Opgelegde omgang bevestigt machtsongelijkheid

Een verplicht opgesteld ouderschapsplan bij echtscheiding lijkt in het belang van moeder en kind maar is dat niet, zeggen Gabbi Mesters e.a.....

De Tweede Kamer heeft het initiatiefwetsvoorstel van VVD-KamerlidLuchtenveld over scheiding en ouderschap aangenomen. Dit voorstel verplichtscheidende ouders om vóór het indienen van het verzoekschrift totechtscheiding (samen) een 'ouderschapsplan' op te stellen, waarin alswettelijk vereiste een zorg- en omgangsregeling moet zijn opgenomen.

Partijen kunnen niet scheiden als die regeling ontbreekt. De rechter kanin dergelijke gevallen besluiten de procedure aan te houden en er bijpartijen op aandringen mee te werken aan mediation, alsnog tot afsprakenover zorg en omgang te komen.

Uitgangspunt van het wetsvoorstel vormt het aanboren van het'zelfoplossend vermogen' van ouders en het terugdringen van het aantalgerechtelijke procedures. Op het eerste gezicht lijkt dit gedachtegoed alseigentijds en vooruitstrevend toe te juichen. Maar als juristen werkzaamop het gebied van het familierecht vragen wij ons af of het aangenomenvoorstel recht doet aan die gevallen waarin de echtscheiding minderharmonieus verloopt. Bijvoorbeeld daar waar de echtscheiding het gevolg isvan huiselijk geweld waaruit één van beide ouders (veelal de moeder) metde kinderen poogt te vluchten. In Nederland wordt ruim 1 op de 5 vrouwenslachtoffer van geweld gepleegd door haar mannelijke (ex-)partner. Zeker40duizend kinderen per jaar lopen hierdoor ernstig trauma op, met allemaatschappelijke kosten van dien. Bovendien veroorzaakt het getuige zijnvan het partnergeweld bij een deel van hen, zeker in de leeftijd van 0 tot4 jaar, blijvende hersenbeschadiging.

In dergelijke situaties kan men vraagtekens plaatsen bij de verplichtingvoor partijen om samen een ouderschapsplan op te stellen of om zich tot eenmediator te wenden voordat zij hun geschil aan de rechter kunnenvoorleggen. Dit staat op gespannen voet met de visie van de Raad van Europaen de EU, waarin family mediation in situaties van partnergeweldnadrukkelijk ongeschikt wordt geacht vanwege de grote mate vanmachtsongelijkheid en de onveiligheid die in dergelijke situatiesoverheerst. Daarbij rijst de vraag of mediation in geval van huiselijkgeweld wel zinvol en wenselijk is. Tussen slachtoffers van huiselijk gewelden de pleger bestaat per definitie een ongelijke machtspositie die zich zalvertalen in de uitkomsten van de mediation.

Door de toegang tot de rechter afhankelijk te stellen van een voorafdoor partijen te sluiten bindende overeenkomst (het ouderschapsplan), wordtbovendien het beginsel van eerlijke procesvoering en vrije toegang tot derechter, zoals vastgelegd in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten vande Mens (EVRM), geschonden. Daarnaast is het wetsvoorstel in strijd metartikel 8 lid 2 EVRM. Dit artikel, dat het gezinsleven en daarmee het rechtop omgang beschermt, bepaalt nadrukkelijk dat dit recht beperkt kan wordenindien de rechten en vrijheden van anderen, waaronder het kind, ditvereisen. Het wetsvoorstel gaat hieraan voorbij door omgang te verklarentot een onaantastbaar recht van de niet-verzorgende ouder en tot eenabsolute plicht van het betrokken kind en diens verzorgende ouder.

Ook bevat het wetsvoorstel andere onwenselijke wijzigingen. Zo wordt deverplichte procesvertegenwoordiging bij echtscheiding door advocatengeschrapt, waardoor het beginsel van equality of arms wordt geschonden.Juist slachtoffers van huiselijk geweld behoeven juridische bijstand om deverstoorde machtsbalans te herstellen. Daarnaast wordt de noodzakelijkerechterlijke toetsing ernstig beperkt, terwijl die juist in deze gevallen - waarin de belangen en veiligheid van kinderen in het geding zijn - zo hardnodig is.

Tevens worden de huidige wettelijke ontzeggingsgronden voor omgang,geformuleerd om het kind te beschermen tegen alle vormen van geweld, buitentoepassing geplaatst. Omgang wordt daardoor een absoluut recht van deniet-verzorgende ouder. Dit is een onjuist uitgangspunt; niet het recht vande ouder, maar het belang van het kind moet voorop staan.

Het voorstel bepaalt ook dat deze verplichte omgang, ongeacht deleeftijd van het kind, minimaal twee etmalen per veertien dagenplaatsheeft. De zorgbehoeften in de verschillende leeftijdscategorieënblijven hierdoor buiten beschouwing. En de verzorgende ouder wordtverantwoordelijk gesteld voor het waarborgen van een 'goed contact' tussenhet kind en diens uitwonende ouder, ongeacht de vraag of dat het kindschaadt.

Organisaties als Fathers 4 Justice, SOS Papa en de Dwaze Vaders hebbende afgelopen jaren de indruk gewekt dat vaders er bij de vaststelling vanomgangsregelingen bekaaid van afkomen en moeders alles in het werk stellenom omgang te frustreren. In 75 tot 80 procent van de gevallen komenpartijen er echter, al dan niet met tussenkomst van de rechter, uit entreffen zij een omgangsregeling die in het belang is van het kind. Bij deoverige 20 tot 25 procent is het soms de rechter die de omgang tussen vaderen kind ontzegt; soms wenst de uitwonende vader geen omgang; en soms issprake van complexe problemen. Dat vaders en masse door weigerachtigemoeders worden belemmerd hun kinderen te zien, is een door voornoemdebelangenorganisaties in het leven geroepen fictie.

Er doen zich weliswaar situaties voor waarbij de verzorgende ouder,zonder werkelijke reden, de omgang frustreert. Maar dit is een marginalegroep die de voorgestelde, zeer ingrijpende en met het internationale rechtstrijdige wetswijzigingen niet rechtvaardigt.

Het wetsvoorstel vormt een aanzienlijke verslechtering voor derechtspositie van kinderen en van slachtoffers van huiselijk geweld.

Wanneer de Eerste Kamer niet ingrijpt, maakt het familierecht letterlijkplaats voor het recht van de sterkste.

Meer over