Opkomen voor Europa is meer dan ooit nodig

TOT NU toe is er vrijwel stiekem aan Europa gebouwd. Veel burgers zijn zich wel bewust dat er iets gaande is in Brussel, maar wat precies weten maar weinigen....

Wij moeten de gulden inleveren voor de Euro, hoewel alleen ingewijden weten waarom. Ondanks opgeschroefde pretenties over een gemeenschappelijk buitenlands beleid, lieten de Europese partners het in Bosnië afweten. Zo worden bij de ontdekking van Europa eerst de schaduwzijden zichtbaar.

Paradoxaal genoeg vormen deze constateringen een hoopvol teken voor de pleitbezorgers van verdere integratie. De kritiek op de EU richt zich immers niet zozeer op wat zij doet, maar op wat ze nalaat. Daarom heeft Van Baar volkomen ongelijk als hij stelt 'dat er al genoeg Europa is' (Forum, 30 maart). Zijn stelling dat de EU onmachtig moet blijven omdat zij anders controversieel wordt, wordt door de praktijk gelogenstraft.

Het gaat burgers meer om de beslissingen zelf dan om het niveau waarop zij worden genomen. Essentieel is of zij er profijt of last van hebben in hun dagelijks leven. En van inhoudelijke bezwaren onder de bevolking tegen Brusselse besluiten is niet veel te merken. Dit kan natuurlijk komen doordat, afgezien van boeren, weinig mensen zich realiseren met welke Europese beslissingen zij van doen hebben. Maar ook in de Tweede Kamer is breed politiek verzet tegen concrete EU-regelgeving tamelijk zeldzaam.

Is er dan niets aan de hand? Jazeker wel. Het maatschappelijk draagvlak voor steeds intensievere samenwerking lijkt te worden aangetast. Er is een veel te groot verschil in betrokkenheid tussen Europees georiënteerde politici, ambtenaren en bedrijven en de rest van de bevolking. De 'positieve' desinteresse dreigt om te slaan in wantrouwen of scepsis. De kloof tussen burger en bestuur zou zich bovendien wel eens kunnen verbreden door de eigen dynamiek van het integratieproces: het ene gezamenlijke besluit roept het volgende op. Zo maakt vrijheid van personen- en goederenverkeer samenwerking noodzakelijk op het gebied van grensoverschrijdende criminaliteit.

De Euroscepsis kan bovendien niet los gezien worden van meer algemene gevoelens van ontevredenheid en onzekerheid in veel lidstaten. Werkloosheid en andere vormen van maatschappelijke ontwrichting versterken de notie van eigen kwetsbaarheid. De oorzaak van tegenslagen wordt bij voorkeur niet dicht bij huis, maar elders gezocht. Daardoor ontstaat gemakkelijk verzet tegen alles wat vreemd, buitenlands of Europees is.

De anonieme Brusselse besluitvormingsmachine kan als alibi dienst doen voor het eigen falen. Zowel bij individuen als bij staten (Verenigd Koninkrijk) is deze neiging waarneembaar. De toenemende migratiestromen en de komende EU-uitbreiding met onbekende Oosteuropese landen zijn koren op de molen van de kwetsbaren en van diegenen die pretenderen daar voor op te komen.

De vraag is hoe Nederlandse politici op deze ontwikkelingen moeten reageren. De makkelijke weg is inspelen op het wantrouwen en gebrek aan kennis van burgers door de Euroscepsis aan te moedigen en nieuwe verdedigingslinies rond de eigen nationale identiteit op te trekken. Op korte termijn valt daar misschien electoraal voordeel uit te putten. Wie zich hieraan bezondigt, zal echter vroeg of laat als onverantwoordelijk door de mand vallen. De moeilijke weg is kiezers goed informeren en trachten te overtuigen van de onvermijdelijkheid van nauwere Europese samenwerking.

Als wij van de bok van de Europese karavaan springen trekt deze onverstoord verder zonder dat we nog invloed hebben op de richting en de snelheid. Daarbij is het goed de gevolgen van het integratieproces voor Nederland te relativeren. De meest ingrijpende maatschappelijke veranderingen hebben namelijk niets met Brussel uitstaande.

Te denken valt aan de totstandkoming van de multiculturele samenleving. Of de ontzuiling, die veroorzaakt wordt door ont-ideologisering en deconfessionalisering. Ons omroepbestel staat niet op springen door Europese mededingingsregels, maar door de revolutie in de communicatietechnologie. De dreigende vervlakking van onze cultuur is eerder het gevolg van sluipende 'veramerikanisering' dan van verderfelijke Europese invloeden.

De aanpassing van ons sociaal stelsel heeft meer met toenemende mondiale concurrentie te maken dan met de situatie in Portugal.

Als exportland bij uitstek dankt Nederland zijn welvaart voor een groot deel aan de interne markt. Mede door onze geografische ligging kunnen we bovendien veel van onze problemen niet binnen het nationale kader oplossen. Daarom is het voor ons zo wezenlijk dat met de herziening van het Verdrag van Maastricht de EU slagvaardiger en democratischer wordt. De EMU kost geen banen, maar draagt juist bij aan de werkgelegenheid door gezondmaking van de economie.

De vraag is al lang niet meer of de muntunie er komt, maar wanneer welke staten er mee beginnen. Het grootste probleem is hoe we een permanente splitsing tussen economische koplopers en achterblijvers kunnen voorkomen. Bovendien leven ook Europeanen niet van brood alleen. Eenzijdige gerichtheid op de markt, zoals Bolkestein en de Britse conservatieven voorstaan, leidt tot scheefgroei van de Europese Unie.

Rest de vraag: hoe ver moeten we gaan met het afstaan van nationale soevereiniteit? Allereerst is er absoluut geen reden om in paniek het Wilhelmus aan te heffen bij het vernemen van het woord 'federaal'. De instelling van een centraal gezag sluit een grote mate van autonomie van (deel)staten bepaald niet uit. Maar een federatie is Europa nog lang niet en het is onzeker of het dat ooit wordt.

Met de toekomstige uitbreiding van de EU met de Oosteuropese landen zal een verdergaande integratie alleen maar moeilijker worden. Zonder verdieping - dat wil zeggen een herziening van de manier waarop de Europese besluitvorming plaatsvindt - is verbreding onmogelijk. Handhaving van het vetorecht is met 25 lidstaten een garantie voor totale verlamming. Versterking van het communautaire karakter is daarom onontbeerlijk en is bovendien in het belang van Nederland als het dominantie van de grote lidstaten wil voorkomen.

Niettemin is het tijd ons te bezinnen op onze eigen tradities, waarden en instituties. Welke willen we onder geen beding kwijt en welke zouden we eventueel kunnen offeren als er iets beters tegenover staat? Zijn we bereid iets af te doen aan onze eigen rechtscultuur als bestrijding van internationale criminaliteit dit noodzakelijk maakt?

Tot voor kort waren alle grote partijen het eens over de keuze voor Europa. De VVD, althans de Tweede-Kamerfractie is recentelijk van richting veranderd en heeft de consensus verbroken. Dat is goed voor het debat, maar slecht voor het beleid. Onze toekomst ligt in Europa. Die boodschap moeten we blijven uitdragen, ook als het moeilijk wordt.

Bob van den Bos

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor D66.

Meer over