar aan het wetenschappelijk gehalte van het werk doet dit in feite niets af. In de vele noten aan het eind van het boek legt Hopkins gewetensvol verantwoording af voor de gevallen waarin hij het ogenschijnlijk niet zo nauw neemt met de wetten van het historisch bedrijf.

In Een wereld vol goden wordt de geschiedenis verteld van de opkomst en de triomf van het christendom. Het christendom zegevierde uiteindelijk, maar pas na heftige strijd met de Romeinse overheid, met rivaliserende religies en met dissidenten binnen de eigen gelederen.

Om de groei van het christendom begrijpelijk te maken plaatst Hopkins het in de context van heidendom en jodendom. Voert hij zijn lezers in het eerste hoofdstuk mee naar het heidense Pompeji, in hoofdstuk twee laat hij hen kennis maken met een in Rome terechtgekomen jood die had behoord tot de sekte van Qumran (waar in 1947 de Dode Zee-rollen werden gevonden). Hopkins laat de vrome jood ruzie krijgen met een christelijke priester, en wel in het script voor een televisiedrama dat zich deels in het oude Rome en deels in het moderne Engeland afspeelt. Authentieke, zij het enigszins bewerkte teksten uit de Oudheid worden de spelers in de mond gelegd.

Reizen met een tijdmachine, smokkelen met historische gegevens, een televisiespel over de Dode Zee-rollen: het zijn onorthodoxe middelen waarnaar Hopkins heeft gegrepen om sommige delen van zijn nieuwste boek vorm te geven. Sommige delen, niet alle. Hoofdstuk drie bijvoorbeeld, dat gaat over de evolutie van het christendom als een revolutionaire beweging, poogt een conventionele, objectieve analyse te geven. Het vierde hoofdstuk, 'Jezus en zijn tweelingbroer', is vooral narratief. Hierin worden enkele verhalen naverteld, die sinds de tweede eeuw aan het Nieuwe Testament werden toegevoegd, maar niet tot de gevestigde canon zijn gaan behoren.

In het tweede deel van Een wereld vol goden verbindt Hopkins, net als in de eerste hoofdstukken, historische analyses met allerlei onhistorische vertelvormen. De tijdreizigers bezoeken nu het heidense Egypte, Syrië en Klein-Azië (Turkije), gebieden waar het christendom vroeg wortel schoot. Iemand die nog maar net tot het christendom was overgegaan, vertelt in een brief over de spot en de hoon die hem ten deel viel tijdens een etentje met heidense disgenoten. De opvattingen van gnostici en manicheeërs worden besproken: zij worstelden met de vraag waarom een goede en almachtige God het kwaad in de wereld toestond (orthodoxe christenen volgden uiteindelijk Augustinus, die het kwaad als een menselijke onvolkomenheid beschouwde en een erfenis van Adam en Eva).

Het laatste hoofdstuk is een studie over Jezus, niet zozeer over de historische Jezus, als wel over de vele en wisselende Jezussen die in de Oudheid geschapen zijn.

Een experiment in religieuze geschiedschrijving is Een wereld vol goden met recht te noemen. Geen oudhistoricus van naam heeft ooit zijn nek zover durven uitsteken in een poging moeilijke stof voor een breed publiek begrijpelijk te maken. Of het experiment is geslaagd? Hopkins zelf heeft er kennelijk zijn twijfels over. Om critici bij voorbaat de mond te snoeren heeft hij tussen de hoofdstukken door gefingeerde brieven geplaatst aan en van vakgenoten, waarin het voor en tegen van zijn aanpak uitvoerig aan de orde komt.

Zijn vrees is ongegrond. Een wereld vol goden is een prachtig boek. Jammer alleen dat de Nederlandstalige uitgave niet geheel en al vlekkeloos is.

Meer over